<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:5322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-01T07:48:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1314821325</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5322">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T15:16:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:5322 Rechtbank Amsterdam , 22-07-2025 / 1314821325</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5322:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, overlevering toestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5322:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-148213-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 22 juli 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 16 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_2b5dfa52-5789-4a05-b113-154336fc24a6" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 13 januari 2025 door <emphasis role="italic">The Circuit Court in Kalisz</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1989, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juli 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.N. Ramnun, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_4acbe0ef-c228-4697-aa44-4160c0f680ab" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.  	Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court </emphasis>in Kępno (Polen) van 30 augustus 2022, kenmerk: II K 623/21. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier maanden en tweeëntwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_cd8c8e7f-1e3a-4900-8515-c408b29a4789" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit onderdeel D) van het EAB en de daarin gegeven toelichting volgt dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op de drie zittingen die tot het vonnis hebben geleid, dat hij in persoon is opgeroepen voor de laatste zittingsdag en dat de door de rechtbank aangestelde advocaat op alle zittingsdagen aanwezig was.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 23 mei 2025 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) de volgende vragen voorgelegd aan de Poolse autoriteiten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“According to the EAW, three hearings took place in the case with ref. no. II K 623/21. On 21 April 2022, 5 July 2022 and 25 August 2022, [opgeëiste persoon] did not appear in person. However, his counsellor, Magdalena Kostencka-Echaust, who was appointed by the State, was present at the aforementioned hearings.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>1. <emphasis role="italic">Could you inform me whether [opgeëiste persoon] had given a mandate to Magdalena Kostencka-Echaust, who was appointed by the State, to defend him at the aforementioned hearings, and whether he was indeed defended by her at the aforementioned hearings?</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	2. If not, please answer the following questions:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a) Were the notifications to appear at the aforementioned hearings sent to the address [opgeëiste persoon] had provided himself during the pretrial proceedings?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b) Did [opgeëiste persoon] , during the pretrial proceedings, receive instructions about his rights and duties, including the duty to inform the Polish authorities about address changes and the consequences of not complying with this obligation?”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 29 mei 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“ [opgeëiste persoon] did not independently grant power of attorney to the defence counsel, as attorney Magdalena Kostencka-Echaust was appointed as court-appointed defence counsel for the wanted person, [opgeëiste persoon] , by order of the associate judge of the District Court in Kepno on April 11, 2022. The appointment of the defence counsel was made at the request of [opgeëiste persoon] . In accordance with the applicable legal provisions in Poland, the court's appointment of a defence counsel is equivalent to the granting of power of attorney. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">At the hearings held on April 21, 2022, July 5, 2022, and August 25, 2022, attorney Magdalena Kostencka-Echaust was indeed present and actively participated in the proceedings, in particular by questioning witnesses. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	I would like to add that [opgeëiste persoon] personally received the notification of the hearing </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">scheduled for August 25, 2022, which preceded the issuance of the judgment. The wanted person was also instructed about the obligation to report any change of address and the consequences of failing to fulfil this obligation.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van het EAB en de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon de door de rechtbank op zijn verzoek aangestelde advocaat heeft gemachtigd om hem ter zitting te vertegenwoordigen buiten zijn aanwezigheid. De situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW is daarom niet aan de orde. Evenmin is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, b of d OLW. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW kan worden toegepast. De vraag is vervolgens of er reden is om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Daarbij is het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Tijdens het vooronderzoek is hij als verdachte door de politie gehoord en heeft hij een adresinstructie ontvangen. De opgeëiste persoon was derhalve op de hoogte van de verdenking en van de strafrechtelijke procedure. Voorafgaand aan de eerste zittingsdag op 21 april 2022 heeft de opgeëiste persoon de rechtbank verzocht om toevoeging van een advocaat, welk verzoek op 11 april 2022 is ingewilligd. De opgeëiste persoon heeft kennelijk geen contact onderhouden met de toegewezen advocaat om zich op de hoogte te houden van het verloop van de procedure. Voor de laatste zittingsdag op 25 augustus 2022 is de oproeping op 12 juli 2022 in persoon uitgereikt aan de opgeëiste persoon, zo leidt de rechtbank af uit het EAB gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van 29 mei 2025. Ook op deze laatste zittingsdag is de opgeëiste persoon echter niet verschenen en evenmin heeft hij zich op de hoogte gesteld van de uitkomst van het proces. Op grond van de voornoemde omstandigheden, in samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel dat hij met betrekking tot de uitoefening van zijn verdedigingsrechten kennelijk onzorgvuldig is geweest. De rechtbank ziet daarin aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 juli 2025 uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Bijgesloten doen wij u de vertaling toekomen van de scheldwoorden die zich in het dossier bevinden. Er is geen vertaling gedaan van de worden </emphasis>[sic] <emphasis role="italic">die werden aangehaald door de mensen die vervolgens, overeenkomstig het recht, weigerden verklaringen af te leggen, aangezien hun vroegere verklaringen niet worden gebruikt als het bewijsmateriaal, </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Verklaring van [naam] - blad 270v - 271 </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">( ... ) Hij zei dat de ouders geen zak waard waren.( ... ) roepend tegen hen (de ouders) o.a. "jullie klootzaken". (…). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat de feiten niet dubbel strafbaar zijn. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor psychische mishandeling. Dit is naar Nederlands recht niet strafbaar. Het EAB en de aanvullende informatie bevatten onvoldoende informatie om de feiten te kwalificeren naar Nederlands recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de feiten wel dubbel strafbaar zijn. Uit het EAB blijkt dat er strafbare uitingen zijn gedaan. Uitgaande van de feitelijke omschrijving in het EAB, is er sprake van gedragingen die naar Nederlands recht gekwalificeerd kunnen worden als onder andere belediging en vernieling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat uit het EAB blijkt dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan. Uit de aanvullende informatie van 1 juli 2025 blijkt dat er (onder meer) sprake is van uitingen die naar Nederlands recht strafbaar zijn als belediging, zoals neergelegd in artikel 266 Sr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	eenvoudige belediging;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.4<footnote-ref linkend="_7064633c-8fac-41aa-8f7f-66989722c80b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.<footnote-ref linkend="_104ac91c-1597-497a-b22b-b13b256160a7" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 266 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court in Kalisz </emphasis>(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,  					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E. Biçer en D.L.S. Ceulen,                         				   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. M.J. Gauneau en M.C. Hooibrink,		               griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2b5dfa52-5789-4a05-b113-154336fc24a6" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4acbe0ef-c228-4697-aa44-4160c0f680ab" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd8c8e7f-1e3a-4900-8515-c408b29a4789" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7064633c-8fac-41aa-8f7f-66989722c80b" label="4">
    <para> Rechtbank Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en rechtbank Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_104ac91c-1597-497a-b22b-b13b256160a7" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>