<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:3046</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T13:55:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 24/4634</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3046">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:3046</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T13:54:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:3046 Rechtbank Amsterdam , 12-05-2025 / AMS 24/4634</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3046:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. Afwijzing urgentieverklaring. Bindingseis. Artikel 8 EVRM. Harheidsclausule. Evenredigheidsbeginsel. Kinderrechtenverdrag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:3046:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AMS 24/4634 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G.L.D. Thomas),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, D.K. Ehigiene als tolk en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bindingseis </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat de bindingseis door verweerder onjuist wordt toegepast. Verweerder heeft besloten dat eiseres niet aan de bindingseis voldoet omdat zij pas sinds <?linebreak?>30 augustus 2022 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Hierbij wordt ten onrechte voorbijgegaan aan de feitelijke woonsituatie van eiseres, die al sinds 2013 in Amsterdam verblijft, zoals onderbouwd met de verklaring van de basisschool (productie 1 bij het bezwaar). Tevens heeft eiseres verklaard dat zij jarenlang afhankelijk was van haar ex-partner, waardoor zij niet eerder kon zorgdragen voor haar eigen inschrijving in de BRP. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de feitelijke verblijfplaats van eiseres. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2024<footnote-ref linkend="_0b8db1e3-5002-4504-aa5a-8e5aa2707bcd" /> en stelt dat verweerder bij het hanteren van de bindingseis onvoldoende heeft gekeken naar het samenstel van factoren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 2.10.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) volgt dat verweerder de urgentieverklaring weigert wanneer sprake is van een of meerdere van de in a tot en met j genoemde weigeringsgronden. Dit is dus dwingend opgesteld. Een van de vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring is dat iemand - voorafgaand aan de aanvraag - met zijn of haar huishouden minimaal vier jaar onafgebroken in Amsterdam woont (de bindingseis).<footnote-ref linkend="_bd29561e-4332-4f0e-89cf-6b14035b20fe" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Verweerder mag in beginsel bij het vaststellen of eiseres woonachtig is in Amsterdam uitgaan van de inschrijving in de BRP. De aanvrager en alle personen behorend tot haar huishouden moeten ten minste vier jaren onafgebroken in Amsterdam wonen, zoals blijkt uit de inschrijving in de BRP. Eiseres heeft haar aanvraag gedaan op <?linebreak?>30 november 2023. Zij staat sinds 30 augustus 2022 ingeschreven in Amsterdam. Er was dus op het moment van aanvraag nog geen vier jaar verstreken sinds de inschrijving van eiseres in Amsterdam. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 24 mei 2023<footnote-ref linkend="_a30693ff-d983-45d7-b9f3-ddd143032701" /> heeft overwogen, heeft verweerder in de Hvv de eis gesteld dat de aanvrager zoals blijkt uit diens inschrijving in de BRP ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd moet hebben gewoond. In de Hvv staat niet dat verweerder bij de beoordeling of hieraan voldaan is ook moet kijken naar de concrete feiten en omstandigheden. Vanwege de strenge dwingende weigeringsbepaling is er geen ruimte om de medische en sociale situatie van eiseres te betrekken bij de beoordeling van de bindingseis. Overigens, de overgelegde brief van de basisschool van de kinderen van eiseres dateert van 30 november 2018 en bevat geen informatie over de feitelijke woonsituatie van eiseres in de vier voorafgaande jaren aan de aanvraag, die in 2023 is gedaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Recht op gezinsleven</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring geen inbreuk maakt op het recht op gezinsleven van eiseres, beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eiseres heeft drie minderjarige kinderen, die momenteel bij haar ex-partner verblijven. Verweerder stelt dat de kinderen reeds onderdak hebben bij hun vader, en dat eiseres daarom geen urgent huisvestingsprobleem heeft. Dit miskent echter het</para>
        <para>fundamentele recht van eiseres om haar gezinsleven met haar kinderen vorm te</para>
        <para>geven in een eigen woning. Het huisvestingsprobleem van eiseres betreft de mogelijkheid om haar gezinsleven in stand te houden, een essentieel onderdeel van artikel 8 van het EVRM.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert.<footnote-ref linkend="_5d290e6f-d1a0-496e-84c7-a26b024e358d" /> De Afdeling heeft eerder overwogen dat artikel 8 van het EVRM als doel heeft het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven.<footnote-ref linkend="_e7c2657c-e73c-429f-8f63-760ce8ee6e93" /> Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieverklaring af te wijzen een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.<footnote-ref linkend="_e5e9ad25-3016-4028-b639-db7abb2b30ff" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de kinderen van eiseres bij haar ex-partner inwonen waardoor er geen sprake is van een gezin met kinderen dat dakloos is of dreigt te worden. Daarnaast heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is om zonder urgentieverklaring op enige wijze een gezinsleven met haar kinderen te hebben. Ook is verder niet gebleken van andere omstandigheden die leiden tot het oordeel dat eiseres zich onderscheidt van andere woningzoekenden. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder onder deze omstandigheden het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres om op de door haar gewenste wijze aan haar gezinsleven vorm te geven. De beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hardheidsclausule</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft volgens eiseres ten onrechte nagelaten de hardheidsclausule toe te passen. Hoewel verweerder stelt dat sprake moet zijn van een 'acuut levensbedreigend probleem', blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam<footnote-ref linkend="_3da8186e-08ac-49ad-bf8d-1c8796f547b1" /> dat ook ernstige sociale problematiek onder de reikwijdte van de hardheidsclausule kan vallen. Verweerder had volgens eiseres nader onderzoek moeten doen naar haar medische en sociale situatie. Bij eiseres is net als in genoemde uitspraak sprake van moeilijke persoonlijke omstandigheden, waaronder haar afhankelijkheid van haar ex-partner en haar huidige kwetsbare situatie. Deze</para>
        <para>omstandigheden maken volgens eiseres toepassing van de hardheidsclausule noodzakelijk.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring op grond van de hardheidsclausule moet sprake zijn uiterst bijzondere en schrijnende omstandigheden. Eiseres concretiseert niet waarom daarvan in haar geval sprake zou zijn. De door haar in algemene zin genoemde voormalige afhankelijkheidsrelatie en huidige kwetsbare woonsituatie zijn daarvoor onvoldoende. Niet in geschil is dat er bij eiseres geen sprake is van medische problemen. Ook anderszins is niet gebleken dat bij haar sprake is van schrijnende omstandigheden. Eiseres heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van dit standpunt. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de hardheidclausule buiten toepassing mocht laten. De beroepsgrond slaagt daarom niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Evenredigheidsbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiseres meent dat de gevolgen van de weigering van de urgentieverklaring voor haar 'onevenredig zwaar zijn'. Dit standpunt motiveert eiseres op dezelfde wijze als haar beroep op de hardheidsclausule, door te wijzen op haar afhankelijkheid van haar ex-partner en haar onvermogen om eerder zelfstandig actie te ondernemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De rechtbank is, met verweerder, van oordeel dat het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel om dezelfde redenen als overwogen onder 5.2. niet slaagt. Eiseres concretiseert niet waarom de gevolgen van het weigeren van de urgentieverklaring voor haar onevenredig zwaar zijn. Zij stelt enkel dat zij een vast contract heeft gekregen bij een hotel en dat zij alles doet om in aanmerking te komen voor een woning. Er zijn in Amsterdam echter vele woningzoekenden die al jarenlang op zoek zijn naar een zelfstandige woning en in soortgelijke omstandigheden verkeren. Gezien het voorgaande is niet gebleken dat de gevolgen van het weigeren van de urgentieverklaring voor eiseres onder de streep onredelijk bezwarend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Kinderrechtenverdrag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.	Tot slot wijst eiseres erop dat artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de</para>
        <para>Rechten van het Kind (IVRK) stelt dat kinderen recht hebben op regelmatige omgang met beide ouders, tenzij dit strijdig is met hun belang. Door eiseres geen huisvesting te geven, wordt de mogelijkheid tot omgang met haar kinderen beperkt, wat in strijd is met de rechten van haar kinderen. Verweerder is verplicht om rekening te houden met het belang van het kind in haar besluitvorming (artikel 3 van het IVRK).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt ten aanzien van artikel 3 van het IVRK voorop, dat dit artikel rechtstreekse werking heeft, in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. De hoogste bestuursrechter heeft dit herhaaldelijk bevestigd. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is, maar de rechtbank moet wel toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.<footnote-ref linkend="_0dff294a-a41b-4565-b42e-9a5212770ce5" /> Daarbij rust op verweerder op grond van artikel 9 van het IVRK ook de verplichting om te waarborgen, dat een kind niet zonder noodzaak wordt gescheiden van zijn of haar ouders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen van eiseres. Hierbij is van belang dat de kinderen onderdak hebben en bij de vader wonen in een zelfstandige woning. Zij wonen daar volgens de BRP al sinds de geboorte. Er is derhalve sprake van een stabiele woonsituatie. Tevens heeft eiseres omgang met haar kinderen. Weliswaar niet op de manier zoals zij dit zou willen maar dit maakt niet dat er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de kinderen. Van ernstige medische of sociale problemen bij de kinderen is niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. J.C.M. Schilder, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0b8db1e3-5002-4504-aa5a-8e5aa2707bcd" label="1">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2069.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd29561e-4332-4f0e-89cf-6b14035b20fe" label="2">
    <para> Artikel 2.10.5, eerste lid en onder i, van de Hvv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a30693ff-d983-45d7-b9f3-ddd143032701" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:2010.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d290e6f-d1a0-496e-84c7-a26b024e358d" label="4">
    <para> Zie het arrest Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 8 januari 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7c2657c-e73c-429f-8f63-760ce8ee6e93" label="5">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:328, meer recentelijk herhaald in de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:286.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5e9ad25-3016-4028-b639-db7abb2b30ff" label="6">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:412.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3da8186e-08ac-49ad-bf8d-1c8796f547b1" label="7">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2069.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0dff294a-a41b-4565-b42e-9a5212770ce5" label="8">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4285. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>