<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:1456</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-13T10:04:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/3808</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025060508</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1236</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1181</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1238</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2025/260 met annotatie van C.M. Dijkstra</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/35.27.47</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1456">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:1456</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T15:03:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:1456 Rechtbank Amsterdam , 04-03-2025 / 24/3808</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:1456:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Waterschapsbelasting. Artikel 131 WSW.  De heffingsambtenaar mag pas uitspraak op bezwaar doen als de WOZ-waarde onherroepelijk vaststaat. Als de heffingsambtenaar eerder uitspraak op bezwaar doet, moet die uitspraak worden vernietigd. Geen recht op PKV. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op haar kosten voor verleende beroepsmatige rechtsbijstand hebben gedrukt. De rechtbank weegt hierin mee dat de gemachtigde, mede-eigenaar is van het object en dat er onvoldoende duidelijkheid is over de betaling voor de geleverde services.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:1456:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 24/3808</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit Hamilton (Nieuw-Zeeland), eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Waternet, namens de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel Gooi en Vecht</emphasis>, de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Met een besluit van 20 december 2023 (de aanslag) heeft de heffingsambtenaar aan eiseres een aanslag waterschapsbelasting voor het jaar 2021 opgelegd op grond van een WOZ-waarde van € 527.000,- voor de woning [adres] [huisnummer] te Amsterdam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een uitspraak op het bezwaar van eiseres van 11 april 2024 (de bestreden uitspraak 1) is de heffingsambtenaar bij zijn standpunt gebleven, nu de verlaagde WOZ-waarde van € 480.000,- van het voornoemd object nog niet onherroepelijk vast is komen te staan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift toegestuurd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 31 juli 2024 heeft de heffingsambtenaar een herziene uitspraak op bezwaar genomen (de bestreden uitspraak 2). De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van de door eiseres aangevoerde informatie besloten om de heffingsgrondslag voor de aanslag voor het belastingjaar 2021 te verlagen naar € 480.000,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 27 januari 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres heeft hieraan deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J van Griethuysen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Wat aan deze procedure voorafging </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep tegen het bestreden besluit 1</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar hangende het beroep een herziene beslissing op het bezwaar heeft genomen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft het beroep van eiseres mede betrekking op deze herziene beslissing op bezwaar. </para>
    <para>3. Nu de heffingsambtenaar met de herziene uitspraak op bezwaar de bestreden uitspraak 1 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van de bestreden uitspraak 1. De rechtbank zal daarom het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal hieronder het beroep tegen de bestreden uitspraak 2 inhoudelijk beoordelen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep tegen het bestreden besluit 2 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiseres is (mede)eigenaar van de [adres] [huisnummer] te Amsterdam. </para>
    <para />
    <para>5. Voor het jaar 2021 was nog geen aanslag waterschapsbelasting aan haar opgelegd, aangezien het waterschap Amstel Vecht en Gooi het computersysteem heeft vernieuwd. Dit heeft langer geduurd dan verwacht. </para>
    <para />
    <para>6. Met het bestreden besluit 2 heeft de heffingsambtenaar naar aanleiding van de door eiseres aangevoerde informatie met betrekking tot de verlaging van de WOZ-waarde van de woning besloten om de heffingsgrondslag voor de aanslag voor het belastingjaar 2021 te verlagen naar € 480.000,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt eiseres </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat haar ingebrekestelling terecht is toegestuurd en dat zij recht heeft op een dwangsom. De heffingsambtenaar stelde zich in het bestreden besluit 1 namelijk eerst op het standpunt dat hij niet mocht besluiten en heeft dit met het bestreden besluit 2 uiteindelijk wel gedaan. Daarnaast is eiseres van mening dat de heffingsambtenaar geen aanslag had mogen opleggen, nu de WOZ-waarde van de woning nog niet onherroepelijk is vast komen te staan. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>8. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag terecht en voor het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.</para>
    <para />
    <para>9. De heffingsambtenaar mag een aanslag (een watersysteemheffing) opleggen aan degene die aan het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld.<footnote-ref linkend="_8339db83-89ab-4f74-8840-5e8e0c2d0dbc" /> Eiseres is (mede)eigenaar van het object en dus is de aanslag terecht aan haar opgelegd. Rest de rechtbank nu de vraag of deze aanslag voor het juiste bedrag is opgelegd. </para>
    <para />
    <para>10. Uit artikel 131 Wsw volgt dat: “indien bezwaar wordt gemaakt zowel tegen een belastingaanslag in de heffing ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als tegen een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking welke ten grondslag heeft gelegen aan die belastingaanslag, vangt, ingeval feiten en omstandigheden in het geding zijn die van belang zijn zowel voor de heffing ter zake van een gebouwde of ongebouwde onroerende zaak als voor de vaststelling van de waarde op de voet van genoemd hoofdstuk IV, de termijn waarbinnen de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap uitspraak doet op het eerstbedoelde bezwaar aan, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op het tijdstip waarop de op de voet van genoemd hoofdstuk IV gegeven beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.”</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Uit artikel 121, eerste lid, onder d, van de Wsw volgt dat voor de watersysteemheffing ter zake van gebouwde onroerende zaken als heffingsmaatstaf geldt de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (de WOZ-waarde). De WOZ-waarde wordt vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente. Bezwaren tegen de vastgestelde WOZ-waarde moeten worden ingediend bij de heffingsambtenaar van de gemeente.</para>
    <para />
    <para>12. De heffingsambtenaar van het waterschap is dus afnemer van de WOZ-waardegegevens. Dit houdt in dat hij enerzijds gebonden is aan een WOZ-beschikking van de gemeente, maar anderzijds lijdelijk is met betrekking tot de totstandkoming daarvan.<footnote-ref linkend="_266922eb-9b79-46fa-a11f-88f0a55bfb95" /> Dat heeft onder meer tot gevolg dat, als een belanghebbende bezwaar maakt tegen zowel de aanslag waterschapsbelasting als de daaraan ten grondslag liggende WOZ-waarde, de termijn voor de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting van rechtswege wordt opgeschort totdat de WOZ-waardebeschikking onherroepelijk is komen vast te staan.<footnote-ref linkend="_f8213877-ebd1-4b3a-a2d6-17a17a3b9e19" /></para>
    <para />
    <para>13. De Hoge Raad<footnote-ref linkend="_d8bb043f-84a9-49b8-89e5-b50ffd525ae1" /> heeft uitgemaakt dat de heffingsambtenaar in dat geval pas uitspraak op het bezwaar mag doen als de WOZ-waarde onherroepelijk vaststaat. Als de heffingsambtenaar eerder uitspraak op bezwaar doet, moet die uitspraak worden vernietigd: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Artikel 131 van de Waterschapswet strekt ertoe te voorkomen dat afzonderlijke procedures bij de belastingrechter worden gevoerd over feiten en omstandigheden die van belang zijn voor zowel de heffing van de waterschapsomslag als voor de vaststelling van de WOZ-w aarde (Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 21 en 22 en blz. 26 en 27). </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In overeenstemming met die strekking moet het artikel aldus worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige, waarin zowel bezwaar is gemaakt tegen een WOZ-beschikking als tegen een aanslag in de waterschapsomslag betreffende de onroerende zaak waarop die beschikking betrekking heeft, op het laatstbedoelde bezwaar eerst uitspraak mag worden gedaan nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan (vgl. HR 28 juni 2002, nr. 36957, LJN AE4722, BNB 2002/305).</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Indien de heffingsambtenaar met betrekking tot de waterschapsomslag uitspraak op bezwaar doet voordat de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat, dient die uitspraak te worden vernietigd, en dient de heffingsambtenaar te wachten met het doen van uitspraak totdat de WOZ-beschikking wel onherroepelijk vaststaat.”</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_c9f14d58-baec-4cb5-ab94-d1c994b086d9" />
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Uit het bovenstaande volgt dat de heffingsambtenaar pas als de verlaging van de WOZ-waarde vaststaat (en dus onherroepelijk is) de verlaging van de waterschapsbelasting mag doorvoeren. De heffingsambtenaar mocht op 31 juli 2024 daarom nog geen beslissing nemen. Dit betekent ook dat de door eiseres toegestuurde ingebrekestelling prematuur is verstuurd en er geen is aanleiding om een dwangsom op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>15. De rechtbank merkt hierbij wel op, dat zij in het dossier terugziet dat de heffingsambtenaar enkel de WOZ-waarde heeft verlaagd omdat eiseres hier (meermaals) om gevraagd heeft. De heffingsambtenaar was dit weliswaar niet verplicht (en mocht dit gezien artikel 131 Wsw niet), maar heeft coulance halve toch besloten om, vooruitlopend op het onherroepelijk worden van de verlaagde WOZ-waarde, bestreden besluit 2 te nemen. De rechtbank vindt het flauw dat eiseres er vervolgens voor kiest om deze service, waar zij zelf op heeft aangestuurd, de heffingsambtenaar tegen te werpen. Echter, strikt genomen heeft de heffingsambtenaar hangende het beroep een nieuw besluit genomen waarin hij de aanslag heeft verlaagd. Dit had de heffingsambtenaar niet mogen doen, waardoor de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en het bestreden besluit 2 zal vernietigen.</para>
    <para />
    <para>16. Gelet op de omstandigheid dat onbetwist is dat de WOZ-waarde inderdaad is verlaagd naar € 480.000,- en er volgens eiseres geen andere procedures tegen die waarde lopen, lijkt het mogelijk te liggen aan een fout in het systeem tussen de verschillende heffingsambtenaren dat de WOZ-waarde na al die tijd nog niet op onherroepelijk is vastgesteld. Gelet op de onbetwistheid van de WOZ-waarde, is het daarom een kwestie van tijd voor de heffingsambtenaar alsnog een besluit gelijkluidend aan het bestreden besluit 2 zal nemen. De rechtbank acht het dan ook niet opportuun om het bestreden besluit 2 kaal te vernietigen; dat levert op den duur immers alleen maar weer een nieuwe procedure op. Om die reden en het feit dat de aanslag waterschapsbelasting op basis van de WOZ-waarde van € 480.000,-. verder niet ter discussie staat, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand laten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>17. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat dit besluit niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit 2 vernietigen, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten.</para>
    <para />
    <para>18. De heffingsambtenaar moet het griffierecht aan eiseres vergoeden, omdat er een herziene beslissing op bezwaar is genomen. </para>
    <para />
    <para>19. De gemachtigde van eiseres heeft ook gevraagd om een vergoeding van proceskosten. De rechtbank zal daarom ambtshalve beoordelen of er recht bestaat op vergoeding van kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand<footnote-ref linkend="_a05a08e0-2af4-4d56-b552-9ea7361230a2" /> in verband met het optreden van de gemachtigde. </para>
    <para />
    <para>20. Op grond artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het Bpb kan aan een belanghebbende een vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en (hoger)beroepsfase worden toegekend, indien op belanghebbende een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand te voldoen. Daaraan staat niet in de weg dat de verleende rechtsbijstand op basis van ‘no cure, no pay’ wordt verleend.<footnote-ref linkend="_63944818-bcb7-4ee0-8a4d-aca51086c78e" /></para>
    <para />
    <para>21. Indien eiseres in aanmerking wenst te komen voor een vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat zij aannemelijk maakt dat de aan haar verleende rechtsbijstand beroepsmatig is verleend en dat de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op haar drukken, hebben gedrukt of zullen drukken.<footnote-ref linkend="_7170d6d1-449e-4a56-a599-ba696767e3ea" /></para>
    <para />
    <para>22. Eiseres is daar naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Zij weegt hierbij mee dat de gemachtigde de broer is van eiseres. Volgens vaste jurisprudentie<footnote-ref linkend="_625b9bd9-a73b-4f1e-9814-8e5c8c7210f1" /> staat een familierelatie niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg. De rechtbank ziet dit in onderhavig geval anders, nu de gemachtigde, zoals hij heeft verklaard op de zitting, ook mede-eigenaar is van het object. De opgelegde aanslag waterschapsbelasting ziet daarom mede op de gemachtigde. Hij heeft dus zelf ook belang bij deze procedure. Daarnaast volgt uit de overlegde machtiging niets over de betaling voor geleverde diensten. De gemachtigde heeft verklaard dit te doen op no cure no pay basis. Hij stelt dat hij voor de verleende diensten gewoon wordt betaald, zoals volgt uit de machtiging. Echter volgt uit punt 7 van de machtiging enkel dat de vergoeding van immateriële schade, proceskosten, verbeurde dwangsommen en/of (betaald) griffierecht op de rekening van gemachtigde mag worden gestort. Er wordt nergens in de machtiging over de daadwerkelijke betaling gerept. Het is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat hieromtrent een overeenkomst of iets dergelijks bestaat. De gemachtigde heeft de rechtbank op dit moment onvoldoende duidelijkheid en waarborgen gegeven over de gang van zaken. Zij wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten dan ook af, aangezien zij de gemachtigde voor onderhavige zaak niet als professioneel rechtsbijstandverlener kan aanmerken. </para>
    <para />
    <para>23. De rechtbank wenst ten slotte op te merken dat dit er niet aan af doet dat de gemachtigde voor sommige cliënten wel degelijk als professioneel rechtsbijstandsverlener kan worden aangemerkt, enkel in dit specifieke geval niet. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit 2;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 2 in stand blijven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. F. van der Maas, griffier. </para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8339db83-89ab-4f74-8840-5e8e0c2d0dbc" label="1">
    <para> Zie artikel 117 Waterschapswet (Wsw) en Verordening Watersysteem Amstel, Gooi en Vecht 2020. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_266922eb-9b79-46fa-a11f-88f0a55bfb95" label="2">
    <para> Kamerstukken II, 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8213877-ebd1-4b3a-a2d6-17a17a3b9e19" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 131 Wsw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8bb043f-84a9-49b8-89e5-b50ffd525ae1" label="4">
    <para> ECLI:NL:HR:2010:BO0411. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9f14d58-baec-4cb5-ab94-d1c994b086d9" label="5">
    <para> Zie de uitspraak HR 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0411, overweging 3.3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a05a08e0-2af4-4d56-b552-9ea7361230a2" label="6">
    <para> Artikel 1 onder a Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63944818-bcb7-4ee0-8a4d-aca51086c78e" label="7">
    <para> HR 7 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6841.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7170d6d1-449e-4a56-a599-ba696767e3ea" label="8">
    <para> Zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDA:2024:2028. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_625b9bd9-a73b-4f1e-9814-8e5c8c7210f1" label="9">
    <para> HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531 en HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1313. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>