<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:5396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T14:45:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/115136-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5396">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T13:45:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:5396 Rechtbank Amsterdam , 23-07-2025 / 13/115136-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5396:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools executie-EAB. Tussenuitspraak om vragen te stellen aangaande artikel 12 OLW. Het verweer aangaande de Poolse detentieomstandigheden slaagt niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5396:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/115136-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 23 juli 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 22 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_d96b36e5-890f-433a-bc0e-5db2ec643441" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 17 december 2024 door <emphasis role="italic">District Court of Lublin</emphasis> (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>nu gedetineerd in de [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juli 2025, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_c246fb92-97fa-4f95-9878-d255e9be8025" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.  	Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgment of the Provincial Court of [geboorteplaats]</emphasis> van 27 juni 2023 met referentie <emphasis role="italic">II K 1180/22</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 11 maanden en 26 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_03864634-26bb-4f90-9123-09e030b8d2f2" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon was niet aanwezig in de procedure die tot het vonnis heeft geleid. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt daarnaast niet of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting en/of de uitspraak, of de raadsman die hem heeft vertegenwoordigd door hem gemachtigd was en of hij op een juiste wijze is opgeroepen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor wat betreft de procedure in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon daarvan niet op de hoogte was. Hij wist niet dat er hoger beroep was ingesteld en hij wist niets van een zitting in hoger beroep. Er is geen sprake geweest van een mandaat voor de advocaat van de opgeëiste persoon om hem in hoger beroep bij te staan, ook al staat dat zo vermeld in de aanvullende informatie. De opgeëiste persoon is toen hij nog vast zat, één keer bezocht door een advocaat, maar heeft daarna niets meer van hem gehoord. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in zowel de procedure in eerste aanleg als vervolgprocedures, dus ook in hoger beroep.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB onder f) en de aanvullende informatie van 18 juni 2025 leidt de rechtbank af dat er een procedure heeft plaatsgevonden in zowel eerste aanleg als in hoger beroep. Er staat immers in het EAB vermeld dat de advocaat van opgeëiste persoon beroep instelde en dat de opgeëiste persoon op de zitting in hoger beroep niet is verschenen. Ook staat vermeld dat in hoger beroep de rechtbank (<emphasis role="italic">the Court</emphasis>) het vonnis in stand hield. Het is echter onduidelijk op welke datum en door welke instantie arrest is gewezen en welke referentie daar bij hoort. Het is ook onduidelijk of onderdeel d) van het EAB (waar vermeld staat dat de opgeëiste persoon aanwezig was en vanuit de gevangenis waar hij voorlopig gehecht zat, naar de zitting gebracht werd) ziet op de procedure in eerste aanleg of de procedure in hoger beroep. De rechtbank kan daarom niet beoordelen in hoeverre de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in de beide procedures en of dat voldoet aan de eisen die horen bij artikel 12 OLW. Het EAB en de aanvullende informatie vermelden dat sprake is van een advocaat die door de opgeëiste persoon gemachtigd zou zijn om hem te verdedigen in alle fases van het proces, en alle instanties, inclusief die in hoger beroep. Onduidelijk is echter of de opgeëiste persoon opdracht heeft gegeven tot het instellen van hoger beroep en of hij op de hoogte was van het proces in hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat er binnen de beslistermijn nog ruimte is om over het voorgaande opheldering te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit, heropent en schorst de rechtbank het onderzoek om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Door welke instanties zijn het vonnis en vervolgens het arrest gewezen, van welke datum zijn het vonnis en het arrest en welke kenmerken horen daarbij?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ziet het in het EAB ingevulde onderdeel d) op de procedure in eerste aanleg of op de procedure in hoger beroep? Kan als het d-formulier is ingevuld voor de procedure in eerste aanleg ook voor de procedure in hoger beroep een d-formulier worden ingevuld?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Was de advocaat die in eerste aanleg optrad voor opgeëiste persoon door de opgeëiste persoon gemachtigd om hoger beroep namens hem in te stellen of heeft de advocaat dit ambtshalve gedaan? Indien de advocaat zonder medeweten van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld, hoe is de opgeëiste persoon dan op de hoogte gebracht van deze beroepsprocedure en de zitting in hoger beroep?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Heeft de opgeëiste op enig moment een adres opgegeven aan de Poolse justitiële instanties waar hij voor de zitting(en) in zijn strafzaak kon worden opgeroepen? Is op dat moment ook een adresinstructie gegeven aan de opgeëiste persoon, inhoudende dat hij elke adreswijziging door moest geven aan de Poolse autoriteiten omdat dit anders consequenties zou hebben? Zo ja, heeft de adresinstructie ook betrekking op de procedure in hoger beroep en was dit kenbaar voor de opgeëiste persoon? Is in deze adresinstructie ook aangegeven dat het niet doorgeven van adreswijzigingen kan leiden tot berechting in zijn afwezigheid? Is de opgeëiste persoon voor de zitting(en) in hoger beroep op het door hem opgegeven adres opgeroepen?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van zware mishandeling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Detentieomstandigheden </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic"> 	Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat voorzichtig moet worden omgegaan met kwetsbare personen, zoals de opgeëiste persoon, bij overlevering naar Polen. In dit kader kan niet zonder meer uitgegaan worden van het vertrouwensbeginsel. Vanwege de mentale problemen van de opgeëiste persoon (die lijdt aan depressies en PTSS) moet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een individuele detentiegarantie opgevraagd worden. De raadsvrouw heeft journaalregels van zijn huisarts alsook medische gegevens van de [detentieplaats] aan haar pleitnota gehecht.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic"> 	Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van algemeen reëel gevaar dat personen die medische zorg behoeven in Poolse detentiecentra onmenselijk of vernederend worden behandeld. Zij heeft daarnaast gesteld dat de CPT<footnote-ref linkend="_02d20363-8a03-4dfb-93f8-08809858a38d" />-rapportage alleen aandacht vraagt voor de situatie in <emphasis role="italic">remand prisons.</emphasis> De officier van justitie constateert dat uit de overgelegde stukken onvoldoende concreet blijkt welke behandeling de opgeëiste persoon nu volgt of zal moeten volgen. Nergens blijkt uit dat de opgeëiste persoon in Polen niet de behandeling zal kunnen ontvangen die hij nodig heeft.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.1.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank ziet, hoewel zij begrijpt dat er zorgen zijn omtrent de psychische situatie van de opgeëiste persoon, geen aanleiding om de beslissing over de overlevering aan te houden teneinde aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
          <para>De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer over de detentieomstandigheden het kader, zoals dat is gegeven door het Hof van Justitie van de EU in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (<emphasis role="italic">Aranyosi en Căldăraru</emphasis>).</para>
          <para>Zoals uitvoerig herhaald in haar jurisprudentie heeft de rechtbank geen algemeen reëel gevaar aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf in Polen uitzitten, onmenselijk of vernederend worden behandeld.<footnote-ref linkend="_616f0e22-6377-4420-a0a6-50d096a4609b" /> De raadsvrouw heeft daarnaast geen enkele objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen gevaar blijkt dat personen die een gevangenisstraf uitzitten in Polen, in onvoldoende mate medisch behandeld of psychisch geholpen kunnen worden. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan het stellen van vragen. Het verweer wordt verworpen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_a333ab5b-e16e-4dbb-86d7-7cab8c53040d" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_a589f16e-62df-4005-bd73-67819b0073a1" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen onder 4 is overwogen heropent de rechtbank het onderzoek om de officier van justitie in staat te stellen de eveneens onder 4.3 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en<emphasis role="bold"> SCHORST </emphasis>het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4.3 geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de zaak vóór het verstrijken van de beslistermijn op <?linebreak?>18 augustus 2025 opnieuw op zitting wordt gepland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,	voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en G.S. Haas, 	griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d96b36e5-890f-433a-bc0e-5db2ec643441" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c246fb92-97fa-4f95-9878-d255e9be8025" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_03864634-26bb-4f90-9123-09e030b8d2f2" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02d20363-8a03-4dfb-93f8-08809858a38d" label="4">
    <para>The Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment</para>
  </footnote>
  <footnote id="_616f0e22-6377-4420-a0a6-50d096a4609b" label="5">
    <para> Zie onder meer Rb. Amsterdam 9 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4798, r.o. 6, Rb. Amsterdam 29 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3764 en Rb. Amsterdam 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7507, r.o. 7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a333ab5b-e16e-4dbb-86d7-7cab8c53040d" label="6">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a589f16e-62df-4005-bd73-67819b0073a1" label="7">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>