<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:5394</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T15:04:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/027459-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5394">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5394</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T14:37:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:5394 Rechtbank Amsterdam , 23-07-2025 / 13/027459-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5394:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools executie-EAB. De rechtbank staat de overlevering toe. Het gevoerde artikel 12 OLW-verweer slaagt niet, net als het verweer aangaande de detentieomstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5394:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/027459-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 23 juli 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 16 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_5ee35b2f-73ce-4c2e-93da-8afd94fe84f5" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2025 door <emphasis role="italic">the District Court in Wroclaw</emphasis> (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeeiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres] ,</para>
      <para>gedetineerd in de [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juli 2025, in aanwezigheid van mr. U.E.A. Weitzel, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_38c1674e-5620-4ca1-96be-b02600a42008" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.  	Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van<emphasis role="italic"> the District Court in Wrocław </emphasis>van 8 februari 2023 met kenmerk <emphasis role="italic">III K 224/22</emphasis>, in stand gelaten door een arrest van <emphasis role="italic">the Appeal Court in Wrocław </emphasis>van<?linebreak?>28 februari 2024met kenmerk <emphasis role="italic">II AKa 162/23.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, vijf maanden en vijf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_2524ae46-8e0f-4b12-a0e0-4ee4a35bcab6" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de informatie in onderdeel d) het EAB en de aanvullende informatie van 17 juni 2025. Ook de adresinstructie is niet in orde nu opgeëiste persoon niet gewezen is op de consequenties van het niet naleven ervan. De raadsman heeft aan dit verweer geen conclusie verbonden, anders dan dat de gang van zaken rondom de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon ‘niet door de beugel kan’. De rechtbank neemt aan dat de raadsman daarmee bedoelt dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW zich niet voordoet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_ec287055-1d37-4da7-9c66-67d175863fe3" /> Dit breng met zich mee dat enkel de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van <?linebreak?>28 februari 2024 met kenmerk <emphasis role="italic">II AKa 162/23</emphasis> dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich niet voordoet. De rechtbank leidt uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie af dat de opgeëiste persoon weliswaar niet zelf aanwezig was bij de zittingen die tot het arrest hebben geleid, maar wel was geïnformeerd over de zitting en aldaar is vertegenwoordigd door een advocaat die daartoe door hem gemachtigd was. De opgeëiste persoon heeft bovendien verklaard dat hij inderdaad een advocaat gemachtigd had om namens hem de verdediging te voeren in hoger beroep. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat hij van het proces op de hoogte is geweest. De rechtbank oordeelt dat zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De omstandigheid dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat tijdens de procedure in hoger beroep is waargenomen door een andere advocaat, maakt dit niet anders.<footnote-ref linkend="_3200be11-ef3f-45eb-a178-74ec5f259ebd" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. Dit betekent dat het verweer van de raadsman niet slaagt. De rechtbank ziet de door de raadsman aangevoerde tegenstrijdigheid tussen het EAB en de aanvullende informatie niet, maar leest de aanvullende informatie als een aanvulling op de informatie uit het EAB.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld onder de nummers 1 en 5, te weten (respectievelijk):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelneming aan een criminele organisatie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat het onduidelijk is waar in Polen de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en dat de opgeëiste persoon mogelijk in een situatie kan komen waar sprake is van een vernederende en onmenselijke behandeling. Daarom is van belang dat wordt nagevraagd waar de opgeëiste persoon wordt gedetineerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zoals uitvoerig herhaald in haar jurisprudentie heeft de rechtbank geen algemeen reëel gevaar aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf in Polen uitzitten, onmenselijk of vernederend worden behandeld.<footnote-ref linkend="_697a5899-2ab5-4041-9081-5ad8b60d1970" /> De raadsman heeft daarnaast geen enkele objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen gevaar voor personen die een gevangenisstraf uitzitten in Polen, blijkt. In verband met het voorgaande is de vraag waar de opgeëiste persoon na overlevering aan Polen naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd geenszins relevant. Daarom komt de rechtbank niet toe aan het stellen van vragen. Het verweer wordt verworpen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_c4d24fda-7c9a-4ca5-a565-7329453c9df2" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_3a1ebd50-65c3-4846-884f-b14cc794009a" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeeiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court in Wroclaw</emphasis> (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,	voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en G.S. Haas, 	griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_5ee35b2f-73ce-4c2e-93da-8afd94fe84f5" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_38c1674e-5620-4ca1-96be-b02600a42008" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2524ae46-8e0f-4b12-a0e0-4ee4a35bcab6" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec287055-1d37-4da7-9c66-67d175863fe3" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3200be11-ef3f-45eb-a178-74ec5f259ebd" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 28 mei 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4868 en Rb. Amsterdam 17 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5139.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_697a5899-2ab5-4041-9081-5ad8b60d1970" label="6">
    <para> Zie onder meer Rb. Amsterdam 9 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4798, r.o. 6, Rb. Amsterdam 29 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3764 en Rb. Amsterdam 22 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7507, r.o. 7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4d24fda-7c9a-4ca5-a565-7329453c9df2" label="7">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a1ebd50-65c3-4846-884f-b14cc794009a" label="8">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>