<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:11365</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T14:10:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/316212-23 (A) en 13/147181-23 (B)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11365">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11365</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T14:09:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:11365 Rechtbank Amsterdam , 21-05-2025 / 13/316212-23 (A) en 13/147181-23 (B)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:11365:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Het gaat om twee zeer ernstige mishandelingen waarbij verdachte zonder duidelijke aanloop en schijnbaar uit het niets heftig en tamelijk zinloos geweld heeft toegepast. Beide slachtoffers hebben permanent letsel overgehouden, wat hen nog dagelijks herinnert aan de mishandelingen. Eén van de slachtoffers is mindervalide en is voor haar mobiliteit afhankelijk van haar scootmobiel, wat heeft bijgedragen aan haar gevoelens van machteloosheid ten tijde van en na de mishandeling. Het andere slachtoffer werd mishandeld in het bijzijn van haar destijds tweejarige zoontje dat in de bakfiets zat op het moment dat verdachte haar aanviel. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:11365:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="b534efbe-0418-4bb3-8ae9-da5f7dd89a10" depth="16" width="551" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummers: 13/316212-23 (zaak A) en 13/147181-23 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 21 mei 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres</para>
      <para>
        [adres] van  </para>
      <para>het [detentieadres 2] , waar hij thans gedetineerd is.</para>
      <para>hierna: verdachte. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J. Smilde en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zaak A</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">primair:</emphasis>	poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] op 27 februari 2023 te Amsterdam, </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">subsidiair:</emphasis> zware mishandeling, </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">meer subsidiair:</emphasis> poging zware mishandeling, </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">meest subsidiair:</emphasis> mishandeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zaak B</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mishandeling van [benadeelde partij 2] op 16 juni 2023 te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlasteleggingen zijn op zitting gewijzigd. De volledige tekst van de tenlasteleggingen zijn opgenomen in <emphasis role="bold">bijlage 1</emphasis> die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Voorvragen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft in zaak A verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Er is door verdachte twee keer geslagen met een kettingslot, maar daar hing geen zwaar hangslot of iets dergelijks aan en verdachte stopte ook na twee keer te hebben geslagen. Dat levert geen opzet op het doden van aangeefster [benadeelde partij 1] op, ook niet in voorwaardelijke zin. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het in zaak A subsidiair ten laste gelegde kan volgens de officier van justitie worden bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte, de camerabeelden, de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2], de medische verklaringen en berichten over langdurige en zelfs permanente gevolgen voor aangeefster. Gelet op deze stukken is de officier van justitie van mening dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan aangeefster.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook het ten laste gelegde in zaak B kan volgens de officier van justitie worden bewezen op basis van de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte, de verklaring van  getuige [getuige 3] en de foto’s van het letsel van aangeefster [benadeelde partij 2] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft in zaak A vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde, nu geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangeefster [benadeelde partij 1] . Er kan niet worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood. Voor zover die aanmerkelijke kans wel heeft bestaan, heeft verdachte die niet aanvaard. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ook van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman is niet komen vast te staan dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Er bevindt zich in het dossier namelijk geen officiële letselverklaring. Daarnaast is de foto van het litteken in het dossier onduidelijk en is niet bekend of de foto wel van aangeefster is. Verder kan niet worden vastgesteld dat dit daadwerkelijk een (blijvend) litteken is en dat het afkomstig is van de klap.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wel bewezen kan worden, gelet op de camerabeelden en het letsel van aangeefster.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft in zaak B geen bewijsverweren gevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Feiten en omstandigheden  </emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.<footnote-ref linkend="_2afd2723-886d-40c3-ac0d-1468a301f0b3" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Zaak A</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 27 februari 2023 zijn verdachte en aangeefster [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), elkaar tegengekomen op de Blasiusstraat, ter hoogte van de kruising met de Wibautstraat, te Amsterdam. [benadeelde partij 1] reed daar in een scootmobiel.<footnote-ref linkend="_b17554b7-664b-42c1-b867-bd7a1427eb06" /> Verdachte was op dat moment bezig zijn fiets van het slot te halen.<footnote-ref linkend="_ce2c2f7b-9382-4d2d-93db-59c512455fc7" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft ter terechtzitting de camerabeelden getoond en waargenomen dat op die camerabeelden is te zien dat [benadeelde partij 1] aan komt rijden in een scootmobiel, stil staat en met iemand communiceert. Verdachte heeft verklaard dat hij met [benadeelde partij 1] heeft gesproken en dat hij zichzelf op de camerabeelden herkent.<footnote-ref linkend="_c5ff19b2-c079-45ec-a71e-11dc4cec4111" /> Verder is op de camerabeelden te zien dat verdachte tijdens het gesprek een ijzeren kettingslot in zijn rechterhand vasthoudt. Verdachte toont het kettingslot en begint ermee te zwaaien. Vervolgens is te zien dat verdachte wegloopt, waarna [benadeelde partij 1] een stuk achteruit rijdt. Er ontstaat een woordenwisseling. Verdachte loopt terug naar [benadeelde partij 1] en maakt  twee keer een slaande beweging met het kettingslot richting [benadeelde partij 1] . Daarbij raakt verdachte [benadeelde partij 1] één keer in het gezicht en één keer op het achterhoofd. Verdachte pakt vervolgens zijn fiets en gaat weg.<footnote-ref linkend="_3b35fb8d-ec85-4173-8aea-1422f404b16f" /> Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij [benadeelde partij 1] twee keer heeft geslagen met een kettingslot.<footnote-ref linkend="_ad7834a1-9450-40aa-970f-db9f62ad37f7" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            [benadeelde partij 1] heeft als gevolg van de klap letsel in haar gezicht opgelopen.<footnote-ref linkend="_454a88f0-0d57-4b0f-bd63-dc859fe198c2" /> Zij heeft in verband daarmee op 27 februari 2023 de afdeling Spoedeisende Hulp van het OLVG te Amsterdam bezocht. Uit het onderzoek dat daar is gedaan blijkt dat bij [benadeelde partij 1] , onder andere, sprake was van een laceratie (scheur in de huid) van 5-6 cm lang. Deze laceratie bevond zich 3 cm boven de linker wenkbrauw. Deze wond is gespoeld en gelijmd.<footnote-ref linkend="_0673bab6-5f95-48eb-b1c0-c34b15877e2b" /> [benadeelde partij 1] heeft hier een blijvend litteken aan over gehouden.<footnote-ref linkend="_014b0f77-af83-4c13-84bb-4a3c96d419ad" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Zaak B</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 16 juni 2023 fietste aangeefster [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ), op de Wibautstraat te Amsterdam over het fietspad in de richting van het Prins Bernhardplein. Op het fietspad kwam zij verdachte tegen, die daar ook fietste.<footnote-ref linkend="_a20d5f2c-692f-4aad-8cd0-72976afe17dd" /> Vervolgens is er iets gebeurd op het fietspad – de rechtbank kan niet vaststellen wat precies – waardoor [benadeelde partij 2] en verdachte enkele woorden wisselden. Verdachte en [benadeelde partij 2] hebben allebei verklaard dat verdachte [benadeelde partij 2] daarna is gevolgd tot voor haar woning, waarna verdachte [benadeelde partij 2] vervolgens een klap in het gezicht heeft gegeven.<footnote-ref linkend="_649fe239-ca36-4bf1-aa6c-62792aeca774" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Na het incident is [benadeelde partij 2] last blijven houden van haar neus en oog. De KNO-arts constateerde scheefstand van de neus en een neusfractuur. De arts heeft de neus recht moeten zetten.<footnote-ref linkend="_d45e17ab-6509-450a-9a18-a50393f52786" /> Daarnaast heeft [benadeelde partij 2] letsel opgelopen aan haar linkeroog als gevolg waarvan zij last heeft gekregen van dubbelzien bij kijken in de uiterste blikrichting. [benadeelde partij 2] is behandeld door een orthoptist, die twee maanden na het incident heeft geconcludeerd dat het dubbelzien wat over is gebleven waarschijnlijk aanwezig blijft.<footnote-ref linkend="_6de29f1f-0fa4-4cde-9945-217a105404e7" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Vrijspraak van het in zaak A primair ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat niet bewezen kan worden wat in zaak A primair ten laste is gelegd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank overweegt daarbij het volgende. Het enkele twee keer slaan met een kettingslot op het hoofd levert naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood op. Uit het dossier is verder niets gebleken over bijvoorbeeld het gewicht van het kettingslot, wat mogelijk tot een ander oordeel had kunnen leiden. Dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het intreden van de dood heeft gehad, is dan ook niet vast komen te staan. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel over het in zaak A subsidiair ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat hetgeen in zaak A subsidiair ten laste is gelegd kan worden bewezen, omdat uit de in rubriek 4.3.1 genoemde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte twee keer opzettelijk met het kettingslot tegen het gezicht en hoofd heeft geslagen, als gevolg waarvan [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank licht dit toe. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bevat een niet limitatief bedoelde opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter de vrijheid om ook buiten die genoemde gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen, wanneer dat letsel voldoende ernstig is, om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij dient de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel te worden betrokken.<footnote-ref linkend="_0816b309-ff76-4ebd-8ba7-32df5f3ec435" /> In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.<footnote-ref linkend="_e9b2081f-bb65-4202-8519-cdef7e627a08" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            [benadeelde partij 1] heeft aan het letsel een blijvend litteken op haar voorhoofd overgehouden, zo blijkt uit de medische stukken, de verklaring van aangeefster en de foto die door haar is overgelegd. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat deze foto niet van aangeefster afkomstig zou zijn, zoals de raadsman heeft betoogd. Gelet op de plaats en de lengte van het litteken, waarvan aannemelijk is dat die even lang is als de oorspronkelijke wond (5-6 cm), is naar oordeel van de rechtbank sprake van een dermate ontsierend litteken dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte door met een kettingslot in het gezicht en op het achterhoofd te slaan naar de uiterlijke verschijningsvorm willens en wetens het zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Op de camerabeelden heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte eerst wegloopt, waarna hij terugkomt en vol uithaalt richting het gezicht en het hoofd van [benadeelde partij 1] . Verdachte heeft weliswaar gesteld dat hij op de arm en op de rug van aangeefster heeft geslagen, maar zijn verklaring komt niet overeen met de waarneming op de camerabeelden. Daarop is namelijk te zien dat het kettingslot bij de eerste slag langs de arm van [benadeelde partij 1] gaat en in haar gezicht terechtkomt, terwijl het kettingslot bij de twee slag op haar achterhoofd terechtkomt. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel over het in zaak B ten laste gelegde</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte aangeefster [benadeelde partij 2] in haar gezicht heeft geslagen, op basis van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van [benadeelde partij 2] . </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zaak A</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op 27 februari 2023 te Amsterdam, aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een ontsierend blijvend litteken in het gelaat, heeft toegebracht door die [benadeelde partij 1] meermalen, met een kettingslot, in/op/tegen het</para>
      <para>gezicht en hoofd, te slaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zaak B</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op 16 juni 2023 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafbaarheid van de feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>8</nr>Motivering van de straf en maatregel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eis van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tbs met dwangverpleging zou een passende maatregel zijn omdat de bewezen geachte feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen zijn en hij heeft gehandeld onder invloed van een stoornis. Het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) heeft gerapporteerd over verdachte, maar komt slechts tot hypotheses omdat verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek. Verdachte is volgens de officier van justitie daarom een weigerachtige observant. Verder heeft verdachte een afwijkend realiteitsbesef en zijn er – ondanks het ontbreken van harde conclusies daarover in het PBC-rapport – voldoende aanwijzingen om tot de conclusie te komen dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Daarmee is aan de voorwaarden voor een tbs-maatregel voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een stoornis bij verdachte en dat daarom geen tbs-maatregel kan worden opgelegd. Verdachte is geen weigerende observant en heeft meegewerkt aan alle onderdelen van het onderzoek bij het PBC. Dat verdachte vragen kortaf heeft beantwoord, betekent niet dat hij niet heeft meegewerkt maar slechts dat hij niet breedsprakig is. Verdachte was na afloop van het onderzoek verbaasd te horen dat hij onvoldoende zou hebben meegewerkt, dat was namelijk niet eerder tegen hem gezegd</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De ernst van de feiten</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Het gaat om twee zeer ernstige mishandelingen waarbij verdachte zonder duidelijke aanloop en schijnbaar uit het niets heftig en tamelijk zinloos geweld heeft toegepast. Deze mishandelingen hebben een grote impact gehad op de slachtoffers, zoals is gebleken uit de namens hen overgelegde stukken en verklaringen. Beide slachtoffers hebben permanent letsel overgehouden, wat hen nog dagelijks herinnert aan de mishandelingen. Bij [benadeelde partij 1] is sprake van een ontsierend litteken in haar gezicht. Bij [benadeelde partij 2] is sprake van blijvend letsel aan haar linkeroog. Daarnaast hebben zij nu nog last van gevoelens van angst en onveiligheid in de omgeving van hun woningen, waar de mishandelingen hebben plaatsgevonden. Eén van de slachtoffers is mindervalide en is voor haar mobiliteit afhankelijk van haar scootmobiel, wat heeft bijgedragen aan haar gevoelens van machteloosheid ten tijde van en na de mishandeling. Het andere slachtoffer werd mishandeld in het bijzijn van haar destijds tweejarige zoontje dat in de bakfiets zat op het moment dat verdachte haar aanviel. Ook het zoontje is die dag enorm bang geweest en heeft nog lang last gehad van wat hij die dag heeft gezien. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitgangspunten voor de strafoplegging</emphasis>
        </para>
        <para>Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf kijkt de rechtbank naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het uitgangspunt bij het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Bij een eenvoudige mishandeling, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend is het uitgangspunt een geldboete van € 750,-. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De persoon van de verdachte</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 mei 2024. Daaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van het PBC van 10 maart 2025, opgesteld door J.F. Dijkstra, psychiater, I. van Outheusden, psychiater en M. van der Burgh, GZ-psycholoog. In dit rapport is  geconcludeerd dat geen antwoord kan worden gegeven op de door de rechtbank gestelde vragen omdat verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek. De onderzoekers komen niet verder dan het formuleren van hypotheses. In de eerste plaats zou sprake kunnen zijn van persoonlijkheidsproblematiek waarbij problemen in de emotie- en agressieregulatie, directe behoeftebevrediging, een egocentrische houding, onverantwoordelijk gedrag en een wantrouwende houding jegens anderen, zouden hebben kunnen leiden tot disfunctioneren op verscheidene levensterreinen. Een tweede hypothese is dat er bij betrokkene mogelijk sprake is van verhoogde achterdocht en problemen in de realiteitstoetsing, wat kan samenhangen met een psychotische stoornis (maar ook met persoonlijkheidsproblematiek). Evenmin is zicht verkregen op een mogelijke stoornis in middelengebruik (cannabis), en het geobserveerde veelvoorkomende schoonmaakgedrag van verdachte kon niet goed worden geduid. Volgens de onderzoekers kunnen de hypotheses niet worden bevestigd, maar nadrukkelijk ook niet worden uitgesloten. Al met al kan het PBC niet concluderen of sprake is van een stoornis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter terechtzitting van 7 mei 2025 zijn I. van Outheusden en J.F. Dijkstra als deskundigen gehoord. Zij hebben bevestigd dat zij geen volledig beeld hebben kunnen krijgen van verdachte en daarom niet kunnen concluderen of wel of niet sprake is van een stoornis. Volgens de psychiaters is verdachte een weigerachtige observant op een hoog intelligentieniveau doordat hij wel mee heeft gedaan aan alle gesprekken en onderzoeken, maar zich niet heeft laten kennen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de bevindingen van de onderzoekers heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat bij verdachte sprake is van een stoornis. Het gedrag van verdachte bevat zorgelijke signalen, die mogelijk ook kunnen wijzen op een stoornis, zoals het plotselinge omslaan van een rustige situatie naar zulk heftig geweld. De rechtbank begrijpt niet waar dat gedrag van verdachte vandaan komt. Toch moet geconcludeerd worden dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen biedt dat sprake is van een stoornis. Het PBC-rapport bevat immers geen harde conclusies en de bewezen verklaarde feiten in combinatie met het strafblad van verdachte zijn te weinig om te concluderen dat sprake is van een delictspatroon. Ook zijn er geen oudere rapportages beschikbaar waarin is geconcludeerd dat sprake is van een stoornis. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tijdens de zitting heeft de rechtbank geprobeerd zich een beeld te vormen van verdachte en gezocht naar een verklaring voor zijn gedrag. Verdachte heeft echter geen nader inzicht gegeven in wat er in hem omging ten tijde van zijn gewelddadige handelingen zijn motieven. Zo komt verdachte op vragen naar zijn bedoelingen niet veel verder dan “Het was niet de bedoeling om haar te slaan” en “Op dat moment zat ik in een levensfase waarin het niet goed ging”. Daarmee ziet de rechtbank het beeld dat de onderzoekers van het PBC van verdachte schetsen, bevestigd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering van 7 april 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 2], reclasseringsmedewerker. De reclassering overweegt – kort weergegeven – dat de risicofactoren onvoldoende kunnen worden ingeschat vanwege de houding van verdachte bij het PBC. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen en adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ter terechtzitting van 7 mei 2025 is reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 1] gehoord. Zij heeft bevestigd dat de reclassering geen gedragsinterventies kan adviseren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De op te leggen straf</emphasis>
        </para>
        <para>Alles afwegende komt de rechtbank tot de volgende straf. Gelet op de hierboven beschreven aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de ernst van het door beide slachtoffers opgelopen letsel, ziet de rechtbank aanleiding om een zwaardere straf op te leggen dan in de oriëntatiepunten bepaald. De rechtbank zal dan ook aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan onder invloed van een stoornis is hij niet verminderd toerekeningsvatbaar en zal de rechtbank daar niet in strafverminderende zin rekening mee houden. Ook zal de rechtbank geen tbs met dwangverpleging opleggen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>De vorderingen van de benadeelde partijen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]</emphasis>
      </para>
      <para>De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De officier van justitie heeft verzocht de vordering integraal toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De raadsman heeft de vordering niet betwist, nu verdachte bereid is eventuele schade te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks</para>
      <para>immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk</para>
      <para>Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen</para>
      <para>vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van</para>
      <para>het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank – gelet op wat de benadeelde partij daarover heeft aangevoerd – niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom integraal worden toegewezen (ter hoogte van € 1.700,- (zegge: duizendzevenhonderd euro)), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.700,- (zegge: duizendzevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]</emphasis>
      </para>
      <para>De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.196,93 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade integraal dient te worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade is de officier van justitie van mening dat de schade met betrekking tot het eigen risico van de benadeelde partij toewijsbaar is. Met betrekking tot de schade aan de bakfiets heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom het bekraste deel van de bakfiets in zijn geheel vervangen zou moeten worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook deze vordering is door de raadsman niet betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Materiële schade</emphasis>
      </para>
      <para>Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de vordering is ter zitting betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de vordering voor zover het ziet op de materiële schade geheel toewijzen. Door de benadeelde partij is voldoende onderbouwd dat zij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit medisch ingrijpen nodig heeft gehad, waardoor zij haar eigen risico heeft moeten uitgeven. Ook is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat de bakfiets is beschadigd doordat deze omviel ten tijde van de mishandeling, waardoor deze is bekrast. Ook is voldoende onderbouwd dat deze schade alleen kan worden verholpen door het vervangen van de zogeheten <emphasis role="italic">Protection tube</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
      <para>Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De hoogte van de vordering is niet betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank – gelet op wat de benadeelde partij daarover heeft aangevoerd – niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom integraal worden toegewezen (ter hoogte van € 1.500,- (zegge: duizendvijfhonderd euro)), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.696,93 (zegge: zesentwintighonderdzesennegentig euro en drieënnegentig cent euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het in <emphasis role="bold">zaak A primair</emphasis> ten laste gelegde niet bewezen en <emphasis role="bold">spreekt verdachte daarvan vrij</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het in <emphasis role="bold">zaak A subsidiair</emphasis> en het in <emphasis role="bold">zaak B</emphasis> ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van zaak A subsidiair</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Zware mishandeling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van zaak B</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Mishandeling </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van <emphasis role="bold">18 (achttien) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 1.700,- (zegge: zeventienhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 1.700,- (zegge: zeventienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 1.196,93 (zegge: elfhonderdzesennegentig euro en drieënnegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de [benadeelde partij 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 2.696,93 (zegge: zesentwintighonderdzesennegentig euro en drieënnegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 36 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. D. Bode, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.E. Hoogendijk en J.H.C. van der Roest, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Ç. Dede, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 mei 2025. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2afd2723-886d-40c3-ac0d-1468a301f0b3" label="1">
    <para> Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in de aan deze zaken ten grondslag liggende dossiers bevinden, volgens de in die respectievelijke dossiers toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b17554b7-664b-42c1-b867-bd7a1427eb06" label="2">
    <para> Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2023046251-6 van 27 februari 2023, p. 11.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce2c2f7b-9382-4d2d-93db-59c512455fc7" label="3">
    <para> Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2023046251-40 van 28 november 2023, p. 89. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5ff19b2-c079-45ec-a71e-11dc4cec4111" label="4">
    <para> Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2023046251-40 van 28 november 2023, p. 91.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b35fb8d-ec85-4173-8aea-1422f404b16f" label="5">
    <para> Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2023046251 van 27 februari 2023, p. 22-25. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad7834a1-9450-40aa-970f-db9f62ad37f7" label="6">
    <para> Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2023046251-40 van 28 november 2023, p. 90.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_454a88f0-0d57-4b0f-bd63-dc859fe198c2" label="7">
    <para> Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2023046251-6 van 27 februari 2023, p. 12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0673bab6-5f95-48eb-b1c0-c34b15877e2b" label="8">
    <para> Een geschrift, te weten een bericht van het OLVG aan de huisarts van [benadeelde partij 1] d.d. 7 augustus 2023, Bijlage 3 bij het Verzoek tot Schadevergoeding van [benadeelde partij 1] . </para>
  </footnote>
  <footnote id="_014b0f77-af83-4c13-84bb-4a3c96d419ad" label="9">
    <para> Bijlage 5 bij het Verzoek tot Schadevergoeding van [benadeelde partij 1] .</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a20d5f2c-692f-4aad-8cd0-72976afe17dd" label="10">
    <para> Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2023134035-8 van 16 juni 2023, p. 6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_649fe239-ca36-4bf1-aa6c-62792aeca774" label="11">
    <para> Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2023134035-7 van 16 juni 2023, p. 29 en de verklaring die verdachte op de zitting van 7 mei 2025 heeft afgelegd, zoals neergelegd in het proces-verbaal van deze zitting. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d45e17ab-6509-450a-9a18-a50393f52786" label="12">
    <para> Een geschrift, te weten een verslag van KNO-arts [arts] van het OLVG d.d. 23 juni 2023, Bijlage 7 bij het Verzoek tot Schadevergoeding van [benadeelde partij 2] . </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6de29f1f-0fa4-4cde-9945-217a105404e7" label="13">
    <para> Een geschrift, te weten een verslag van orthoptist [orthoptist] van het OLVG d.d. 7 juli 2023, Bijlage 10 bij het Verzoek tot Schadevergoeding van [benadeelde partij 2] en een geschrift, te weten een verslag van orthoptist [orthoptist] van het OLVG d.d. 24 augustus 2023, Bijlage 11 bij het Verzoek tot Schadevergoeding van [benadeelde partij 2] .</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0816b309-ff76-4ebd-8ba7-32df5f3ec435" label="14">
    <para> Hoge Raad 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802 en Hoge Raad 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3289.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9b2081f-bb65-4202-8519-cdef7e627a08" label="15">
    <para> Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>