<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:5015</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T15:04:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1312785425</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5015">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5015</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-23T15:37:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:5015 Rechtbank Amsterdam , 02-07-2025 / 1312785425</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5015:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Verweren t.a.v. art 12 OLW, art. 11 OLW en family life verworpen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:5015:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-127854-25 (EAB II)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 juli 2025  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 28 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_1ef3f52b-aeac-4198-a1ed-223d69c235ef" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2025 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:</para>
      <para>
        [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Fakiri, advocaat in Den Haag, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_6ccd318c-ef48-4861-b612-c3fe4f66ab1d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.  	Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. Een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Września </emphasis>van 16 augustus 2023 (referentie: II K 263/23); </para>
      <para>II. Een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Września</emphasis> van 16 augustus 2023 (referentie: II K 265/23).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden; </para>
      <para>II. een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_718a1fda-05e7-417c-a5e4-4481ca5d2bb2" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon bewust afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Voor zover de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft getekend, was hij niet op de hoogte van de inhoud daarvan. Op grond van de informatie in het EAB kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de datum en de plaats van de zittingen of van zijn recht om appel in te stellen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor beide vonnissen kan worden afgezien van de weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, een adresinstructie heeft ontvangen en de correspondentie is verstuurd naar het door hem opgegeven adres. Bovendien heeft de opgeëiste persoon schuld bekend. De opgeëiste persoon was dus in beide zaken op de hoogte van de procedure die tegen hem liep. Gelet op deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van twee vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon in beide zaken tijdens het vooronderzoek een adresinstructie heeft ontvangen waarin hij is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven. De opgeëiste persoon heeft tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor officiële correspondentie en hij heeft schuld bekend. Uit het EAB blijkt ook dat de opgeëiste persoon op het door hem opgegeven adres is opgeroepen voor beide zittingen, die plaatsvonden op 16 augustus 2023 en hebben geleid tot het vonnis met referentie II K 263/23 respectievelijk het vonnis met referentie II K 265/23. De opgeëiste persoon heeft de oproepingen niet afgehaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de officiële correspondentie, en dat hij zich - terwijl hij op de hoogte was van de verdenkingen en de strafrechtelijke procedures - onvoldoende heeft geïnformeerd over het (verdere) verloop ervan. Overlevering leidt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal door twee of meer verenigde personen; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_3b9530b5-61d1-4297-b55b-ebb3a4fe4afa" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_29a025c8-602e-49a7-9879-8b0ff68431c6" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (family life)</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft een beroep gedaan op het recht op eerbiediging van gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De opgeëiste persoon woont samen met zijn vriendin en hun in Nederland geboren kind. Hij vervult een actieve rol in de opvoeding. Overlevering van de opgeëiste persoon zou leiden tot ernstige verstoring van het gezinsleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), een toegestane beperking is van de uitoefening van het recht op <emphasis role="italic">family life</emphasis>, zoals bedoeld in artikel 7 Handvest. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, op zichzelf niet onevenredig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd.<footnote-ref linkend="_d6be1164-f907-4a20-95f3-b86795f952bf" /></para>
      <para>Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon en zijn jonge gezin, doen zulke uitzonderlijke omstandigheden zich hier niet voor. De beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven, levert daarom geen beletsel op voor overlevering.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis>, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,   				                         			    voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.E.M. James - Pater en E.M. de Bie,			   		 	       rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en M.C. Hooibrink,                             griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1ef3f52b-aeac-4198-a1ed-223d69c235ef" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ccd318c-ef48-4861-b612-c3fe4f66ab1d" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_718a1fda-05e7-417c-a5e4-4481ca5d2bb2" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b9530b5-61d1-4297-b55b-ebb3a4fe4afa" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_29a025c8-602e-49a7-9879-8b0ff68431c6" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6be1164-f907-4a20-95f3-b86795f952bf" label="6">
    <para> Zie o.a. ECLI:NL:RBAMS:2025:3245. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>