<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:3191</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-09T07:15:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/215</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3191">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3191</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T07:45:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:3191 Rechtbank Amsterdam , 15-05-2025 / 25/215</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3191:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. AOW. Verweerder heeft terecht de AOW van eiser niet herzien met verdergaande terugwerkende kracht van één jaar. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW geen sprake is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3191:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 25/215</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder </title>
    <para>( [gemachtigde verweerder] ).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening van zijn AOW-pensioen<footnote-ref linkend="_2ec78c15-08e8-46a1-80cc-e96b12237dde" /> per 1 januari 2023 naar de norm voor een alleenstaande. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft met het primaire besluit van 30 mei 2024 een verzoek van eiser om zijn AOW-pensioen te wijzigen naar de norm van een alleenstaande afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het AOW-pensioen van eiser alsnog per 1 januari 2023 herzien naar de norm voor een alleenstaande. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De totstandkoming van de besluiten</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is gehuwd met [naam partner] . Nadat eiser arbeidsongeschikt was geworden, heeft hij samen met zijn vrouw in Spanje gewoond. Vanwege (financiële) redenen is hij in 2018 teruggekeerd naar Nederland. Zijn vrouw is in Spanje blijven wonen. Bij de vrouw van eiser is de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Zij verblijft momenteel in een zorginstelling in Spanje. Op 15 januari 2024 heeft eiser telefonisch contact gehad met verweerder en gevraagd om zijn AOW-pensioen te wijzigen naar de norm van een alleenstaande. Op 19 april 2024 heeft eiser schriftelijk aan verweerder doorgegeven dat hij en zijn vrouw vanaf 1 januari 2023 duurzaam gescheiden leven.</para>
    <para />
    <para>2. Dit verzoek heeft geleid tot de in de inleiding genoemde besluitvorming. Verweerder heeft daarbij in eerste instantie het verzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het AOW-pensioen van eiser alsnog per 1 januari 2023 herzien naar de norm voor een alleenstaande.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht aan eiser pas vanaf 1 januari 2023 een alleenstaandenpensioen heeft toegekend. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De wijziging vanaf 1 januari 2023 naar een alleenstaandenpensioen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat hij vanaf 24 september 2018 duurzaam gescheiden leeft. Op deze dag heeft hij zich namelijk ingeschreven in [woonplaats] , terwijl zijn vrouw nog in Spanje woonde. Subsidiair voert eiser aan dat hij vanaf 23 september 2022 duurzaam gescheiden leeft, omdat hij vanaf die dag geen enkel contact meer heeft met zijn vrouw. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 16, tweede lid, van de AOW is bepaald dat het ouderdomspensioen niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend, maar dat de SVB in bijzondere gevallen van die bepaling kan afwijken door aan de toekenning een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Verweerder heeft in de beleidsregels (nummer SB1071) uitgewerkt wat hij als een bijzonder geval aanmerkt.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser een alleenstaandenpensioen heeft toegekend vanaf een jaar voor de eerste dag van de maand van zijn aanvraag. Zoals verweerder op de zitting heeft toegelicht, heeft eiser op 15 januari 2024 telefonisch aan verweerder doorgegeven dat hij en zijn vrouw duurzaam gescheiden leven. Verweerder heeft daarom vanaf 1 januari 2023 een alleenstaandenpensioen toegekend.</para>
    <para />
    <para>7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW geen sprake is. Volgens de in de rechtspraak<footnote-ref linkend="_b7cd5341-3f25-49e7-9a0d-b052b8c769c0" /> aanvaarde uitleg van verweerder is onder meer sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen, of, indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op uitkering en deze onbekendheid verschoonbaar was. Als eiser wilde dat zijn alleenstaandenpensioen met ingang van 23 september 2022 zou worden toegekend, dan lag het op zijn weg om vóór 23 september 2023 een aanvraag in te dienen. Niet is gesteld of gebleken dat het voor eiser niet mogelijk was om de aanvraag tijdig in te dienen.</para>
    <para />
    <para>8. Wat betreft eisers standpunt dat hij vanaf 24 september 2018 duurzaam gescheiden leeft overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen het besluit van 25 februari 2019 besproken. In dat besluit heeft verweerder het AOW-pensioen van eiser in 2018 niet herzien naar de norm van een alleenstaande. De rechtbank kan over deze periode geen oordeel geven. Dit besluit staat namelijk in rechte vast. Dit betekent dat dit besluit definitief is geworden zodat het in beginsel niet meer kan worden gewijzigd. De rechtbank geeft eiser net als verweerder mee dat als hij vindt dat hij op 24 september 2018 duurzaam gescheiden leeft, hij een herzieningsverzoek kan indienen. Eiser dient in dat geval wel nieuwe feiten en omstandigheden aan te geven waarom hij op dat moment duurzaam gescheiden leeft. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bestreden besluit ten onrechte niet naar de gemachtigde gestuurd</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit ten onrechte niet naar zijn gemachtigde is gestuurd. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit inderdaad in strijd met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan de gemachtigde van eiser is gestuurd. Dit maakt echter niet dat het besluit onrechtmatig is. Artikel 6:17 van de Awb strekt namelijk tot bescherming van de procedurele belangen van eiser en is daarmee bijvoorbeeld van een andere orde dan de bepalingen inzake het niet tijdig beslissen, die zien op zekerheid omtrent de inhoudelijke positie van belanghebbende tegenover het bestuursorgaan.<footnote-ref linkend="_d1c11328-b041-4752-b2a4-71daab56c485" /> De gemachtigde van eiser heeft alsnog tijdig kennisgenomen van het bestreden besluit en binnen de wettelijke termijn van zes weken een beroepsschrift ingediend. Dit betekent dat de procedurele belangen van eiser niet zijn geschaad doordat het bestreden besluit per abuis niet naar zijn gemachtigde is gestuurd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoorzitting in bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Op de zitting heeft verweerder erkend dat in dit geval eiser gehoord had moeten worden. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Het bestreden besluit kent dan ook op dit punt een gebrek. Beide partijen hebben de rechtbank verzocht om de zaak niet terug te verwijzen voor een hoorzitting in bezwaar. De rechtbank zal dit gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, omdat eiser in beroep en op zitting alsnog zijn argumenten volledig naar voren heeft kunnen brengen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten in bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft toegekend. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 februari 2007<footnote-ref linkend="_15f3caa9-4db1-4a6a-8a0a-525255a55534" /> volgt dat in het geval een betrokkene zelf een bezwaarschrift indient en er nadien een aanvullend bezwaarschrift wordt ingediend door de gemachtigde dit als één geheel dient te worden gezien. Onder de proceshandeling bezwaarschrift in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht is dan ook mede te begrijpen het door de gemachtigde van eiser ingediende (aanvullende) bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser in het aanvullende beroepschrift nieuwe aanvullende beroepsgronden heeft ingediend. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser dat aan hem voor het door zijn gemachtigde ingediende (aanvullende) bezwaarschrift een vergoeding toekomt. Deze beroepsgrond slaagt dus ook.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>12. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Aan het bestreden besluit kleven twee gebreken. Verweerder heeft namelijk ten onrechte eiser niet gehoord en verweerder heeft ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het bestreden besluit te vernietigen voor zover aan eiser geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. Gelet op de overwegingen 4. tot en met 8. is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht eiser pas een alleenstaandenpensioen heeft toegekend vanaf 1 januari 2023. De rechtbank laat dan ook het bestreden besluit voor het overige in stand. </para>
    <para />
    <para>13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.461,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit en laat voor het overige het bestreden besluit in stand;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.461,-</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. N.J.A. van Eck, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para> rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen. </para>
      <para>Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2ec78c15-08e8-46a1-80cc-e96b12237dde" label="1">
    <para> Een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7cd5341-3f25-49e7-9a0d-b052b8c769c0" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:173.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d1c11328-b041-4752-b2a4-71daab56c485" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_15f3caa9-4db1-4a6a-8a0a-525255a55534" label="4">
    <para> De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8558.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>