<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:3771</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-30T13:39:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/737245 HA ZA 23 691 en C/13/746815 / HA ZA 24 170</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3771">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3771</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-23T17:06:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:3771 Rechtbank Amsterdam , 04-06-2025 / C/13/737245 HA ZA 23 691 en C/13/746815 / HA ZA 24 170</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3771:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bedrijfsschadeverzekering. Brand van een zwembad. Geschil over de dekking. Eindvonnis. Verzekeraar en Assurantietussenpersoon moeten beiden een deel van de schade betalen. Verzekeraar omdat een subsidie van de gemeente niet in aftrek genomen mag worden bij de vaststelling van de bedrijfsschade. Assurantietussenpersoon omdat die beroepsfout maakte doordat verzekerd is op basis voor getaxeerde bedragen exclusief btw terwijl zwembad geen btw in vooraftrek meer mocht nemen. Geen vrijwaring op voormalige Assurantietussenpersoon.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3771:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Amsterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 4 juni 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de hoofdzaak met zaaknummer C/13/737245 / HA ZA 23-691 van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING DE BOETZELAER</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Monster, gemeente Westland,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>hierna te noemen: De Boetzelaer, </para>
      <para>advocaat: mr. E.J. Eijsberg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., </title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Apeldoorn,</para>
      <para>hierna te noemen: Achmea, </para>
      <para>advocaat: mr. A.P.E. de Ruiter,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">SPORTFONDSEN NEDERLAND B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>hierna te noemen: SFN, </para>
      <para>advocaat: mr. M. Wisse, <?linebreak?>3. <emphasis role="bold">ALPINA B.V., </emphasis></para>
      <para>rechtsopvolger onder algemene titel van SUCSEZ B.V., </para>
      <para>gevestigd te Doetinchem,</para>
      <para>hierna te noemen: Sucsez, </para>
      <para>advocaat: mr. W.A.M. Rupert,<?linebreak?>4. <emphasis role="bold">LOVÉBA GROEP B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>hierna te noemen: Lovéba,</para>
      <para>advocaat: mr. P.M. Leerink,</para>
      <para>gedaagden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/13/746815 HA ZA 24-170 van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">LOVÉBA GROEP B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Utrecht, </para>
      <para>eiseres in conventie, </para>
      <para>verweerster in reconventie, </para>
      <para>advocaat: mr. P.M. Leerink,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>SPORTFONDSEN NEDERLAND B.V. </title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>gedaagde in conventie, </para>
      <para>eiseres in reconventie, </para>
      <para>advocaat: mr. M. Wisse,</para>
    </parablock>
    <para>2. <emphasis role="bold">SPORTFONDSEN GROEP B.V.</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Amsterdam, </para>
      <para>hierna te noemen: SFG, </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Wisse,</para>
    </parablock>
    <para>3. <emphasis role="bold">ALPINA B.V., </emphasis></para>
    <parablock>
      <para>rechtsopvolger onder algemene titel van SUCSEZ B.V., </para>
      <para>gevestigd te Doetinchem,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat: mr. W.A.M. Rupert. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedures in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het (verdere) verloop van de procedures blijkt uit:</para>
      <para />
      <para>- het vonnis van 28 augustus 2024 (hierna: tussenvonnis),</para>
      <para>en in de hoofdzaak:</para>
      <para>- de akte na tussenvonnis van De Boetzelaer van 25 september 2024, met een productie,</para>
      <para>- de akte na tussenvonnis van Lovéba van 6 november 2024, met producties,</para>
      <para>- de akte van De Boetzelaer van 4 december 2024, met een productie,</para>
      <para>- de tweede mondelinge behandeling van 11 februari 2025 met De Boetzelaer en Lovéba, waarbij beiden aanvullende producties hebben ingebracht en spreekaantekeningen hebben voorgedragen die samen met de aantekeningen van de griffier aan het procesdossier zijn toegevoegd, </para>
      <para>- de akte van De Boetzelaer van 11 februari 2025,</para>
      <para>- de akte uitlaten van Achmea van 26 februari 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is, na aanhouding waarbij partijen de mogelijkheid van een regeling nader hebben onderzocht, vonnis bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling in de hoofdzaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is op een aantal onderdelen overwogen hoe zal worden beslist. Over de schade is nog nader debat gevoerd door De Boetzelaer en Lovéba, eerst in de nadere aktes en vervolgens bij de tweede mondelinge behandelding. Inzake btw over bijkomende kosten had de rechtbank behoefte aan een nadere toelichting van Achmea en De Boetzelaer. Die heeft zij van beiden ontvangen per nadere akte. Dit punt komt hierna als eerste aan bod, daarna de schade. Overigens bevestigt de rechtbank dat de nummering in het tussenvonnis verkeerd is gelopen: de laatste drie rechtsoverwegingen van hoofdstuk vijf moeten worden gelezen als 5.44, 5.45 en 5.46 in plaats van opnieuw 5.41, 5.42 en 5.43. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">btw over bijkomende kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In rov 5.18 van het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat “… Achmea niet is gehouden van verzekerde bedragen inclusief btw uit te gaan.” Dit heeft tot nadere discussie geleid of dit ziet op <emphasis role="italic">alle</emphasis> bedragen die Achmea onder de polis moet vergoeden (standpunt Achmea) of dat dit alleen ziet op de <emphasis role="italic">voorgetaxeerde</emphasis> bedragen voor gebouwen, inventaris en goederen (standpunt De Boetzelaer).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat rov 5.18 alleen ziet op de <emphasis role="italic">voorgetaxeerde</emphasis> bedragen voor gebouwen, inventaris en goederen, waarin is voorzien in de polis (zie artikel 7 – voortaxatie). Dit volgt ook uit rov 5.13 van het tussenvonnis. Deze verzekerde bedragen zijn expliciet exclusief btw opgenomen op het polisblad. Dat is anders voor de andere categorieën, waaronder bijkomende kosten (artikel 4 van de polis). Uit de polis blijkt niet dat het bij deze categorie om verzekerde (schade)bedragen zonder btw gaat. Een redelijke uitleg van de polis is veeleer dat De Boetzelaer bij deze categorieën recht heeft op de daadwerkelijk geleden schade, mits aan de overige voorwaarden is voldaan. Nu vast staat dat De Boetzelaer na 1 januari 2019 niet alle btw kan verrekenen en in de akte van taxatie (productie 16 De Boetzelaer) is opgenomen dat de niet verrekenbare btw € 32.272 bedraagt voor wat betreft de gemaakte c.q. nog te maken kosten, zal Achmea worden veroordeeld ook dit bedrag aan De Boetzelaer te vergoeden. Waar Achmea nog heeft aangevoerd dat De Boetzelaer BOSA subsidie kon aanvragen voor de verandering in de btw aftrek, volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen dat een koppeling tussen de BOSA en de btw over deze bijkomende kosten ontbreekt. Anders gezegd: dat De Boetzelaer BOSA subsidie heeft gekregen betekent niet dat zij geen recht heeft op de niet verrekenbare btw over de bijkomende kosten. Die btw is en blijft een kostenpost voor De Boetzelaer en daarmee schade die Achmea onder de polis moet vergoeden. Dit komt ook niet strijd met het indemniteitsbeginsel. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">btw-kwestie (niet zijnde bijkomende kosten)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is overwogen dat (i) Lovéba aansprakelijk is jegens De Boetzelaer voor de schade die De Boetzelaer heeft geleden omdat de polis uitgaat van bedragen exclusief btw, (ii) causaal verband bestaat tussen de beroepsfout van Lovéba en de schade en (iii) geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van De Boetzelaer (rov 5.28 – 5.30). Dat blijft ook in dit eindvonnis het uitgangspunt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Over de schade ten aanzien van de btw-kwestie is in het tussenvonnis (rov 5.31 ev), samengevat, het volgende opgenomen. De Boetzelaer vordert € 1.562.673 als schade, gebaseerd op de akte van taxatie (productie 16 De Boetzelaer). Daarin is de materiële schade exclusief btw vastgesteld op € 8.764.780. Volgens De Boetzelaer is de btw over dit bedrag € 1.562.673, na aftrek van 15,1%. Voor dit percentage was wel vooraftrek mogelijk op basis van nadien gemaakte afspraken met de Belastingdienst. Dit bedrag is niet verrekenbaar en dus schade, aldus De Boetzelaer en haar expert, HBS. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Omdat de overgelegde rapportage van HBS ook een alternatieve berekening bevat en Lovéba pas kort voor de eerste mondelinge behandeling nadere stukken ontving waar zij toen nog onvoldoende op had kunnen reageren, heeft nader debat plaatsgevonden. Daarbij heeft de rechtbank, om het schadedebat efficiënt te laten verlopen, enkele uitgangspunten geformuleerd in het tussenvonnis. Voor de leesbaarheid herhaalt zij de belangrijkste daarvan hieronder: </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.38</nr>
      <para>Bij de schadevaststelling gaat het om een vergelijking van de werkelijke situatie met de hypothetische situatie waarin De Boetzelaer zou hebben verkeerd als Lovéba niet tekort zou zijn geschoten en dus de verzekerde bedragen in de polis inclusief btw zouden zijn geweest (hierna: de beroepsfout).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.39</nr>
      <para>De Boetzelaer wordt voorshands gevolgd in het standpunt dat zonder beroepsfout het schadebedrag onder de polis tenminste € 1.562.673 hoger zou zijn vastgesteld. Dat volgt uit de akte van taxatie, het btw tarief van 21% en de vooraftrek van 15,1%.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.41</nr>
      <para>Tussen partijen staat vast dat de BOSA mede is bedoeld om de gevolgen van de wetswijziging te compenseren voor partijen, zoals De Boetzelaer, die niet langer effectief gebruik kunnen maken van volledige vooraftrek btw. Dit betekent dat de positieve effecten van de BOSA moeten worden meegenomen bij het vaststellen van de schade en dat moet worden onderzocht welke BOSA uitkeringen er waren geweest in de hypothetische situatie zonder beroepsfout. Het standpunt van Lovéba dat de toegekende BOSA subsidie in werkelijkheid € 2.401.601 bedraagt, wat meer is dan de gevorderde schade, en dat dus geen schade is geleden, wordt niet gevolgd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voordeelstoerekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.44.</nr>
      <parablock>
        <para>Onderdeel van de hypothese zonder beroepsfout is tot slot dat de verzekerde bedragen in de polis inclusief btw zijn. Dat betekent dat De Boetzelaer daarvoor ook premie zou hebben betaald. Dit is nog niet in de berekening verwerkt. De Boetzelaer </para>
        <para>wordt verzocht dit alsnog te doen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Tijdens de tweede mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat De Boetzelaer en Lovéba het (inmiddels) eens zijn over één element van de hypothetische situatie zonder beroepsfout van Lovéba: dan zouden de voorgetaxeerde bedragen in de polis 21% hoger zijn geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Kern van het verweer van Lovéba is vervolgens dat Achmea die 21% niet zou hebben uitgekeerd omdat de BOSA subsidie daarvoor in de plaats is gekomen. Aldus is geen sprake meer van schade. Dit verweer geldt (ook) ten aanzien de schadeomvang als gevolg van de beroepsfout van Lovéba: de BOSA subsidie komt in de plaats van de btw en dus heeft De Boetzelaer geen schade geleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De rechtbank verwerpt dit verweer. Hieronder legt zij uit waarom. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de BOSA sinds 2019 amateursportorganisaties de mogelijkheid geeft subsidie aan te vragen voor bouw- en onderhoudskosten van sportaccommodaties en de aanschaf van sportmaterialen. BOSA staat voor stimuleringsregeling Bouw en Onderhoud Sportaccommodaties. Onder de BOSA kan subsidie worden verkregen voor, samengevat, 20% van de investering in de bouw en/of onderhoud van een sportaccommodatie en/of aanschaf van sportmaterialen, met een extra (aflopend) percentage van 15% bij activiteiten gericht op energiebesparing, toegankelijkheid, circulariteit en klimaatadaptatie. De BOSA is in het leven geroepen om het gevolg van een wijziging in btw-regime voor amateursportorganisaties per 1 januari 2019 op te vangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>De wijze waarop de BOSA werkt (een percentage van de investering) heeft echter tot gevolg dat er geen koppeling geldt tussen het bedrag aan btw dat niet langer in vooraftrek mag worden genomen en het bedrag aan te ontvangen BOSA subsidie. Dat wordt door de fiscaal expert die Lovéba heeft ingeschakeld ook (impliciet) erkend, zie producties 23 (pag. 7) en 27 (pag. 3) van Lovéba. Anders gezegd: om voor een BOSA subsidie in aanmerking te komen is niet vereist dat er een concreet bedrag is waarvoor anders dan voorheen niet langer btw in vooraftrek kan worden genomen en dat dit bedrag niet anderszins wordt vergoed (bijvoorbeeld door een verzekeraar). Een essentieel vereiste bij de BOSA is dat de aanvrager geen btw in vooraftrek kan nemen, een element waar Lovéba nadrukkelijk op heeft gewezen. Niet in geschil is dat De Boetzelaer aan die voorwaarde voldoet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Dit betekent dat De Boetzelaer, ook in de hypothetische situatie zonder beroepsfout, BOSA subsidie zou hebben kunnen aanvragen. Dat zij in die hypothetische situatie een hogere vergoeding van Achmea zou hebben ontvangen staat daaraan niet in de weg. Omdat de omvang van de BOSA subsidie is gerelateerd aan de investering, ontbreekt een verband met de vergoeding van Achmea onder de polis. De Boetzelaer heeft gesteld dat zij in de hypothetische situatie zonder beroepsfout een zelfde nieuw zwembad zou hebben laten bouwen en eenzelfde BOSA subsidie zou hebben aangevraagd en verkregen als in de huidige situatie. Die werd immers aangevraagd op basis van een percentage van de bouwsom. Dat dit anders zou zijn geweest als De Boetzelaer € 1.562.673 meer van Achmea zou hebben ontvangen, volgt niet uit de BOSA regeling en heeft Lovéba ook overigens niet aannemelijk gemaakt. De stelling van Lovéba dat het voorbehoud in de akte van taxatie (<emphasis role="italic">dat verzekerde inzake deze schade geen vergoeding verwacht of heeft gehad van een derde</emphasis>, productie 16 De Boetzelaer) ziet op de BOSA subsidie wordt ook niet gevolgd. Omdat die koppeling niet bestaat is de BOSA subsidie niet te kwalificeren als een dergelijke vergoeding van een derde. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Lovéba heeft nog aangevoerd dat De Boetzelaer, kort gezegd, onvoldoende haar best heeft gedaan bij het aanvragen van de BOSA subsidies althans dat zij zich niet adequaat heeft laten begeleiden. Had zij dit anders gedaan dan zou zij meer subsidie hebben ontvangen. De rechtbank wil wel aannemen dat als De Boetzelaer meer expertise had ingeschakeld, zij mogelijk meer BOSA subsidie zou hebben kunnen ontvangen (waarbij het overigens nog maar de vraag is of daarmee alle kosten van de nieuwbouw waren vergoed, nu de BOSA maxima kenden per jaar, zowel voor de aanvrager als voor alle aanvragen tezamen (een subsidieplafond)). Maar dat is niet de maatstaf die hier geldt. Het gaat er om of De Boetzelaer zodanig heeft gehandeld dat (een deel van) haar schade niet voor vergoeding door Lovéba in aanmerking komt. Dat is niet het geval.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Ten slotte heeft Lovéba ook in dit verband aangevoerd dat het indemniteitsbeginsel in de weg staat aan een schadevergoedingsverplichting voor haar. Dit is tevergeefs. Zoals eerder overwogen is er geen koppeling tussen een hogere vergoeding onder de polis en de BOSA subsidie. Het ontvangen van een BOSA subsidie <emphasis role="italic">an sich </emphasis>betekent dus niet dat Lovéba niet meer hoeft te betalen omdat er geen schade meer is. Die is er nog wel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Bij deze stand van zaken behoeft het debat over de alternatieve berekening van HBS, waaronder de toerekening van de BOSA subsidie naar een zwembad met vergelijkbare omvang als het afgebrande zwembad, geen behandeling meer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Het vorenstaande betekent dat de rechtbank voor de omvang van de schade die De Boetzelaer heeft geleden als gevolg van de beroepsfout van Lovéba uitgaat van de <emphasis role="underline">gevorderde € 1.562.673.</emphasis> Daarop komt in mindering <emphasis role="underline">€ 301,94 als de premie die De Boetzelaer heeft bespaard</emphasis> en die zij verschuldigd was geweest als de voorgetaxeerde bedragen voor gebouwen, inventaris en goederen inclusief btw waren geweest. De Boetzelaer en Lovéba zijn het eens over dit bedrag. Daarnaast komt op deze gevorderde schade in mindering de btw over <emphasis role="underline">bijkomende kosten ad € 32.272</emphasis> die Achmea moet betalen (zie 2.3). Omdat de € 1.562.673 is berekend over de gehele schade, dus ook de bijkomende kosten, zou dit anders een dubbeltelling opleveren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Na aftrek van de twee genoemde bedragen resteert een bedrag van € 1.530.099,06 dat Lovéba aan De Boetzelaer moet vergoeden. Dit bedrag zal worden toegewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">uitvoerbaar bij voorraad en zekerheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>Lovéba heeft verzocht de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel zekerheid te verlangen. Dat verzoek wordt verworpen. Uitgangspunt is dat uitspraken van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, wat betekent dat diegene die een vordering krijgt toegewezen ontvangt wat hem volgens de rechtbank toekomt, ook als daar in hoger beroep opnieuw over wordt gediscussieerd. Onder omstandigheden kan daarvan worden afgeweken, maar hetgeen Lovéba daarvoor heeft aangevoerd is onvoldoende. In het bijzonder weegt het belang van Lovéba bij restitutie als zij succes krijgt in hoger beroep niet zwaarder dan het belang van De Boetzelaer om haar schade op korte termijn vergoed te krijgen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">afronding – bik, wettelijke rente en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>De door De Boetzelaer gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 10.428,57 zullen worden toegewezen. Van deze kosten van haar expert zijn twee facturen overgelegd die opgeteld overeenkomen met dit bedrag. Deze kosten voldoen, anders dan Lovéba heeft aangevoerd, wel aan de dubbele redelijkheidstoets. Nu de rapportage van de expert voor de beoordeling van de vordering op zowel Achmea als Lovéba van belang is geweest zullen deze partijen ieder worden veroordeeld om 50% van deze kosten te voldoen. Dat daarnaast nog aanspraak bestaat op een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel heeft De Boetzelaer onvoldoende onderbouwd en valt overigens niet in te zien. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen vanaf 12 juli 2024, de meest recente vervaldatum van de nota’s van HBS.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsommen wordt toegewezen. Voor Achmea ter zake de bedrijfsstagnatiekwestie is dat vanaf 14 januari 2022, de datum van de akte van taxatie ter zake de bedrijfsschade, zoals gevorderd. Voor Lovéba ter zake de btw-kwestie is dit vanaf 14 juni 2019, de datum van de akte van taxatie ter zake de materiële schade. Anders dan De Boetzelaer heeft gesteld, heeft de schade van het niet verzekerd zijn waar het de btw betreft zich immers toen pas gemanifesteerd, en niet al op de dag van de brand. Hetzelfde geldt voor Achmea ten aanzien van de btw over de bijkomende kosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.22.</nr>
      <para>De proceskosten tussen De Boetzelaer, Achmea en Lovéba zullen worden gecompenseerd, nu zij allen deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen. De Boetzelaer wordt veroordeel in de proceskosten van SFN en Sucsez als de in die relatie in het ongelijk gestelde partij. Deze kosten worden als volgt worden begroot: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>SFN: </para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>    8.519</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>8.714</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 4.357)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>17.411</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>Sucsez: </para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>    8.519</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>8.714</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 4.357)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>17.411</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.23.</nr>
      <para>De door SFN gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De verdere beoordeling in de vrijwaringszaak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In rov 6.9 van het tussenvonnis is het volgende overwogen:  <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9.</nr>
      <para>De vorderingen van Lovéba zullen bij eindvonnis worden afgewezen. Lovéba zal in de proceskosten worden veroordeeld van Sucsez. Gelet op de beslissing in reconventie zullen de overige proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat Lovéba en SFN en SFG (welke laatste twee gezamenlijk verweer voeren) ieder de eigen kosten dragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Wat zich na het tussenvonnis in de hoofdzaak heeft voorgedaan leidt niet tot een andere conclusie. Dus zal conform het vorenstaande worden beslist. De proceskosten van Sucsez worden daarbij begroot op één punt × € 4.357 plus de nakosten van € 178 plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in de hoofdzaak: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>veroordeelt (ter zake de bedrijfsstagnatiekwestie) <emphasis role="underline">Achmea</emphasis> om aan De Boetzelaer te betalen een bedrag van € 1.444.505, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 januari 2022, tot aan de dag van betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">Achmea</emphasis> (ter zake de btw over de bijkomende kosten) om aan De Boetzelaer te betalen een bedrag van € 32.272, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 juni 2019, tot aan de dag van betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">Achmea</emphasis> om aan De Boetzelaer te betalen een bedrag van € 5.214,29 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 12 juli 2024, tot aan de dag van betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>veroordeelt (ter zake de btw-kwestie) <emphasis role="underline">Lovéba</emphasis> om aan De Boetzelaer te betalen een bedrag van € 1.530.099,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 juni 2019, tot aan de dag van betaling,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">Lovéba</emphasis> om aan De Boetzelaer te betalen een bedrag van € 5.214,29 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 12 juli 2024, tot aan de dag van betaling,<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">De Boetzelaer</emphasis> in de proceskosten van <emphasis role="underline">SFN</emphasis>, thans begroot op € 17.411, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als De Boetzelaer niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet De Boetzelaer € 92 extra betalen plus de kosten van betekening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">De Boetzelaer</emphasis> in de proceskosten van <emphasis role="underline">Sucsez</emphasis>, thans begroot op € 17.411, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als De Boetzelaer niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet De Boetzelaer € 92 extra betalen plus de kosten van betekening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">De Boetzelaer </emphasis>tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van <emphasis role="underline">Sucsez</emphasis> als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure tussen De Boetzelaer, Achmea en Lovéba in die zin dat ieder van deze partijen de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de vrijwaringszaak: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>veroordeelt <emphasis role="underline">Lovéba</emphasis> in de proceskosten van <emphasis role="underline">Sucsez</emphasis>, thans begroot op € 4.357, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als De Boetzelaer niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet De Boetzelaer € 92 extra betalen plus de kosten van betekening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>compenseert de kosten van deze procedure tussen Lovéba, SFN en SFG in die zin dat ieder van deze partijen de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, mr. J.W. Bockwinkel en mr. G.H. Marcus, rechters, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>