<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:11466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-15T13:42:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/763052 HA ZA 25-29</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11466">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11466</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-10T13:59:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:11466 Rechtbank Amsterdam , 18-12-2025 / C/13/763052 HA ZA 25-29</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:11466:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om voorlopig getuigenverhoor afgewezen; onvoldoende belang bij verzoek; verzoek is onvoldoende bepaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:11466:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Amsterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: C/13/763052 / HA RK 25-29</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 18 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BUNQ B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in Amsterdam,</para>
      <para>verzoekende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: Bunq,</para>
      <para>advocaat: mr. Chr.A. Alberdingk Thijm,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder 1]
        </emphasis>, </para>
      <para>wonend in [woonplaats] ,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: [verweerder 1] ,</para>
      <para>advocaat: mr. C.W. Simonis,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">MEDIAHUIS NRC B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in Amsterdam,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: NRC,</para>
      <para>advocaat: mr. J.P. van den Brink.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 22 januari 2025,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail van namens [verweerder 1] van 26 februari 2025,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de beschikking van 13 maart 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail met bijlage namens Bunq van 18 april 2025,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail namens Bunq van 6 mei 2025,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging aanvullende producties van Bunq, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift met bijlagen van [verweerder 1] ,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 13 mei 2025 en de daarin genoemde stukken,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail met bijlage van NRC van 2 juli 2025,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail van de rechtbank van 9 juli 2025 waarin NRC als belanghebbende wordt aangemerkt,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail met bijlage van Bunq van 24 juli 2025,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de e-mail van de griffier van 31 juli 2025, waarin staat dat de rechtbank blijft bij de beslissing dat NRC belanghebbende is,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de beschikking van 4 september 2025 waarin een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 16 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bunq is een Nederlandse fintech bank. Bunq staat onder toezicht van DNB en de AFM.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [verweerder 1] heeft van 14 september 2020 tot eind februari 2021 voor Bunq gewerkt als <emphasis role="italic">[naam functie]</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>NRC is uitgever van diverse journalistieke media, waaronder dagblad NRC en nrc.nl. Op [datum 1] 2023 is een artikel in het NRC geplaatst met de kop “<emphasis role="italic">[naam] [krantenkop 1] ”</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op [datum 1] 2023 heeft [verweerder 1] de volgende berichten op [social media] geplaatst:</para>
      <para>-	<emphasis role="italic">“Duurde nog lang voor iemand een poging heeft gedaan om iets enigszins kritisch te schrijven over bunq…”,</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	“Dat niets bij bunq gebeurt zonder dat [naam] er een “ack” op geeft en alle oud werknemers bang zijn voor het schenden van hun NDA, zegt je alles over hoe “onpersoonlijk” [naam] z’n feedback precies is.”,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	“Burn it to the fucking ground.”.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij e-mail van 20 juni 2024 heeft de voormalig advocaat van Bunq, mr. J.L.R. Kenens, [verweerder 1] namens Bunq bericht dat hij zijn NDA (<emphasis role="italic">non-disclosure agreement</emphasis>) heeft geschonden en dat Bunq schade ondervindt van zijn uitlatingen van [datum 1] 2023 op [social media] . Mr. Kenens heeft [verweerder 1] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 21 juni 2024 schoon schip te maken. Als [verweerder 1] toe zou geven vertrouwelijke informatie te hebben gedeeld met derden en zou laten weten welke informatie hij met wie had gedeeld, zou Bunq hem niet als getuige oproepen en zou worden afgezien van het opleggen van een boete. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op [datum 2] 2024 is een artikel in het NRC geplaatst met de kop <emphasis role="italic">“ [krantenkop 2] ”</emphasis> (hierna het artikel). In het artikel wordt geschreven over “rekening gluren” door medewerkers van Bunq, het beleid op dat punt van, de uitvoering daarvan door Bunq en de mate waarin medewerkers toegang hadden tot klantgegevens. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Naar aanleiding van het artikel heeft Bunq NRC in kort geding gedagvaard. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Bunq bij vonnis van 23 juli 2024 afgewezen.<footnote-ref linkend="_7046aa2e-d655-4f4a-829e-215323e086e2" /> Bunq is van het vonnis in hoger beroep gegaan maar heeft dat daarna ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>In augustus, september en december 2024 heeft Bunq, via haar advocaat en een ingeschakeld recherchebureau, contact gezocht met [verweerder 1] over een te houden interview, vragen over rekening gluren en het delen van vertrouwelijke informatie met derden en het voornemen tot het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. [verweerder 1] heeft de vragen per e-mail grotendeels ontkennend beantwoord en gezegd dat en waarom hij niet op de uitnodiging voor het interview zal ingaan. Op een verzoek van Bunq tot het afleggen van een verklaring onder ede ten overstaan van een notaris is [verweerder 1] niet ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het verzoek van Bunq strekt tot het horen van [verweerder 1] in een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bunq wil [verweerder 1] horen in verband met mogelijk onbevoegd ‘rekening gluren’ en schenden van zijn geheimhoudingsverplichtingen. Dit is in strijd met nationale wetgeving, contractuele geheimhoudingsbepalingen en interne regelgeving. Bunq baseert haar vermoedens onder meer op het artikel waarin wordt verwezen naar vier anonieme (ex)medewerkers die zich jaren geleden schuldig hebben gemaakt aan rekening gluren. Nader intern onderzoek door Bunq heeft geleid tot het vermoeden van 24 gevallen van het inzien van rekeningen van klanten door [verweerder 1] zonder dat Bunq hiervoor een werk gerelateerde aanleiding heeft kunnen vinden. Bunq heeft [verweerder 1] herhaaldelijk gevraagd om nadere inlichtingen te verstrekken over zijn handelwijze, maar [verweerder 1] heeft geen medewerking willen verlenen. Bunq wil met het voorlopig getuigenverhoor uitvinden in welke mate het rekening gluren of lekken van vertrouwelijke informatie plaatsvindt bij (oud-)werknemers en informatie verkrijgen over mogelijke incidenten. Een integere bedrijfsvoering en dus het tegengaan van misbruik is voor Bunq van groot belang. Het delen van vertrouwelijke informatie met derden levert een schending op van de arbeidsovereenkomst en NDA, op grond waarvan [verweerder 1] contractuele boetes verschuldigd is en een schadevergoedingsplicht ontstaat. Afhankelijk van de uitkomst van het voorlopige getuigenverhoor zal Bunq een geding aanhangig maken op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad. Voor een tuchtrechtelijke procedure is de verdenking jegens [verweerder 1] te licht. Bunq wil weten of [verweerder 1] zich schuldig heeft gemaakt aan rekening gluren en het lekken van vertrouwelijke informatie en of hij zich bewust is dat dit soort handelingen in strijd zijn met de wet en de afspraken tussen Bunq en [verweerder 1] . Daarnaast wil Bunq ook weten of [verweerder 1] op de hoogte is van andere (oud)werknemers die zich aan deze handelingen schuldig hebben gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [verweerder 1] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. [verweerder 1] voert aan dat Bunq geen bewijs heeft geleverd van het veronderstelde rekening gluren of lekken van vertrouwelijke gegevens. [verweerder 1] ontkent betrokken te zijn bij beide handelingen. Ook wordt niet duidelijk om welke vertrouwelijke gegevens het zou gaan. Bunq maakt misbruik van haar bevoegdheid, omdat het verzoek kennelijk bedoeld is om zijn recht van meningsuiting te beperken. Het verzoek heeft de kenmerken van een fishing expedition en moet ook daarom worden afgewezen. Bovendien heeft Bunq geen belang bij haar verzoek, omdat [verweerder 1] haar vragen al heeft beantwoord en zij het rekening gluren door [verweerder 1] al heeft vastgesteld aan de hand van haar eigen gegevens. Een verhoor voegt dus niets toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Ook NRC verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij wijst erop dat Bunq haar pijlen op NRC gericht heeft, zoals blijkt uit de kort geding procedure die zij tegen NRC heeft aangespannen. Bunq sorteert mogelijk voor op een bodemprocedure tegen NRC. NRC blijft Bunq en haar grootaandeelhouder [naam] volgen en heeft er belang bij dat haar bronnen niet opdrogen. Bunq heeft onvoldoende belang bij het horen van [verweerder 1] . Uit het verzoekschrift blijkt dat Bunq ruim voldoende informatie heeft om een procedure te starten. Bovendien is het verzoek onvoldoende bepaald. Het lijkt ook een ander doel te hebben. Het verzoek om [verweerder 1] te horen staat niet op zich. Bunq heeft ook andere personen uit het NRC-artikel en personen waarvan Bunq denkt dat zij daarvoor als bron hebben gefungeerd onder druk gezet en bedreigd met schadeclaims. NRC weet van in ieder geval drie personen ten aanzien van wie een getuigenverhoor is verzocht. Bunq wil een signaal afgeven aan iedereen die overweegt om mee te werken aan kritische publicaties over Bunq: laat het uit je hoofd. Het verzoek moet worden afgewezen met toepassing van de anti-SLAPP richtlijn; die beoogt het tegengaan van publieke participatie van mensen, bijvoorbeeld door bij te dragen aan kritische publicaties over onderwerpen van algemeen belang, te bestrijden. Ook toepassing van artikel 10 EVRM zou volgens NRC moeten leiden tot afwijzing van het verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht ingetreden, waarbij de bepalingen over voorlopige bewijsverrichtingen, waaronder het voorlopig getuigenverhoor, zijn veranderd. Omdat het verzoek van Bunq daarna is ingediend, wordt haar verzoek aan deze nieuwe bepalingen getoetst. Volgens de parlementaire geschiedenis van de nieuwe wet gelden de toewijzingscriteria die vóór 1 januari 2025 voor de afzonderlijke voorlopige bewijsverrichtingen golden ook na de wetswijziging.<footnote-ref linkend="_dd3b90bf-3b45-4e66-b3e0-1c805f2dc4b5" /> De rechtspraak van vóór 1 januari 2025 over de toewijzingscriteria is dus ook ongewijzigd van toepassing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Op grond van artikel 196 Rv kan de rechter voordat een zaak of het geding aanhangig is gemaakt op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten voor een dergelijk verzoek staan in artikel 197 Rv. Als het verzoek aan de formele vereisten van artikel 197 Rv voldoet, moet de rechter het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting toewijzen, tenzij sprake is van een of meer van de in artikel 196 lid 2 Rv genoemde afwijzingsgronden. Deze afwijzingsgronden zijn: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de informatie die verlangd wordt, is niet voldoende bepaald, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er bestaat onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen is in strijd met de goede procesorde, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er is sprake van misbruik van bevoegdheid of  </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>andere gewichtige redenen verzetten zich tegen de voorlopige bewijsverrichting. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Deze vijf afwijzingsgronden zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn.<footnote-ref linkend="_bc45c480-3288-4471-ac1c-8d792f043f23" /></para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het verzoekschrift voldoet aan de vereisten van artikel 197 Rv. Beoordeeld moet dus worden of sprake is van een of meer afwijzingsgronden. De rechtbank oordeelt dat dat het geval is en wijst het verzoek van Bunq af. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Een voorlopig getuigenverhoor is bedoeld om bewijs te vergaren voor een eventueel te voeren gerechtelijke procedure; om de bewijspositie in een mogelijk te voeren procedure te bepalen en zo te bepalen of het zinvol is een procedure te starten. Het verbeteren van interne werkprocessen bij Bunq en het aan de buitenwacht laten zien dat Bunq maatregelen treft, is geen rechtens te respecteren belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Bunq kan voor die doelen andere, buitengerechtelijke, middelen inzetten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De vragen over andere (oud)werknemers en mogelijke incidenten zijn onvoldoende concreet. Bunq heeft geen aanknopingspunten gegeven voor deze mogelijke andere incidenten en de wetenschap van [verweerder 1] daarover, waardoor deze lijn van vragen een fishing expedition is. Daar is het voorlopig getuigenverhoor niet voor bedoeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Hetzelfde geldt voor de vragen over het mogelijke lekken van informatie. Voor de betrokkenheid van [verweerder 1] hierbij kan de rechtbank in het kader van deze procedure niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een eventueel getuigenverhoor. Maar voor het toewijzen van een verzoek tot voorlopig getuigenverhoor moeten er wel voldoende feitelijke aanknopingspunten zijn om vragen over te stellen. Daarvoor is in dit geval een begin van aannemelijkheid van betrokkenheid [verweerder 1] bij het lekken van vertrouwelijke informatie nodig, en dat begin heeft Bunq niet gegeven. Bunq heeft geen concrete feitelijke aanknopingspunten naar voren gebracht die maken dat dit vermoeden gerechtvaardigd is. De berichten van [verweerder 1] op [social media] , in reactie op het NRC artikel uit 2023 en een jaar vóór het NRC artikel uit 2024, zijn daarvoor onvoldoende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Voor de resterende vragen over de betrokkenheid van [verweerder 1] zelf bij het rekening gluren heeft Bunq haar belang onvoldoende onderbouwd. Ook hier kan de rechtbank niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een voorlopig getuigenverhoor maar hebben [verweerder 1] en NRC terecht de vraag opgeworpen wat een getuigenverhoor op dit punt kan toevoegen aan de informatie die Bunq zelf al heeft verzameld. Bunq heeft kennelijk harde data (logs) waaruit volgt dat en wanneer [verweerder 1] rekeningen van klanten heeft ingezien en kan kennelijk zelf nagaan of er voor [verweerder 1] uit hoofde van zijn werk aanleiding was die rekeningen in te zien. [verweerder 1] heeft verklaard de rekeninghouders niet te kennen en ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan rekening gluren. Op basis van deze gegevens zou Bunq een redelijke inschatting van haar proceskansen moeten kunnen maken. Bunq heeft onvoldoende toegelicht wat [verweerder 1] op het punt van rekening gluren nog kan verklaren, gezien de omstandigheid dat Bunq hem hierover pas meer dan drie jaar na einde dienstverband heeft benaderd. Bunq heeft gelet op de verweren van [verweerder 1] en NRC, de door hen geschetste andere belangen die Bunq mogelijk bij het verzoek zou hebben en het oordeel van de rechtbank hiervoor onder 4.4 t/m 4.6, onvoldoende onderbouwd wat haar (rechtens te respecteren) belang op dit moment nog is bij het horen van [verweerder 1] op dit punt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het verzoek van Bunq wordt afgewezen omdat Bunq onvoldoende belang heeft bij haar verzoek en haar verzoek onvoldoende bepaald is. De verdere verweren van [verweerder 1] en NRC hoeven daarom niet meer besproken te worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Bunq is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [verweerder 1] en NRC betalen. De proceskosten van [verweerder 1] worden tot nu begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>331,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.535,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2,5 punten × € 614,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>2.044,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>De proceskosten van NRC worden tot nu begroot op:</para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>614,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(1 punt × € 614,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>792,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst het verzochte af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt Bunq in de proceskosten van [verweerder 1] van € 2.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt Bunq in de proceskosten van NRC van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Bunq niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.3. uitvoerbaar bij voorraad. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. P.S. van Gelein Vitringa als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_7046aa2e-d655-4f4a-829e-215323e086e2" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:4479.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd3b90bf-3b45-4e66-b3e0-1c805f2dc4b5" label="2">
    <para> Kamerstukken II 2020, 35498, nr. 3. MvT, paragraaf 8. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc45c480-3288-4471-ac1c-8d792f043f23" label="3">
    <para> Zie vorige voetnoot.		</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>