<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:4264</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-14T10:13:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/000719-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:4264">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:4264</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-10T17:47:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:4264 Rechtbank Amsterdam , 19-06-2025 / 13/000719-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:4264:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen; verweren m.b.t. artikel 12 OLW en artikel 11 OLW (artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU) verworpen; overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:4264:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/000719-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 19 juni 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 28 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_faf20194-f8e4-4420-8040-7c0c8c9fcef8" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2023 door de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy w Bielsku-Białej (Regional Court in Bielsko-Biała), </emphasis>Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1971, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juni 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Z. Boufadiss, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_7ef622f1-85b8-4acd-b4c7-4a7feed53018" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een:</para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="italic">judgement of Sąd Rejownowy [District Court] in Bielsko-Biała of 2nd June</emphasis> 2021 (III K 167/19);<?linebreak?>- <emphasis role="italic">cumulative judgement of Regional Court in Bielsko-Biała of 6th November 2018</emphasis> (III K 32/18).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en vijf maanden (III K 167/19) en zeven jaar en twee maanden (III K 32/18), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf met nummer III K 167/19 moet nog geheel worden uitgezeten en van de straf met nummer III K 32/18 resteren volgens het EAB nog twee jaar, tien maanden en 26 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB blijkt voorts dat van beide vonnissen hoger beroep is ingesteld. Dit heeft geleid tot respectievelijk een <emphasis role="italic">judgement of the Regional Court in Bielsko-Biała </emphasis>van 11 februari 2022 (VII Ka 724/21) en een <emphasis role="italic">judgement of the Court of Appeals in Katowice</emphasis> van 9 mei 2019 (II AKa 28/19).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het <emphasis role="italic">cumulative judgement of Regional Court in Bielsko-Biała </emphasis>van 6 november 2018 (III K 32/18) betreft een verzamelvonnis met als onderliggende vonnissen:</para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="italic">judgement of the District Court of Bielsko-Biała </emphasis>van 29 juni 2017 (III K 222/17)<?linebreak?></para>
    <para>- <emphasis role="italic">cumulative judgement of the Regional Court in Bielsko-Biała </emphasis>van 8 oktober 2015 (III K 104/15) met als onderliggende vonnissen:</para>
    <parablock>
      <para>* <emphasis role="italic">judgement of the Regional Court in Bielsko-Biała </emphasis>van 30 augustus 2011 (III K 50/09), in hoger beroep: <emphasis role="italic">judgement of the Court of Appeals of Katowice</emphasis> van 1 augustus 2012 (II Aka 158/12)<?linebreak?> * <emphasis role="italic">judgement of the District Court of Bielsko-Biała </emphasis>van 26 april 2013 (III K 63/10), hoger beroep: <emphasis role="italic">judgement of the Court of Katowice </emphasis>van 30 januari 2014 (II Aka 401/13)</para>
      <para> * <emphasis role="italic">judgement of the Regional Court in Katowice</emphasis> van 4 februari 2013 (V K 202/11), in hoger beroep: <emphasis role="italic">judgement of the Court of Appeals in Katowice </emphasis>van 10 oktober 2013 (II Aka 271/13).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen het <emphasis role="italic">cumulative judgement of Regional Court in Bielsko-Biała </emphasis>van 8 oktober 2015 is eveneens hoger beroep ingesteld. Dit heeft geleid tot een <emphasis role="italic">judgement of the Court of Appeals in Katowice</emphasis> van 14 januari 2016 (II AKa 504/15).</para>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_3647f719-6d79-4aed-95e3-4461ef686422" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. </para>
        <para>Bij de procedure in hoger beroep met nummer VII Ka 724/21 was de opgeëiste persoon niet aanwezig. Hij is niet correct opgeroepen voor de behandeling in hoger beroep.  </para>
        <para>De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de zitting. De opgeëiste persoon heeft geen advocaat gemachtigd voor het hoger beroep. Subsidiair moeten over deze procedure aanvullende vragen aan de Poolse autoriteiten worden gesteld.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de procedures in hoger beroep met nummer II AKa 28/19 en AKa 504/15 is de opgeëiste persoon niet aangevoerd, ondanks zijn verzoek hiertoe en is hij niet vertegenwoordigd door een advocaat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de procedures in hoger beroep met nummers II AKa 158/12 en III 222/17 blijkt niet dat de arresten aan de opgeëiste persoon zijn betekend en in de laatstgenoemde zaak was hij ook niet bij de uitspraak aanwezig.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW geen beletsel vormt voor de overlevering, omdat kan worden afgezien van de toepassing van de weigeringsgrond, dan wel de weigeringsgrond niet aan de orde is omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Uitgangspunt</emphasis>
        </para>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_312ec51b-6921-4ec4-9e87-73a6cd3d2ad9" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Arrest met nummer VII Ka 724/21 (hoger beroep van het vonnis met nummer III K 167/19)</emphasis>
        </para>
        <para>Uit het EAB volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden en dat <emphasis role="italic">the Regional Court in Bielsko-Biała</emphasis> als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld en hier geen gewoon rechtsmiddel tegen openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding volgt dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces en een gemachtigd advocaat had die namens hem hoger beroep heeft ingesteld en hem daadwerkelijk heeft verdedigd tijdens het proces in hoger beroep. De enkele betwisting van de opgeëiste persoon op zitting is onvoldoende om niet van deze informatie uit te gaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Samenvoegingsarrest met nummer II AKa 28/19 (hoger beroep van het vonnis met nummer III K 32/18)</emphasis>
        </para>
        <para>Uit het EAB volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden en dat <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld en hier geen gewoon rechtsmiddel tegen openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon zat gedetineerd ten tijde van het proces in hoger beroep. Hij heeft verzocht om te worden aangevoerd, maar dit verzoek is door <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>afgewezen. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 12 mei 2025 volgt dat <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>bij een dergelijk verzoek toetst of de afwezigheid van de verdachte in strijd is met zijn verdedigingsrechten. Het verzoek om te worden aangevoerd is afgewezen, omdat de opgeëiste persoon niet zelf het verzoek had gedaan maar zijn advocaat dit had gedaan. Hij was echter wel op de hoogte gesteld van zijn recht om een verzoek te doen om te worden aangevoerd. Daarnaast was het verzoek afgewezen, omdat volgens <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>zijn aanwezigheid niet noodzakelijk was. Een dergelijk verzoek wordt namelijk afgewezen wanneer er enkel strikt wettelijke kwesties tijdens de zitting worden behandeld. De aanwezigheid van de advocaat was in dit geval voldoende volgens <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>en die advocaat was ook daadwerkelijk aanwezig bij de zitting in hoger beroep en heeft de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk verdedigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat overlevering niet leidt tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggend vonnis met nummer III K 222/17</emphasis>
        </para>
        <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat de opgeëiste persoon niet bij de uitspraak aanwezig was, is niet van belang. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is voor dit vonnis niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggend samenvoegingsarrest met nummer AKa 504/15 (hoger beroep van het vonnis met nummer III K 104/15)</emphasis>
        </para>
        <para>Uit aanvullende informatie van 12 mei 2025 volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden en dat <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld en hier geen gewoon rechtsmiddel tegen openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon zat gedetineerd ten tijde van het proces in hoger beroep. Hij heeft verzocht om te worden aangevoerd, maar dit verzoek is door <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>afgewezen. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 30 mei 2025 volgt dat <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>bij een dergelijk verzoek toetst of de afwezigheid van de verdachte in strijd is met zijn verdedigingsrechten. Het verzoek van de opgeëiste persoon is afgewezen, omdat volgens <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>zijn aanwezigheid niet noodzakelijk was. Een dergelijk verzoek wordt afgewezen wanneer er enkel strikt wettelijke kwesties tijdens de zitting worden behandeld. De inhoud van het appel en het verzoek om naar zitting te worden gebracht gaven geen aanleiding om de opgeëiste persoon te laten aanvoeren. De aanwezigheid van de advocaat was in dit geval voldoende volgens <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>en die advocaat was ook daadwerkelijk aanwezig bij de zitting in hoger beroep en heeft de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk verdedigd. Daarbij komt dat het hoger beroep door de advocaat van de opgeëiste persoon was ingesteld. Deze specifieke advocaat is op verzoek van de opgeëiste persoon opgeëiste persoon toegevoegd voor de gehele procedure, dus ook voor het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat overlevering niet leidt tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggend arrest met nummer II AKa 158/12 (hoger beroep van vonnis met nummer III K 50/09) </emphasis>
        </para>
        <para>Uit het EAB volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden en dat <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld en hier geen gewoon rechtsmiddel tegen openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat het arrest niet aan de opgeëiste persoon is betekend, doet daar niet aan af. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is ten aanzien van dit arrest niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggend vonnis met nummer III K 63/10 </emphasis>
        </para>
        <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OW is ten aanzien van dit vonnis niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggend arrest met nummer II AKa 271/13 (hoger beroep van het vonnis met nummer V K 202/11) </emphasis>
        </para>
        <para>Uit het EAB volgt dat er een proces in hoger beroep heeft plaatsgevonden en dat <emphasis role="italic">the Court of Appeals in Katowice </emphasis>als laatste instantie de zaak ten gronde heeft behandeld en hier geen gewoon rechtsmiddel tegen openstaat. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is ten aanzien van dit arrest niet van toepassing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat artikel 12 OLW niet in de weg staat aan overlevering van de opgeëiste persoon.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1) deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">10) vervalsing met inbegrip van namaak van de euro</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">14) moord en doodslag, zware mishandeling;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">20) oplichting</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">23) vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">5. 	Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU    </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_3e8e11d2-f61d-4429-b8ab-53feef6d0c35" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in Polen een langlopend conflict heeft met een officier van justitie, die nog steeds werkzaam is bij het Poolse openbaar ministerie en zodoende beslissingen kan nemen over de detentie van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon vreest dat hij geen eerlijke behandeling zal krijgen in Polen gedurende zijn detentie, omdat deze officier van justitie meermaals heeft aangegeven alles in het werk te stellen om te voorkomen dat de opgeëiste persoon ooit nog vrij zal komen. De overlevering is daarom niet toelaatbaar. Subsidiair dienen er vragen te worden gesteld over deze Poolse officier van justitie, en garanties worden gevraagd dat deze persoon geen beslissingen kan nemen over de detentie van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat zij niet over concrete en objectieve informatie beschikt waaruit volgt dat de Poolse officier van justitie het op de opgeëiste persoon heeft gemunt. De rechtbank ziet dat een officier van justitie zich als benadeelde partij bij één van de processen heeft gevoegd. Echter, niet is gebleken dat dit gegeven doorwerking heeft gehad in zijn proces voor zover dit ziet op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Het verweer bevat ook geen elementen die <emphasis role="italic">doen vermoeden</emphasis> dat sprake is geweest van doorwerking van het algemene gevaar  in het proces van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het betoog van de raadsvrouw ziet op een algemeen gevaar vanwege de detentieomstandigheden in Polen, wijst de rechtbank erop dat zij geen algemeen reëel gevaar heeft aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf in Polen uitzitten onmenselijk of vernederend worden behandeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – de hiervoor benoemde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.<footnote-ref linkend="_e6be9433-c670-4a12-90dc-e8515457d823" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 420bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy w Bielsku-Białej (Regional Court in Bielsko-Biała), </emphasis>Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  			                         				voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E.M. de Bie,                         				rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,		                         	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_faf20194-f8e4-4420-8040-7c0c8c9fcef8" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ef622f1-85b8-4acd-b4c7-4a7feed53018" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3647f719-6d79-4aed-95e3-4461ef686422" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_312ec51b-6921-4ec4-9e87-73a6cd3d2ad9" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e8e11d2-f61d-4429-b8ab-53feef6d0c35" label="5">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6be9433-c670-4a12-90dc-e8515457d823" label="6">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>