<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:3048</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T06:56:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 24/1631</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3048">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3048</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-20T09:17:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:3048 Rechtbank Amsterdam , 09-04-2025 / AMS 24/1631</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3048:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Woo. [naam 1]-rapport. MHB-arrest. Verschoningsrecht als weigeringsgrond. Verweerder had het gehele Rapport niet zonder nadere motivering integraal mogen weigeren. Voor wat betreft de hoofdstukken 2 en 3 van het Rapport zijn de door verweerder aangevoerde weigeringsgronden als voldoende gemotiveerd beoordeeld. Echter voor wat betreft hoofdstuk 1 is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van dit hoofdstuk daadwerkelijk het vertrouwen van de gesprekspartners schaadt. Dit hoofdstuk is vooral feitelijk en planmatig van aard, waardoor niet aannemelijk is dat bij openbaarmaking van dit specifieke hoofdstuk het goed functioneren van de Tweede Kamer als werkgever in het geding komt. Het vertrouwen van de gesprekspartners valt te koppelen aan de door hen gedane uitspraken en de situatieschetsen, maar ziet niet op de onderzoeksopzet van het Rapport. De toegepaste weigeringsgronden kunnen de weigering tot openbaarmaking van hoofdstuk 1 van het Rapport dus niet dragen. Voor wat betreft de weigering van de correspondentie rondom het Rapport in de categorie C (onderzoeksopdracht, aanzoeken onderzoeksbureau en overeenkomst Gedelegeerd Opdrachtgevers) heeft de rechtbank meerdere motiveringsgebreken vastgesteld.  Voor wat betreft de categorie D (advisering Capra advocaten en Pels Rijcken) is de rechtbank van oordeel dat de Woo zich in beginsel verzet tegen zo’n volledige uitsluiting op basis van het verschoningsrecht, een weigeringsgrond die niet in de Woo wordt genoemd. Verweerder trekt hier een parallel tussen de Woo en het verschoningsrecht, die de rechtbank niet op deze manier ziet dan wel op deze wijze invult. Verweerder heeft haar motivering nu zo ingekleed dat zij het verschoningsrecht als absolute weigeringsgrond gebruikt, waarbij zij geen belangenafweging heeft gemaakt, maar heeft alle communicatie met haar advocaten heeft geweigerd op grond van het verschoningsrecht. Alhoewel de rechtbank het belang ziet van het recht om zich vrijelijk tot een advocaat te kunnen wenden en dit tevens een groot goed vindt, is het geen weigeringsgrond. Het belang dat verweerder probeert te beschermen kan ook worden gediend binnen de weigeringsgronden die de Woo wél kent. De rechtbank vindt het hierbij van belang om op te merken dat het in onderhavige situatie gaat om een bestuursorgaan waarop de Woo van toepassing is. Overheidsorganisaties moeten informatie over wat zij doen en waarom, uit zichzelf geven of als iemand daarom vraagt, tenzij een weigeringsgrond van toepassing is. Het gebruik van dit recht als absolute weigeringsgrond past naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bij de systematiek van de Woo. Het voorgaande zou naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen worden, als verweerder het verschoningsrecht gebruikt als een (nadere) motivering bij een uit de Woo volgende weigeringsgrond. Als verweerder vindt dat een document geweigerd moet worden, zal zij dit aan de hand van een weigeringsgrond moeten motiveren en kan zij dit onderbouwen met het (belang van het) verschoningsrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3048:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 24/1631 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tweede Kamer der Staten-Generaal, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder op eisers verzoek om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). </para>
    <para />
    <para>2. Met de besluiten van 1 februari 2024 (deelbesluit 1) en 4 juni 2024 (deelbesluit 2) heeft verweerder het Woo-verzoek gedeeltelijk afgewezen. </para>
    <para />
    <para>3. Partijen hebben ingestemd met direct beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft in die procedure op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Hier heeft eiser samen met zijn gemachtigde aan deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. C.A. Gelijnse. </para>
    <para />
    <para>5. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak AMS 24/3581, maar de zaken zijn na de behandeling ter zitting weer gesplitst. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat aan deze procedure voorafging </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Achtergrond </emphasis>
      </para>
      <para>6. Op 28 september 2022 hebben het Presidium en de Griffier van de Tweede Kamer gezamenlijk besloten tot het instellen van een extern onafhankelijk feitenonderzoek naar [functie] [persoon] naar aanleiding van twee ontvangen anonieme brieven. In deze brieven werd melding gedaan van concrete en duidelijke signalen dat voor ambtenaren werkzaam bij verweerder (mogelijk) sprake is (geweest) van een zeer onveilige werkomgeving. Dit feitenonderzoek is uitgevoerd door onafhankelijk onderzoeksbureau [naam 1] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Op 31 oktober 2023 is een samenvatting van het door [naam 1] opgestelde rapport integraal toegestuurd aan de leden van de Tweede Kamer. Deze samenvatting is hierdoor openbaar. Het rapport zelf is vertrouwelijk en niet door verweerder openbaar gemaakt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Woo-verzoek</emphasis>
        </para>
        <para>7. Eiser heeft op 3 november 2023 een Woo-verzoek ingediend bij verweerder tot openbaarmaking van dit rapport en alle communicatie bij of onder verweerder over dit extern feitenonderzoek naar de [functie] vanaf 1 juli 2022 tot heden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met eiser afgesproken te werken met deelbesluiten. Het eerste deelbesluit betreft het rapport van het feitenonderzoek van onderzoeksbureau [naam 1] (het Rapport). Verweerder heeft met deelbesluit 1 integraal geweigerd het Rapport openbaar te maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft vervolgens deelbesluit 2 genomen. Dit besluit ziet in totaal op 1.359 documenten. Verweerder heeft besloten om hiervan 21 documenten geheel openbaar te maken, 851 documenten gedeeltelijk openbaar te maken en 487 documenten niet openbaar te maken. Bij deze openbaarmaking heeft zij de aangetroffen documenten ingedeeld in categorieën van A tot en met J. Op 22 januari 2025 heeft eiser zijn beroepsgronden tegen deelbesluit 2 toegestuurd en hierin gespecifieerd dat zijn gronden zien op de documenten in de categorie C (onderzoeksopdracht, aanzoeken onderzoeksbureau en overeenkomst Gedelegeerd Opdrachtgevers) en categorie D (advisering [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>8. De rechtbank beoordeelt of de minister op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank heeft het Rapport volledig bekeken. De documenten die zien op deelbesluit 2 heeft de rechtbank steekproefsgewijs beoordeeld, zoals ook ter zitting is besproken. De rechtbank zal per deelbesluit, en dan zoveel mogelijk per weigeringsgrond en geclusterde stukken, bespreken wat haar oordeel is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Deelbesluit 1: het Rapport </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Verweerder heeft openbaarmaking van het Rapport integraal geweigerd op grond van (a) de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bij het feitenonderzoek betrokken personen<footnote-ref linkend="_6f0510e4-7d12-4d3a-afc1-84a9bd791fbd" /> en (b) het goed functioneren van de Tweede Kamer<footnote-ref linkend="_4309348d-65bd-4427-8916-eb145e87257c" />, meer specifiek het goed functioneren van de Tweede Kamer als werkgever. Hierbij is volgens verweerder ook van belang dat verweerder voordat het Rapport is opgesteld aan de gesprekpartners van het onderzoek de expliciete toezegging heeft gedaan dat het Rapport niet (voor eenieder) openbaar zal worden gemaakt. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank heeft kennisgenomen van het Rapport en is van oordeel dat verweerder het Rapport niet zonder nadere motivering integraal had mogen weigeren. Het beroep is daarmee gegrond. De rechtbank zal hieronder per weigeringsgrond toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Persoonlijke levenssfeer  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Met betrekking tot de herleidbaarheid naar personen, is de rechtbank van oordeel dat de hoofdstukken 2 en 3 van het Rapport zodanig concreet zijn dat de inhoud van het Rapport herleidbaar is naar specifieke situaties en daardoor ook mogelijk naar de daarbij betrokken zijnde personen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de Tweede Kamer een (relatief) klein overheidsorgaan is, waar zo’n 700 mensen intensief met elkaar samenwerken. Ondanks dat het Rapport geen namen bevat, is het aannemelijk dat derden op basis van de beschreven situaties zonder onevenredige inspanning kunnen achterhalen wie bij deze situaties betrokken waren of wie aan het feitenonderzoek hebben deelgenomen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>12.1.</nr>
      <para>De door eiser aangevoerde stelling dat de herleidbaarheid niet bestaat of kan worden verminderd door middel van bijvoorbeeld het weglakken van data of locaties volgt de rechtbank niet. Het Rapport is dusdanig concreet, waardoor zelfs als deze onderdelen zouden worden gelakt, ze alsnog naar de betrokken gesprekspartners zouden kunnen leiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Verweerder mocht op deze grond dus de openbaarmaking van de hoofdstukken 2 en 3 van het Rapport weigeren. Dit geldt echter niet voor hoofdstuk 1 van het Rapport, nu hierin geen situaties staan beschreven die tot de persoon herleidbaar zijn en daarmee persoonsgegevens bevatten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Functioneren van de Tweede Kamer als werkgever </emphasis>
        </para>
        <para>13. Het Rapport is daarnaast integraal geweigerd op de grond dat het functioneren van de Tweede Kamer als werkgever in het geding zou komen. Verweerder stelt dat als het Rapport openbaar wordt gemaakt, in de toekomst gedupeerden van een mogelijk onveilige (sociale) werkomgeving huiveriger zullen zijn om mee te werken aan een onderzoek. Verweerder heeft namelijk vooraf aan de gesprekspartners toegezegd dat het Rapport niet openbaar zal worden gemaakt, wat zij mogelijk hebben betrokken bij hun beslissing deel te nemen aan het onderzoek. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze weigeringsgrond voor de hoofdstukken 2 en 3 in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd. Bovendien mocht openbaarmaking van deze hoofdstukken zoals hiervoor beschreven ook al geweigerd worden op basis van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>13.2.</nr>
      <para>Voor wat betreft hoofdstuk 1, waar onder meer de onderzoeksopzet en het plan van aanpak van het Rapport uiteen is gezet, is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van dit hoofdstuk van het Rapport daadwerkelijk het vertrouwen van de gesprekspartners schendt. De informatie in dat hoofdstuk is immers vooral feitelijk en planmatig van aard. Hierdoor is niet aannemelijk dat bij openbaarmaking van dit specifieke hoofdstuk het goed functioneren van de Tweede Kamer als werkgever in het geding komt. Het vertrouwen van de gesprekspartners valt te koppelen aan de door hen gedane uitspraken en de situatieschetsen, maar ziet niet op de onderzoeksopzet van het Rapport. De toegepaste weigeringsgronden kunnen de weigering tot openbaarmaking van hoofdstuk 1 van het Rapport dus niet dragen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Public watchdog </emphasis>
        </para>
        <para>14. Ter zitting heeft eiser verwezen naar het MHB-arrest<footnote-ref linkend="_7d7c5215-608e-48f3-9c28-daa1a29a7757" /> van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij en zijn gemachtigde, als journalisten voor Follow The Money, een “public watchdog” zijn. Hierdoor moet er op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM<footnote-ref linkend="_1da0e126-bcfd-4761-ac08-721181e5e478" /> een belangenafweging worden gemaakt waarin de gehele context van het Rapport wordt meegewogen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>14.1.</nr>
      <para>Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_5f35c081-8077-407d-a362-451cdd2df230" />mag in het algemeen ervan worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob (nu de Woo) heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Woo strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangpunt af te wijken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>14.2.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die zouden meebrengen dat, gelet op de onderzoeksjournalistiek van eiser, de belangenafweging bij het toepassen van de weigeringsgronden in de Woo anders zou moeten uitpakken. Dat het Rapport, en dan met name de inhoudelijke delen, een grote maatschappelijke impact heeft gehad, tot veel maatschappelijke discussie heeft geleid en dat het journalistieke belang groot is, zijn geen belangen die op grond van de Woo in de belangenafweging een rol kunnen spelen.<footnote-ref linkend="_820ff4fc-e576-490f-9968-2a277865b49c" /> Het belang van openbaarmaking is een op zichzelf staand belang. Aan het belang van openbaarheid van overheidsinformatie kan niet meer gewicht toekomen vanwege de aard of de inhoud van de documenten waar om wordt gevraagd. De omstandigheid dat eiser en zijn gemachtigde journalist zijn en dat het maatschappelijk belang bij openbaarmaking groot is, is dus, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende.</para>
      <para />
      <para>15. Aangezien deelbesluit 1, gelet op voorgaande overwegingen, een motiveringsgebrek bevat ten aanzien van het niet openbaar maken van hoofdstuk 1 van het Rapport, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen en het beroep gegrond verklaren. Zij vernietigt deelbesluit 1 op deze punten en draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen, waarin verweerder bovenstaande in ogenschouw dient te nemen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Deelbesluit 2: de correspondentie rondom het Rapport </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>16. De gronden van eiser tegen deelbesluit 2 zien enkel op de stukken in de categorie C en D. Verweerder heeft het beroepschrift van eiser zo opgevat, dat het niet gericht was tegen de (gedeeltelijke) weigering van <emphasis role="italic">alle</emphasis> documenten uit deze categorieën, maar uitsluitend op de documenten die betrekking hebben op namen van andere onderzoeksbureaus dan [naam 1] , hun voorgestelde werkwijze en afwegingen. Zij heeft daarom enkel die documenten toegestuurd die hierop betrekking hebben. Eiser is op de zitting akkoord gegaan met deze trechtering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>16.2.</nr>
      <para>De rechtbank zal hieronder per categorie, stuk en weigeringsgrond bespreken wat haar oordeel is. Voor zover documenten binnen deze categorieën (enkel) zijn geweigerd op grond van de weigeringsgrond intern beraad<footnote-ref linkend="_9ddd0613-2f57-477d-bc66-120b8b52f9d5" /> heeft de rechtbank niet naar deze documenten gekeken, nu eiser tegen deze weigeringsgrond geen beroepsgrond heeft aangevoerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Categorie C </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bescherming persoonlijke levenssfeer </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 14 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>17. In dit document zijn de persoonsnaam bij [bedrijf 3] en de ontvanger en verzender van deze e-mail op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer weggelakt.<footnote-ref linkend="_be8d3c02-31e4-4315-9c9a-1d4095ec6d29" /> Aangezien het in dit document alleen om namen van personen gaat, hoefde verweerder de gelakte delen van dit document op basis van deze weigeringsgrond niet openbaar te maken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Goed functioneren Tweede Kamer </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 82</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>18. Dit document is een vervolg op document 14. In dit document is er gelakt op grond van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (e-grond) en het goed functioneren van de Tweede Kamer (i-grond)<footnote-ref linkend="_455ea034-9a32-4a51-8081-dcd375bf79ca" />. Uit de gelakte delen in dit document, die onder de i-grond vallen, blijkt dat er overleg is geweest tussen de Tweede Kamer en derden. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat openbaarmaking tot gevolg zal hebben dat derden terughoudender zullen worden om medewerking te verlenen waardoor het goed functioneren van de Tweede Kamer in het geding zou komen. De gelakte delen onder de e-grond heeft verweerder voldoende gemotiveerd nu het gaat om persoonsgegevens. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Concurrentie gevoelige informatie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>19. Volgens verweerder bestaan meerdere documenten in categorie C uit stukken die inzicht geven in welke onderzoeksbureaus voor het verrichten van het feitenonderzoek zijn benaderd. Deze informatie geeft of kan inzicht geven in hun financiële bedrijfsvoering zoals bijvoorbeeld de gehanteerde tarieven en werkwijzen. Openbaarmaking zou de concurrentiepositie van deze onderzoeksbureaus kunnen schaden en tevens ook hun bereidheid om in de toekomst dergelijke onderzoeken te willen uitvoeren. Verweerder stelt zich wat betreft deze documenten op het standpunt dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van de belangen van de onderzoeksbureaus en het belang van de Tweede Kamer dat dergelijke onderzoeken in de toekomst kunnen worden verricht.<footnote-ref linkend="_f6d2d657-2aa6-45c9-a2bf-e1d423b1d538" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 102</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.1.</nr>
      <para>In dit document zijn onder meer namen van personen geweigerd op basis van het in rechtsoverweging 17 genoemde artikelen en motivering. Deze weigering is akkoord. Daarnaast zijn er in dit document ook namen geweigerd op grond van het zijn van bedrijfs- en fabricagegegevens.<footnote-ref linkend="_7d74ecda-09ef-4af0-acf0-37ead3d778a4" /> De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer is aan te nemen dat deze bedrijven het vervelend zouden vinden als zij in dit verband met hun bedrijfsnaam in de openbaarheid zouden treden. Op de zitting is door de gemachtigde aangegeven dat deze bedrijven hier mondeling geen toestemming voor zouden hebben gegeven. Dit valt op basis van de stukken niet te achterhalen door de rechtbank. Verweerder heeft daarnaast bij geen van deze partijen een (schriftelijke) zienswijze opgevraagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verweerder gegeven motivering daarom te algemeen en onvoldoende is. Verder overweegt de rechtbank dat de c-grond voor wat betreft de namen van bedrijven niet van toepassing is, nu deze grond beperkt moet worden uitgelegd en bedrijfsnamen geen informatie bevatten over de technische/financiële bedrijfsvoering of het productieproces.<footnote-ref linkend="_329d357f-dcea-4f21-b4b3-f63a71f84965" /> De rechtbank merkt daarbij op dat zij het opvallend vindt dat de namen van mogelijk te benaderen onderzoeksbureaus in document 14 niet gelakt zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.2.</nr>
      <para>Dit betekent dat de weigering in dit document voornamelijk wordt gedragen door de f-grond. Aangezien dit een relatieve weigeringsgrond is, moet verweerder deze belangenafweging beter en uitvoeriger motiveren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 144 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.3.</nr>
      <para>Op pagina 2-3 (na het op intern beraad gelakte deel) van dit document, zien de gelakte passages op de werkwijze van een onderzoeksbureau. Dit heeft verweerder met verwijzing naar de f-grond<footnote-ref linkend="_f7b36bdb-1c6e-4683-8994-6c7f474389d1" /> naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Het belang van de bescherming van concurrentiegevoelige gegevens van deze bedrijven weegt in dit geval zwaarder dan het belang van openbaarmaking. Echter geldt ook voor dit document dat verweerder voor wat betreft het weglakken van de naam van het bedrijf dit nader zal moeten motiveren (zie rechtsoverweging 19.1). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 231</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.4.</nr>
      <para>Dit document bevat duidelijk concurrentiegevoelige informatie en mocht op grond daarvan door verweerder worden geweigerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 341</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.5.</nr>
      <para>Dit document is op dezelfde gronden geweigerd als document 14 en 82. Verweerder heeft dit voldoende onderbouwd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 378a</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.6.</nr>
      <para>In dit document zijn specifieke bedragen gelakt. Dit valt onder de vertrouwelijke financiële bedrijfsvoering van een bedrijf en is door verweerder terecht op de c-grond<footnote-ref linkend="_3b9f6a8b-b9db-4e43-a188-653f33873ee6" /> geweigerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Document 510</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.7.</nr>
      <para>Ook in dit document zijn specifieke bedragen gelakt. Dit valt onder de vertrouwelijke financiële bedrijfsvoering van een bedrijf en is door verweerder terecht op de c-grond geweigerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>20. Aangezien deelbesluit 2 ten aanzien van de documenten in categorie C gelet op voorgaande overwegingen meerdere motiveringsgebreken bevat, zal de rechtbank dit deelbesluit op deze punten vernietigen. Als verweerder vasthoudt aan de weigering van openbaarmaking van de namen van de bedrijven in de documenten in categorie C, dient verweerder deze weigeringsgronden voor alle documenten in categorie C (dus ook de documenten die niet in deze steekproef zijn beoordeeld) opnieuw te motiveren, bijvoorbeeld met toezending van een zienswijze van de betrokken bedrijven. In die zienswijze kunnen de bedrijven onderbouwen waarom zij wel of niet in de openbaarheid willen treden met andersoortige informatie dan hun tarieven en/of werkwijze en op welke manier zij daarmee in hun belangen zouden worden geschaad. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Categorie D </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>21. Verweerder stelt zich voor wat betreft de documenten in deze categorie op het standpunt dat de Staat en bestuursorganen als de Tweede Kamer de mogelijkheid moeten hebben om zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot een advocaat te kunnen wenden. Zij verwijst hierbij naar het verschoningsrecht. Hier zou afbreuk aan worden gedaan als de Staat of bestuursorganen zouden worden gedwongen om tegen hun wil informatie die vertrouwelijk met een advocaat is gewisseld openbaar te maken. Wat op die manier weer het goed functioneren van de Staat zou kunnen schaden. Op de zitting heeft verweerder betoogd dat beide gronden in dit geval van toepassing zijn, maar dat verweerder zich primair beroept op het verschoningsrecht dat aan advocaten toekomt. Verweerder heeft met deze motivering veel van de stukken in categorie D integraal geweigerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.1</nr>
      <para>De rechtbank volgt de redenering van verweerder niet. Verweerder trekt hier een parallel tussen de Woo en het verschoningsrecht, die de rechtbank niet op deze manier ziet dan wel op deze wijze invult. Verweerder heeft haar motivering nu zo ingekleed dat zij het verschoningsrecht als absolute weigeringsgrond gebruikt, nu het verschoningsrecht tussen advocaat en cliënt voor de advocaat ook absoluut is. Verweerder heeft dus geen belangenafweging gemaakt, maar heeft alle communicatie met haar advocaten geweigerd op grond van het verschoningsrecht. Alhoewel de rechtbank het belang ziet van het recht om zich vrijelijk tot een advocaat te kunnen wenden en dit tevens een groot goed vindt, is het geen weigeringsgrond. Dit maakt ook dat de Woo zich naar het oordeel van de rechtbank in beginsel verzet tegen zo’n volledige uitsluiting op basis van deze niet in de Woo genoemde categorie. Het belang dat verweerder probeert te beschermen kan ook worden gediend binnen de weigeringsgronden die de Woo wél kent. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.2.</nr>
      <para>De rechtbank is verder van oordeel dat de door de Hoge Raad geschetste lijn<footnote-ref linkend="_a53540b1-5f18-443b-8ac4-ebf7358f2f66" /> waarop verweerder een beroep doet een andere situatie betreft. De rechtbank vindt het hierbij van belang om op te merken dat het in onderhavige situatie gaat om een bestuursorgaan waarop de Woo van toepassing is. Overheidsorganisaties moeten informatie over wat zij doen en waarom, uit zichzelf geven of als iemand daarom vraagt, tenzij een weigeringsgrond van toepassing is. Het gebruik van dit recht als absolute weigeringsgrond past naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet bij de systematiek van de Woo. Het voorgaande zou naar het oordeel van de rechtbank anders kunnen worden, als verweerder het verschoningsrecht gebruikt als een (nadere) motivering bij een uit de Woo volgende weigeringsgrond. Als verweerder vindt dat een document geweigerd moet worden, zal zij dit aan de hand van een weigeringsgrond moeten motiveren en kan zij dit onderbouwen met het (belang van het) verschoningsrecht. </para>
      <para />
      <para>22. Verweerder heeft zich subsidiair op de i-grond beroepen, door te stellen dat alle communicatie tussen advocaten en de Tweede Kamer (en zo dus ook alle documenten in de categorie D) vertrouwelijk is omdat dit binnen het verschoningsrecht valt, waardoor openbaarmaking het goed functioneren van de Staat zou kunnen schaden. Ook deze argumentatie gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. De documenten zullen mogelijk ook veel feitelijkheden bevatten die geen juridisch (proces)advies betreffen en niet vertrouwelijk zijn en dus openbaar gemaakt moeten worden. Verweerder kan met een verwijzing naar het verschoningsrecht ook op de i-grond niet tot een integrale weigering voor communicatie met haar advocaten komen. De i-grond betreft een relatieve weigeringsgrond waarbij verweerder per definitie per document en alinea een belangenafweging dient te maken.</para>
      <para />
      <para>23. Aangezien de rechtbank het op deze wijze weigeren van documenten niet volgt en de door verweerder gebruikte onderbouwing onvoldoende is, heeft zij verder niet inhoudelijk naar de stukken in categorie D gekeken. Samenvattend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de stukken in categorie D niet op deze wijze integraal had mogen weigeren. Zij constateert een motiveringsgebrek en vernietigt deelbesluit 2 ook op dit punt. Als verweerder vindt dat correspondentie die in deze categorie valt geweigerd moet worden, dan moet zij dit toelichten aan de hand van de weigeringsgronden van de Woo, waarbij enkel de motivering dat het correspondentie met een advocaat betreft onvoldoende is.   </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>24. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen in stand te laten. Het is aan verweerder om de stukken nader te beoordelen en te motiveren, waarin verweerder bovenstaande in ogenschouw dient te nemen. </para>
    <para />
    <para>25. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.</para>
    <para />
    <para>26. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht vergoeden. Er is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de bestreden besluiten; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzitter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6f0510e4-7d12-4d3a-afc1-84a9bd791fbd" label="1">
    <para> Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo (e-grond).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4309348d-65bd-4427-8916-eb145e87257c" label="2">
    <para> Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo (i-grond).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d7c5215-608e-48f3-9c28-daa1a29a7757" label="3">
    <para> EHRM, 28 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 ( [naam 2] v. Hongarije). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1da0e126-bcfd-4761-ac08-721181e5e478" label="4">
    <para> Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f35c081-8077-407d-a362-451cdd2df230" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2023:1046 en ECLI:NL:RVS:2024:1161.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_820ff4fc-e576-490f-9968-2a277865b49c" label="6">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), 25 oktober 2017 ECLI:NL:RVS:2017:2882, r.o. 9 – 9.1. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ddd0613-2f57-477d-bc66-120b8b52f9d5" label="7">
    <para> Artikel 5.2 van de Woo. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_be8d3c02-31e4-4315-9c9a-1d4095ec6d29" label="8">
    <para> Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_455ea034-9a32-4a51-8081-dcd375bf79ca" label="9">
    <para> Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6d2d657-2aa6-45c9-a2bf-e1d423b1d538" label="10">
    <para> Artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo (c-grond) en artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo (f-grond) en artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d74ecda-09ef-4af0-acf0-37ead3d778a4" label="11">
    <para> Zowel artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo en artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_329d357f-dcea-4f21-b4b3-f63a71f84965" label="12">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD0071. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7b36bdb-1c6e-4683-8994-6c7f474389d1" label="13">
    <para> Artikel 5.1, tweede lid, onder f, van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b9f6a8b-b9db-4e43-a188-653f33873ee6" label="14">
    <para> Artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a53540b1-5f18-443b-8ac4-ebf7358f2f66" label="15">
    <para> Zie het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>