<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:4371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-17T13:59:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/7346</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:4371">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:4371</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-16T14:42:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:4371 Rechtbank Amsterdam , 22-01-2025 / 23/7346</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:4371:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. Herziening en terugvordering Anw-uitkering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:4371:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 23/7346 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] (Duitsland), eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, SVB </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de Anw-uitkering<footnote-ref linkend="_6dd807a6-ca96-4e94-ba19-b8d212860606" /> van eiser in de maanden maart en april 2023. Als gevolg van de herziening moet eiser € 1.636,72 aan de SVB terugbetalen. Eiser is het hier niet mee eens en heeft in zijn beroepschrift aangegeven waarom. Aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank is van oordeel dat de SVB de Anw-uitkering van eiser terecht heeft herzien en dat de SVB de onverschuldigd betaalde uitkering terecht heeft teruggevorderd. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>3. Met het besluit van 11 augustus 2023 heeft de SVB de Anw-uitkering van eiser in de maanden maart en april 2023 herzien omdat eiser gedurende deze periode vroegpensioen ontving en de SVB dit op de Anw-uitkering in mindering moet brengen. Hierdoor moet eiser € 1.636,72 aan de SVB terugbetalen. Met het bestreden besluit van 10 november 2023 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de herziening en terugvordering gebleven. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank heeft het beroep op 13 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de SVB. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Mocht de SVB de Anw-uitkering van eiser in de maanden maart en april 2023 herzien?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser betoogt dat de herziening onredelijk is omdat het PMT<footnote-ref linkend="_e444dded-14c2-4426-80a5-cfcb07a9d19b" /> het bedrag aan vroegpensioen over twee maanden (namelijk maart en april 2023) verdeeld heeft uitgekeerd in plaats van verdeeld over vijf of zes maanden. Het PMT heeft eiser hierover geïnformeerd, maar deze informatie heeft eiser te laat bereikt door ICT-problemen bij het PMT. Eiser stelt dat de betaling in twee maanden ertoe heeft geleid dat zijn Anw-uitkering is herzien als gevolg waarvan hij het te veel ontvangen deel moet terugbetalen. Terwijl hij, als de betaling verspreid over vijf of zes maanden had plaatsgevonden, niets had hoeven terugbetalen. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee bedoelt dat er sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat en dat de SVB het inkomen op een andere manier had moeten berekenen.<footnote-ref linkend="_d5d01bbd-7240-478a-845a-dc6741353a2c" /></para>
    <para />
    <para>7. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De SVB is verplicht om inkomen per maand op de Anw-uitkering in mindering te brengen.<footnote-ref linkend="_9cc6093f-9021-4854-8053-5c91b109bd26" /> Onder ‘inkomen’ wordt – onder meer – vroegpensioen verstaan.<footnote-ref linkend="_cbf7fd6d-738b-40f1-90b5-fe10df6b7c9c" /> Daarom moet de SVB het door eiser in maart en april 2023 ontvangen vroegpensioen op zijn Anw-uitkering in mindering brengen. Dit is slechts anders als dit zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.<footnote-ref linkend="_777c54a9-c129-49a7-bac2-7f309f1f9ceb" /> Volgens vaste rechtspraak van de CRvB<footnote-ref linkend="_cdcc7ea6-5e73-425b-8efd-cb9434362c8c" /> moet het begrip ‘kennelijk onredelijk resultaat’ restrictief worden uitgelegd. Het moet gaan om een situatie waarin het direct duidelijk is dat de gevolgde berekeningswijze leidt tot een resultaat dat, mede gelet op de doelstelling van de wet, niet beoogd en onredelijk is.<footnote-ref linkend="_10d3fc13-3784-48c7-8aff-2e8a42ceb090" /> Niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat kan als kennelijk onredelijk  worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_9a238324-d4e2-4419-9b84-30014dd5d90e" /> Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een kennelijk onredelijk resultaat. Zoals de SVB ter zitting gemotiveerd heeft toegelicht heeft eiser zijn vroegpensioen zelf per 1 maart 2023 aangevraagd. Uit navraag bij het PMT blijkt dat eiser zelf de datum 1 maart 2023 in zijn aanvraag heeft vermeld. Het PMT heeft vervolgens in maart en april 2023 uitgekeerd. Het vroegpensioen was voor dit tijdvak bestemd. De stelling van eiser dat zijn Anw-uitkering niet was herzien als zijn vroegpensioen verdeeld over vijf of zes maanden was uitbetaald is – los van de vraag of deze stelling juist is – niet relevant, omdat eiser het vroegpensioen zelf per 1 maart 2023 heeft aangevraagd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Had de SVB vanwege dringende redenen van terugvordering moeten afzien? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Eiser stelt dat hij als gevolg van de terugvordering in de schulden komt.</para>
    <para />
    <para>9. De beroepsgrond slaagt niet. Als er te veel Anw is uitgekeerd, dan moet de SVB het te veel uitgekeerde terugvorderen.<footnote-ref linkend="_0cbd2149-b59b-46c3-bab8-cff5a34e5004" /> De SVB kan besluiten gedeeltelijk of geheel van terugvordering af te zien als er daarvoor dringende redenen zijn.<footnote-ref linkend="_3d6672e6-5ef3-4371-a78d-fa091de28e12" /> Bij de beoordeling of er sprake is van dringende redenen moet rekening worden gehouden met zowel de oorzaak als de gevolgen van de terugvordering.<footnote-ref linkend="_56c281e6-8316-44ad-940c-a83c569e0bb2" /></para>
    <para />
    <para>10. In dit geval heeft de SVB geen reden hoeven zien om (gedeeltelijk) van de terugvordering af te zien. Eiser heeft zijn stelling namelijk niet onderbouwd waardoor niet aannemelijk is geworden dat de terugvordering ernstige financiële gevolgen voor hem heeft. Daarbij is op zitting ter sprake gekomen dat de SVB eiser naar zijn financiële omstandigheden heeft gevraagd. Eiser heeft daarop niet gereageerd. Hierdoor is ook op zitting niet gebleken van ernstige financiële gevolgen voor eiser. Overigens loopt er een bezwaarprocedure tegen de vaststelling van zijn aflossingscapaciteit, zodat eiser in die procedure alsnog met gegevens zijn financiële situatie kan onderbouwen.  </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Wel ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het griffierecht van eiser moet vergoeden. Eiser heeft zowel in bezwaar als in beroep aangegeven dat zijn vroegpensioen ten onrechte te laat is uitgekeerd en dat als dit tijdig was gebeurd, zijn Anw-uitkering niet was herzien. De SVB heeft hier in de beslissing op bezwaar en het verweerschrift onvoldoende op gereageerd. Pas na het verweerschrift heeft de SVB onderzoek gedaan naar de stelling van eiser en pas op de zitting heeft de SVB op dit punt gereageerd. Het is dan ook begrijpelijk dat eiser in beroep is gegaan. De SVB moet daarom het griffierecht vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para> bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.A. Olsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6dd807a6-ca96-4e94-ba19-b8d212860606" label="1">
    <para> Een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e444dded-14c2-4426-80a5-cfcb07a9d19b" label="2">
    <para> Pensioenfonds Metaal en Techniek. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5d01bbd-7240-478a-845a-dc6741353a2c" label="3">
    <para> Artikel 4:1, elfde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cc6093f-9021-4854-8053-5c91b109bd26" label="4">
    <para> Artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, AIB. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbf7fd6d-738b-40f1-90b5-fe10df6b7c9c" label="5">
    <para> Artikel 2:4, eerste lid, aanhef en onder m, AIB. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_777c54a9-c129-49a7-bac2-7f309f1f9ceb" label="6">
    <para> Artikel 4:1, elfde lid, AIB. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cdcc7ea6-5e73-425b-8efd-cb9434362c8c" label="7">
    <para> Centrale Raad van Beroep.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10d3fc13-3784-48c7-8aff-2e8a42ceb090" label="8">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4012.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a238324-d4e2-4419-9b84-30014dd5d90e" label="9">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:992.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cbd2149-b59b-46c3-bab8-cff5a34e5004" label="10">
    <para> Artikel 53, eerste lid, Anw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d6672e6-5ef3-4371-a78d-fa091de28e12" label="11">
    <para> Artikel 53, vijfde lid, Anw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_56c281e6-8316-44ad-940c-a83c569e0bb2" label="12">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2254. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>