<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:4424</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-21T16:27:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 24/5739</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:4424">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:4424</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-20T09:39:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:4424 Rechtbank Amsterdam , 27-06-2025 / AMS 24/5739</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:4424:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belanghebbende, 6:13 Awb, aanzienlijke gevolgen voor het milieu, omgevingsrechtelijk besluit, Varkens in Nood, beoordeling ontvankelijkheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:4424:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 24/5739 </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2025 in de zaak tussen</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap Shell Nederland Verkoopmaatschappij B.V. (Shell)</emphasis>, uit Rotterdam, eiseres</para>
      <para>(gemachtigden: mr. R.J. Donkersloot en mr. W.M.A. Polders),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Infrastructuur en Waterstaat (de minister), verweerder </title>
    <para>(gemachtigden: mr. M.J.A. Ferdinandus en mr. E.W. Vervelde).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij neemt aan de zaak deel: <emphasis role="bold">de besloten vennootschap Fastned B.V. (Fastned)</emphasis> uit Amsterdam</para>
      <para>(gemachtigden: mr. L.P.W. Mensink en mr. I.A. Siskina).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Het beroep van Shell richt zich tegen de aan haar verleende vergunning<footnote-ref linkend="_276bf793-f0fa-49aa-a841-be00c5fa574a" /> op verzorgingsplaats [naam] naast rijksweg [nummer] in de gemeente [locatie] .<?linebreak?></para>
    <para>2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Fastned heeft ook gereageerd.</para>
    <para />
    <para>3. Ook Fastned heeft beroep ingesteld tegen deze Wbr-vergunning. Het beroep van Fastned is geregistreerd onder zaaknummer AMS 24/4564. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank heeft beide beroepen op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van Shell, de gemachtigden van de minister en de gemachtigden van Fastned, vergezeld door [de persoon] . In de zaak AMS 24/4564 wordt apart uitspraak gedaan. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van de bestreden besluiten</title>
    <para />
    <para>5. Shell beschikt over een Wbr-vergunning voor het behouden en onderhouden van het benzinestation [naam] als basisvoorziening. Op het benzinestation staan vijf tankzuilen voor fossiele brandstoffen met in totaal zeven opstelplaatsen. Na wijziging van die vergunning beschikt Shell ook over een vergunning voor het plaatsen, behouden en onderhouden van twee elektrische laadpunten als aanvullende voorziening. </para>
    <para />
    <para>6.  Fastned is vergunninghouder van een basisvoorziening op verzorgingsplaats [naam] voor een energielaadstation met een looptijd tot 6 augustus 2029. </para>
    <para />
    <para>7. Op 10 mei 2023 heeft Shell een aanvraag ingediend voor het wijzigen van haar Wbr-vergunning in verband met het plaatsen, behouden en onderhouden van vijf elektrische laadpunten en zes laadvakken met bijkomende werken als aanvullende voorziening op verzorgingsplaats [naam] . </para>
    <para />
    <para>8. De minister heeft de vergunning voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpbesluit van 18 maart 2024 heeft van 21 maart 2024 tot 2 mei 2024 ter inzage gelegen. Alleen Fastned heeft tegen het ontwerpbesluit een zienwijze ingediend. </para>
    <para />
    <para>9. Met het besluit van 8 juli 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister de Wbr-vergunning aan Shell verleend met een looptijd tot 6 augustus 2029. </para>
    <para />
    <para>10. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft de minister het besluit van 7 mei 2025 genomen (bestreden besluit 2), het besluit van 8 juli 2024 ingetrokken en opnieuw op de aanvraag van Shell beslist, omdat de zienswijze van Fastned ten onrechte niet bij de besluitvorming was betrokken. Ook in het bestreden besluit 2 heeft de minister aan Shell de Wbr-vergunning verleend met een looptijd tot 6 augustus 2029. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>11. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil kan toekomen, zal zij eerst de vraag moeten beantwoorden of Shell ontvankelijk is in haar beroep.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank is van oordeel dat Shell niet-ontvankelijk is in haar beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
    <para>13. Het bestreden besluit 1 is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Artikel 6:13 van de Awb bepaalt dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingediend door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. </para>
    <para />
    <para>14. Vaststaat dat Shell geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit.</para>
    <para />
    <para>15. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in een uitspraak van 14 april 2021 uit het zogeheten ‘Varkens in Nood’-arrest van het Hof van Justitie afgeleid dat artikel 6:13 van de Awb voor belanghebbenden bij “Aarhus-besluiten” niet in overeenstemming is het met Aarhus-verdrag. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, artikel 6:13 van de Awb niet aan belanghebbenden mag worden tegengeworpen.<footnote-ref linkend="_48fdba2b-f101-46b4-9900-ffbe35c7e333" /> Het gaat om besluiten op grond van wetten en regelingen op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening. In deze uitspraak is de Wbr niet opgenomen in de opsomming van wetten die de Afdeling in ieder geval als omgevingsrechtelijke zaak beschouwt. </para>
    <para />
    <para>16. De Afdeling heeft vervolgens in een uitspraak van 13 juli 2022<footnote-ref linkend="_8dd67976-21f6-49b4-a209-f9df87fb5065" /> geoordeeld dat een besluit op grond van een andere dan door de Afdeling genoemde wet onder omstandigheden ook een omgevingsrechtelijke zaak kan zijn. De opsomming is dus niet limitatief. Uit die uitspraak volgt dat de eisende partij dan wel aannemelijk moet maken dat het bestreden besluit aanzienlijke gevolgen voor het milieu heeft. Shell heeft evenwel niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat het bestreden besluit aanzienlijke gevolgen voor het milieu heeft. Er bestaat dan ook geen aanleiding om deze zaak te beschouwen als een omgevingsrechtelijke zaak als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021.</para>
    <para />
    <para>17. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat artikel 6:13 van de Awb aan Shell kan worden tegengeworpen, omdat Shell redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze naar voren te hebben gebracht. Shell kon dan ook geen beroep bij de bestuursrechter indienen tegen het bestreden besluit 1. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>18. Het bestreden besluit 2 is een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Ingevolge dit artikel wordt het beroep van Shell geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2, nu dat besluit niet aan het beroep van Shell tegemoet komt. </para>
    <para />
    <para>19. Uit de rechtspraak<footnote-ref linkend="_e384caba-1811-4cae-a1c0-fae56d84139c" /> van de Afdeling volgt dat de ratio van de regeling inzake het beroep van rechtswege met zich brengt dat de niet-ontvankelijkheid van het oorspronkelijke beroep niet de niet-ontvankelijkheid impliceert van het beroep van rechtswege. De ontvankelijkheid daarvan moet afzonderlijk worden beoordeeld. Een ontvankelijkheidsgebrek aan het beroep werkt slechts door voor zover het gebrek zich naar zijn aard ook tot het beroep van rechtswege uitstrekt. De rechtbank oordeelt dat daarvan in dit geval sprake is. Het verwijtbaar niet indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit is namelijk uitsluitend gerelateerd aan het inroepen van rechtsbescherming. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit 2 zal daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 zijn niet-ontvankelijk. Shell krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. M.M. Verberne en mr. D. Sullivan, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_276bf793-f0fa-49aa-a841-be00c5fa574a" label="1">
    <para> Op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_48fdba2b-f101-46b4-9900-ffbe35c7e333" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2021:786.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8dd67976-21f6-49b4-a209-f9df87fb5065" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2021:1981.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e384caba-1811-4cae-a1c0-fae56d84139c" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3852.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>