<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:5364</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T11:10:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 24/3887 en 25/3273</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5364">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5364</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-22T18:26:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:5364 Rechtbank Amsterdam , 25-07-2025 / AMS 24/3887 en 25/3273</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5364:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opleggen bouwstop ogv Omgevingswet, beroep niet-ontvankelijk. College hoefde aan hen gericht schrijven 'klacht/bezwaar' niet door te sturen ter behandeling als beroep. Invorderen dwangsommen, beroep niet-ontvankelijk, ontbreken rechtsmiddelenclausule leidt niet tot ongeldige bekendmaking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5364:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: AMS 24/3887 en 25/3273</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaken tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. V.J. Leijh),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen besluiten van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn,</emphasis> het college </para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde]).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Samenvatting</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres was eigenaar van het perceel gelegen aan het [adres] in Uithoorn. Op dit perceel is [bedrijf] gevestigd. Het [bedrijf] werd uitgebaat door mevrouw [naam]. Inmiddels is het perceel door eiseres verkocht. Eind 2023 is eiseres met werkzaamheden begonnen bij het [bedrijf]. <?linebreak?>Deze uitspraak gaat over de bouwstop met last onder dwangsom die het college aan eiseres oplegde vanwege deze werkzaamheden en over het invorderen van dwangsommen in het kader van die bouwstop. Het beroep voor zover gericht tegen de bouwstop met last onder dwangsom (het bestreden besluit I van 25 januari 2024) is geregistreerd onder nummer AMS 24/3887. Het beroep over de invordering van de dwangsommen (het bestreden besluit II van 29 augustus 2024) is geregistreerd onder nummer AMS 25/3273. <?linebreak?><emphasis role="bold">Procesverloop </emphasis><?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het college heeft aan eiseres een bouwstop met last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit I van 25 januari 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres hiertegen niet-ontvankelijk verklaard. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het college heeft dwangsommen van in totaal € 45.000,- ingevorderd voor het overtreden van de bouwstop met last onder dwangsom. Met het bestreden besluit II van 29 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres was [de persoon] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van het college was eveneens aanwezig. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank in de zaak AMS 24/3887<?linebreak?></title>
    <bridgehead role="underline">Aanloop naar de bouwstop met last onder dwangsom</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij een inspectie op 8 november 2023 heeft een toezichthouder van de gemeente Uithoorn geconstateerd dat eiseres bouwwerkzaamheden verricht zonder te beschikken over de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. De toezichthouder heeft daarom op 8 november 2023 mondeling een bouwstop opgelegd. Het college heeft met het besluit van 9 november 2023 de bouwstop op schrift gesteld en daarbij een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat als eiseres de bouwactiviteiten niet onmiddellijk staakt en gestaakt houdt zij per constatering dat zij in strijd met de lastgeving handelt een dwangsom verschuldigd is van € 15.000,- per doorbreking van de bouwstop met een maximum van € 45.000,-. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 21 november 2023 een e-mail aan (onder meer) de gemeente Uithoorn gestuurd. Het college heeft met een brief van 5 december 2023 deze e-mail aangemerkt als bezwaar tegen de bouwstop. Omdat de gemeente Uithoorn het indienen van bezwaarschriften via de digitale weg heeft uitgesloten, heeft het college eiseres met brieven van 6 en 20 december 2023 gevraagd het bezwaarschrift op de juiste wijze in te dienen, volgens de vereisten van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Met een besluit van 21 december 2023 heeft het college de bouwstop ingetrokken omdat een toezichthouder op 19 december 2023 heeft geconstateerd dat eiseres de overtreding heeft beëindigd. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit I van 25 januari 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres van 21 november 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het per e-mail is ingediend en geen gronden bevat. Het college heeft het bezwaar van eiseres daarom niet inhoudelijk behandeld. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres heeft op 2 februari 2024 een e-mail gestuurd aan de gemeente waarin onder meer het volgende staat: “Bij deze dien ik bezwaar of klacht in tegen het behandelen en de beslissing op bezwaar Bouwstop [adres] te Uithoorn.” Een medewerker van de gemeente heeft op 7 februari 2024 telefonisch contact gehad met eiseres en na overleg met eiseres de e-mail als klacht behandeld. <?linebreak?><emphasis role="underline">Is het beroep tegen het bestreden besluit I ontvankelijk? </emphasis></para>
        <para>4. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het college heeft het bestreden besluit I op 25 januari 2024 per post en per aangetekende post bekend gemaakt aan eiseres. Dat betekent dat de beroepstermijn van zes weken op de dag na die bekendmaking is gaan lopen. Eiseres had tot en met 7 maart 2024 de tijd om beroep in te stellen bij de rechtbank. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiseres op 31 oktober 2024 beroep heeft ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. Eiseres heeft geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.<footnote-ref linkend="_6fe1bf3b-7ce1-4639-946c-39a4c95fd183" /><?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voor zover eiseres stelt dat zij op 2 februari 2024 per mail, abusievelijk gericht aan het college, beroep heeft ingesteld en dat het college dit beroepschrift ten onrechte niet ter behandeling heeft doorgestuurd naar de rechtbank Amsterdam<footnote-ref linkend="_46ae39ab-731e-4526-9e77-38ae51d63685" /> overweegt de rechtbank als volgt. Voor het antwoord op deze vraag moet worden gekeken naar de bedoeling van het stuk.<footnote-ref linkend="_0ae7b9d4-027d-4ee9-9c8d-ce909b7f49f5" /> Omdat onduidelijkheid bestond over de bedoeling van de e-mail van 2 februari 2024 heeft een medewerker van de gemeente telefonisch contact opgenomen met eiseres. Eiseres heeft aangegeven dat zij de e-mail als een klacht behandeld wil hebben. De medewerker heeft aangegeven dat zij de e-mail als een klacht ging doorzetten en dat de bevoegde persoon dan contact met eiseres zou opnemen. Met een brief van 21 februari 2024 heeft het college eiseres bericht dat de klacht niet in behandeling wordt genomen.<footnote-ref linkend="_a4ca254b-f4d9-4e0d-8fac-a26fb8dd91fd" /> Het college heeft de gang van zaken toegelicht en eiseres er op geattendeerd dat zij beroep kan instellen bij de rechtbank Amsterdam als zij zich niet kan vinden in de beslissing op bezwaar. Eiseres heeft dat op dat eerst op 31 oktober 2024 gedaan. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het beroep tegen het bestreden besluit I is gelet op het vorenstaande niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het opleggen van de bouwstop in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. <?linebreak?><emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank in de zaak AMS 25/3273</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Aanloop naar de invordering van de dwangsommen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Op 24 november, 5 december en 12 december 2023 heeft een toezichthouder geconstateerd dat er na de constatering van 8 november 2023 verdere bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. De bouwstop is daarmee driemaal doorbroken. Daarom verbeurt eiseres driemaal een dwangsom van € 15.000,-. Het college heeft eiseres na iedere constatering geïnformeerd over het voornemen om de dwangsommen in te vorderen. Eiseres heeft een zienswijze ingediend. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Met het besluit van 23 april 2024 heeft het college de verbeurde dwangsommen van in totaal € 45.000,- ingevorderd. Met het bestreden besluit II van 29 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de invordering van de dwangsommen ongegrond verklaard. Volgens het college staat de bouwstop met de daarbij behorende last onder dwangsom vast en is het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard. Omdat eiseres hiertegen geen beroep heeft ingesteld, is de bouwstop onherroepelijk. <?linebreak?><emphasis role="underline">Is het beroep tegen het bestreden besluit II ontvankelijk?  </emphasis><?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 3 juni 2024 een stuk ingediend bij de rechtbank. De rechtbank merkt dit niet aan als ontvankelijk beroepschrift tegen het bestreden besluit II. Het stuk is gericht aan het college en heeft als titel: bezwaarschrift zaaknummer 2023-104930 / D2024-02-033946. Het is gedateerd 21 mei 2024, derhalve na het invorderingsbesluit van 23 april 2024 en vóór de hoorzitting en het bestreden besluit II. Vast staat dat het bestreden besluit II nog niet tot stand was gekomen en dat eiseres redelijkerwijs ook niet kon menen dat dit wel het geval was.<footnote-ref linkend="_d2730f70-256e-46aa-8012-31bb9e722362" /> Omdat onduidelijk was wat eiseres met dit stuk beoogde, mogelijk een verzoek om een voorlopige voorziening, heeft de griffier heeft hierover telefonisch en per e-mail contact gehad met eiseres en afgesproken dat zij het besluit op het bezwaar afwacht en daarna laat weten of zij daartegen beroep instelt. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat het bestreden besluit II geen beroepsclausule bevatte. Het college heeft daarom op verzoek van eiseres het bestreden besluit II op 7 oktober 2024 nogmaals - maar nu met beroepsclausule - aan eiseres toegezonden. Volgens eiseres is het bestreden besluit II daarom op 7 oktober 2024 bekendgemaakt en is het beroep daarmee tijdig ingesteld. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<footnote-ref linkend="_c54b4fc7-b4b0-4af1-9cbf-0dfafaef22f8" /> leidt het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of uitspraak in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet, stellende dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Dit beginsel lijdt uitzondering indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Van bekendheid met de termijn kan in ieder geval worden uitgegaan indien de belanghebbende voor afloop van de termijn reeds werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Bij een professionele rechtsbijstandverlener mag kennis omtrent het in te stellen rechtsmiddel en de daarvoor geldende termijn immers worden verondersteld en diens kennis kan in dit verband aan de belanghebbende worden toegerekend. Ook bij ideële en andere organisaties die regelmatig plegen te procederen, mag die kennis worden verondersteld alsook bij burgers die regelmatig procederen. Voor het aannemen van verschoonbaarheid kan evenwel, ook indien de belanghebbende bijstand heeft van een professionele rechtsbijstandverlener, aanleiding bestaan indien gerede twijfel mogelijk is omtrent het besluitkarakter van het door het bestuursorgaan aan die belanghebbende toegezonden stuk. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het college heeft het bestreden besluit II op 29 augustus 2024 per post en per aangetekende post bekend gemaakt aan eiseres. Dat betekent dat de beroepstermijn van zes weken op de dag na die bekendmaking is gaan lopen. Eiseres had tot en met 12 oktober 2024 de tijd om beroep in te stellen bij de rechtbank. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiseres op 31 oktober 2024 beroep heeft ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend. De rechtbank leest het beroep op het ontbreken van de rechtsmiddelenverwijzing zo dat eiseres een beroep doet op verschoonbare termijnoverschrijding.<footnote-ref linkend="_5f7690c1-4244-438e-9cc2-0f9ad42e11e1" /> Dit kan eiseres niet baten, omdat de hierboven beschreven uitzondering van toepassing is. Aangenomen kan worden dat eiseres tijdig wist dat zij beroep moest instellen. Eiseres procedeert regelmatig, die kennis mag dus worden verondersteld. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het feit dat eiseres op 6 oktober 2024 een e-mail naar de gemeente heeft gestuurd en verzocht heeft om een  getekend exemplaar van het besluit zodat zij naar de rechter kan gaan. Er is ook geen gerede twijfel mogelijk over het besluitkarakter. Bovendien heeft eiseres ook niet bestreden dat zij het besluit al eerder heeft ontvangen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Het beroep tegen het bestreden besluit II is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het invorderingsbesluit in stand blijft. Eiseres heeft in deze zaak geen griffierecht betaald. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.  <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In de zaak AMS 24/3887: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In de zaak AMS 25/3273: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6fe1bf3b-7ce1-4639-946c-39a4c95fd183" label="1">
    <para> Als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_46ae39ab-731e-4526-9e77-38ae51d63685" label="2">
    <para> Op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ae7b9d4-027d-4ee9-9c8d-ce909b7f49f5" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2011:11115. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a4ca254b-f4d9-4e0d-8fac-a26fb8dd91fd" label="4">
    <para> Op grond van artikel 9:8 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2730f70-256e-46aa-8012-31bb9e722362" label="5">
    <para> Zie artikel 6:10, eerste lid, onder a en b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c54b4fc7-b4b0-4af1-9cbf-0dfafaef22f8" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 december 2023, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2023:4566. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f7690c1-4244-438e-9cc2-0f9ad42e11e1" label="7">
    <para> Op grond van artikel 6:11 van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>