<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:3773</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-09T09:49:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 24/1967</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3773">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3773</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-09T08:54:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:3773 Rechtbank Amsterdam , 06-06-2025 / AMS 24/1967</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3773:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. Verweerder mocht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren op basis van het ontbreken van gronden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3773:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AMS 24/1967 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. du Bois),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Met het primaire besluit van 1 juli 2022 heeft verweerder de parkeervergunning voor bewoners van eiser met ingang van 1 april 2023 ingetrokken omdat uit controle is gebleken dat eiser niet meer aan de voorwaarden voldoet. Uit de bij verweerder beschikbare informatie blijkt namelijk dat eiser op zijn adres heeft kunnen beschikken over een eigen parkeergelegenheid. Met het bestreden besluit van 26 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Met het primaire besluit van 1 juli 2022 heeft verweerder de parkeervergunning van eiser ingetrokken. Eiser heeft op 28 februari 2023 tegen het primaire besluit een pro-forma bezwaarschrift ingediend dat door verweerder op 2 maart 2023 is ontvangen. Het pro-forma bezwaarschrift bevat geen gronden van het bezwaar. Met de brief van 2 maart 2023 heeft verweerder op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eiser de gelegenheid geboden het verzuim te herstellen binnen een termijn van twee weken. Bij e-mail van 27 maart 2023 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om een nadere termijn van 14 dagen na 30 maart 2023 voor het indienen van de gronden. Verweerder heeft bij e-mail van 27 maart 2023 aan de gemachtigde medegedeeld dat de gevraagde termijn voor het indienen van de gronden akkoord is. Verweerder heeft binnen deze termijn geen gronden van bezwaar ontvangen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 26 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en omdat er geen gronden van het bezwaar zijn ingediend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mocht verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Eiser stelt dat zijn gemachtigde op 17 april 2023 de gronden van bezwaar per aangetekende post heeft verstuurd. Eiser heeft hierbij een verzendbewijs overgelegd waaruit blijkt dat de brief op deze datum is afgeleverd bij PostNL. De gronden zijn weliswaar buiten de afgesproken termijn, die op 14 april 2023 afliep, ter post bezorgd, maar volgens eiser blijkt uit artikel 6:9 van de Awb dat de gronden van bezwaar tijdig zijn ingediend als deze niet later dan een week na afloop van de termijn ter post zijn bezorgd. Dat is hier het geval. De gronden van bezwaar konden niet eerder dan op 17 april 2023 worden verstuurd omdat de vader van eiser net was overleden en eiser hierdoor moeilijk bereikbaar was voor zijn gemachtigde en omdat de gemachtigde van eiser op dat moment net van kantoor was gewisseld. </para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn lezing van artikel 6:9 van de Awb en is van oordeel dat de gronden van bezwaar niet tijdig zijn ingediend. Uit artikel 6:9 van de Awb blijkt namelijk dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn door verweerder is ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft de gronden van bezwaar op <?linebreak?>17 april 2023 verstuurd terwijl de termijn daarvoor liep tot 14 april 2023. De gronden van bezwaar zijn dus niet voor het einde van de termijn ter post bezorgd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren. Bovendien had eiser, vanwege de door hem gestelde omstandigheden, summier gronden kunnen indienen om de termijn te redden en deze gronden vervolgens later kunnen aanvullen.</para>
      <para />
      <para>6. In het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ook niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zijn bezwaar buiten de termijn heeft ingediend. Eiser heeft op 28 februari 2023 het pro-forma bezwaar verstuurd dat op 2 maart 2023 door verweerder is ontvangen. Dit is niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na de bekendmaking van het primaire besluit op 1 juli 2022. Tussen partijen is in geschil of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is of niet. Hoewel eiser ter zitting heeft aangeboden om zijn standpunt hieromtrent nader te onderbouwen, ziet de rechtbank geen reden om eiser hiertoe in de gelegenheid te stellen. Gelet op het voorgaande oordeel van de rechtbank dat verweerder het bezwaar op basis van het ontbreken van gronden niet-ontvankelijk mocht verklaren, is de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet meer relevant. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>