<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:11341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-25T16:12:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11829142 \ CV EXPL 25-10786</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11341">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-25T16:11:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:11341 Rechtbank Amsterdam , 04-12-2025 / 11829142 \ CV EXPL 25-10786</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:11341:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevoegdheidsincident. Afstand van vordering voor zover deze boven de 25.000,- uitkomt. Exhibitieincident. Onvoldoende belang bij verkrijgen stukken. Niet gebleken dat verweerster over de gevraagde informatie beschikt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:11341:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">AMSTERDAM</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11829142 \ CV EXPL  25-10786</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 4 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisende partij in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident, </para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.M. Horssius,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Amsterdam,</para>
      <para>gedaagde partij in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident,</para>
      <para>hierna te noemen: DAS,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.A. Pronk.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 17 juli 2025, met producties,</para>
      <para>- de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring tevens vordering tot overlegging stukken ex artikel 195 Rv, met producties,</para>
      <para>- de conclusie van antwoord in incident. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten voor zover relevant in de incidenten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft op 26 juni 2019 een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna Nationale-Nederlanden). Nationale-Nederlanden heeft de uitvoering van de rechtsbijstandverzekering ondergebracht bij DAS. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 14 april 2023 is er schade aan de woning van [eiser] ontstaan, als gevolg van de ontploffing van een brandbom bij haar voordeur. Die schade heeft [eiser] bij Nationale–Nederlanden, die (ook) haar inboedelverzekeraar is, gemeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Nationale-Nederlanden heeft op 5 augustus 2024 per e-mail aan mr. N. Anbergen (destijds de advocate van [eiser] ) kenbaar gemaakt dat zij op grond van haar polisvoorwaarden niet tot uitkering onder de inboedelverzekering gehouden is. In die e-mail heeft Nationale-Nederlanden – voor zover hier relevant – het volgende medegedeeld:</para>
        <para>“(…)</para>
        <para>Ik vertrouw u bekend met de bijgevoegde bestuurlijke rapportage van 25 april 2023 (bijlage). Daaruit volgt dat in ieder geval alle drie de kinderen van uw cliënte veelvuldig in aanraking zijn geweest met politie en justitie.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>Vaststaat dat de zoons van uw cliënte betrokken waren bij eerdere geweld- en schietincidenten. Evenzo lijkt vast te staan dat de zoons van uw cliënte onderdeel zijn van een groep die een gewapend conflict had met één of meerdere andere groepen en dat de opzettelijke brandstichting van 14 april 2023 een tegenactie – ofwel een represaille – was van de schietincidenten waarbij de zoon(s) van uw cliënt betrokken was (waren). Voor zover dit daadwerkelijk het geval was dan heeft dat uiteraard tot gevolg dat mijn achterban niet tot uitkering gehouden is. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 4 oktober 2024 heeft [eiser] een beroep gedaan op DAS teneinde juridische bijstand te krijgen bij haar geschil met Nationale-Nederlanden vanwege het niet verlenen van dekking voor de brandschade onder de inboedelverzekering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De maximale dekking van [eiser] onder de rechtsbijstandverzekering bedraagt <?linebreak?>€ 60.000,00. Van haar vorderingen op DAS heeft zij € 35.000,00 gecedeerd aan een derde. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">In de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert – samengevat –  dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>DAS veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van het vonnis in de hoofdzaak over te gaan tot het verlenen van dekking onder de verzekeringsovereenkomst door de schade van [eiser] ter hoogte van € 25.000,00 althans subsidiair ter hoogte van het totaal van de advocaatkosten van [eiser] tot een maximum van € 25.000,00 te vergoeden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>DAS veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) over de hiervoor gevorderde schadevergoeding, te rekenen vanaf 17 juli 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>DAS veroordeelt tot betaling van de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis in de hoofdzaak. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Voordat inhoudelijk verweer is gevoerd tegen de vordering van [eiser] heeft DAS haar incidentele vordering ingesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In het bevoegdheidsincident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>DAS vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen en de zaak doorverwijst naar de rechtbank Amsterdam [de rechtbank begrijpt: naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken], met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>DAS voert daartoe aan dat de subsidiaire vordering van [eiser] een vordering van onbepaalde waarde is, die een hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. De polis van [eiser] kent immers een maximum van € 60.000,00 voor het inschakelen van een externe rechtshulpverlener, mocht [eiser] daar op grond van de polisvoorwaarden al aanspraak op kunnen maken. De kosten van een eventuele externe rechtshulpverlener die DAS uiteindelijk vergoedt zijn afhankelijk van de redelijke en noodzakelijk gemaakte kosten voor rechtshulp en dus niet op voorhand bepaalbaar of afdwingbaar. Dat maakt dat de gepretendeerde vordering dus niet (voor een deel) door [eiser] aan een derde kan worden gecedeerd. Bovendien is niet gebleken dat [eiser] expliciet afstand heeft gedaan van haar vordering voor wat betreft het deel dat een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat. De zaak zal dus moeten worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken, aldus DAS. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In het exhibitie-incident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>DAS vordert dat de kantonrechter voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] veroordeelt tot het overleggen van de volgende stukken:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>een afschrift van alle door, namens of voor [eiser] (en haar gezinsleden) met Nationale-Nederlanden gevoerde correspondentie over de claim onder de inboedelverzekering vanwege de schade van 14 april 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een afschrift van alle beslissingen/vonnissen ter zake van de in de bestuurlijke rapportage genoemde (63) antecedenten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een afschrift van een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) waaruit blijkt op welk adres [naam] , de oudste zoon van [eiser] , ten tijde van de verzekeringsaanvraag (26 juni 2019) stond ingeschreven. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>DAS voert daartoe aan dat [eiser] op grond van artikel 7:491 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) en de polisvoorwaarden verplicht is om alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die van belang zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen. Zonder de voornoemde stukken is het voor DAS niet mogelijk om de dekking van de rechtsbijstandsverzekering of de juridische positie van [eiser] in het geschil met Nationale-Nederlanden op grond van de inboedelverzekering te beoordelen. Daarmee heeft DAS rechtmatig belang bij het verkrijgen van de stukken en dient aan DAS – via de weg van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), subsidiair artikel 195 Rv – inzage in die stukken te worden gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>
        [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">In het bevoegdheidsincident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 93 onder a Rv worden geldvorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 behandeld en beslist door de kantonrechter, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Als een vordering niet hoger is dan € 25.000,00 maar wel is gegrond op een rechtstitel met een belang van meer dan € 25.000,00, is de bevoegdheid afhankelijk van het standpunt dat de gedaagde partij inneemt. Voert de gedaagde partij slechts verweer tegen het gevorderde bedrag, dan is in dat geval de kantonrechter bevoegd. Voert de gedaagde partij daarentegen ook of alleen verweer tegen de rechtstitel waarop de vordering is gebaseerd, dan is een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank bevoegd. Dit laatste geldt niet in het geval dat de eisende partij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het meerdere boven de € 25.000,00 of als de vordering voor het meerdere wordt gecedeerd aan een derde. Door zo’n cessie valt de oorspronkelijke vordering immers uiteen. Aan de beslissing van de kantonrechter over het ene gedeelte van de vordering komt geen gezag van gewijsde toe ten aanzien van het andere.<footnote-ref linkend="_6582febc-5923-46d6-9198-4cc9749bf352" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De vraag of er sprake is van een rechtsgeldige cessie, hoeft in deze procedure niet te worden beantwoord. Van doorslaggevend belang is dat [eiser] expliciet afstand heeft gedaan van haar vordering voor zover deze boven de € 25.000,00 uitkomt. Daarmee staat vast dat het geschil tussen [eiser] en DAS nooit een beloop van meer dan € 25.000,00 kan krijgen, zonder dat met het oordeel van de kantonrechter over dat deel van de vordering ook het lot wordt bezegeld van het gecedeerde deel van de vordering. De kantonrechter is dan bevoegd van deze zaak kennis te nemen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In het exhibitie-incident </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>DAS heeft de kantonrechter verzocht om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om [eiser] te bevelen stukken over te leggen (artikel 22 Rv). De kantonrechter ziet in dit vroege stadium van de procedure geen aanleiding om van die bevoegdheid gebruik te maken en komt daarmee toe aan beoordeling van hetgeen is gevorderd op grond van artikel 195 Rv jo. 194 Rv. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Artikel 195 Rv biedt een partij de mogelijkheid om de rechter te verzoeken de wederpartij te bevelen om inzage in bepaalde stukken te geven. De rechter toetst dit verzoek aan de voorwaarden uit artikel 194 Rv. Op grond van artikel 194 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Dit is anders als bij degene die over de verlangde gegevens beschikt, gewichtige redenen bestaan die zich tegen de gegevensverstrekking verzetten of die partij een beroep op een verschoningsrecht kan doen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De correspondentie tussen [eiser] en Nationale-Nederlanden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>DAS vordert inzage in de volledige correspondentie tussen [eiser] (en haar gezinsleden) en Nationale-Nederlanden. [eiser] heeft daartegen aangevoerd dat DAS geen rechtmatig belang heeft bij deze stukken, nu zij die ook bij Nationale-Nederlanden kan opvragen (al dan niet op grond van artikel 195a Rv) omdat Nationale-Nederlanden haar opdrachtgeefster is bij het uitvoeren van de rechtsbijstandsverzekering maar ook de inboedelverzekeraar. De kantonrechter volgt [eiser] daarin. Nu vaststaat dat Nationale-Nederlanden opdrachtgeefster is van DAS, ligt het voor de hand dat DAS de correspondentie waarvan inzage wordt verzocht bij Nationale-Nederlanden opvraagt. DAS heeft geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat Nationale-Nederlanden niet gerechtigd is om haar van dergelijke informatie te voorzien. Daarmee ontbreekt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende belang bij het verkrijgen van de stukken van [eiser] . Dit maakt dat de kantonrechter het verzoek om inzage in de correspondentie tussen [eiser] en Nationale-Nederlanden zal afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De strafrechtelijke beslissingen en het uittreksel BRP</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Tot slot vordert DAS ook inzage in alle strafrechtelijke beslissingen ter zake van de in de bestuursrechtelijke rapportage genoemde antecedenten en een uittreksel uit de BRP van de oudste zoon van [eiser] . Zoals hiervoor overwogen is een voorwaarde voor het recht op inzage onder meer dat degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie moet beschikken (zie 4.5.). Van het beschikken over gegevens is in elk geval sprake als de partij de gegevens waarvan inzage wordt verlangd, fysiek onder zich heeft of deze gemakkelijk van een derde kan verkrijgen. DAS heeft niet gesteld dat [eiser] over de strafrechtelijke beslissingen en het uittreksel BRP ten aanzien van haar kinderen beschikt. Evenmin heeft DAS toegelicht dat [eiser] deze stukken gemakkelijk kan verkrijgen. Dat valt ook zeer te betwijfelen, nu het hier gaat om persoonsgegevens van anderen (haar kinderen) en niet van haarzelf. Daarmee zouden dan ook de privacybelangen van de kinderen van [eiser] in het geding zijn. Dit leidt tot de conclusie dat de kantonrechter ook het verzoek om inzage in de strafrechtelijke beslissingen en het uittreksel BRP zal afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In de incidenten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>DAS is in de incidenten in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde. De partij ten gunste waarvan een kostenveroordeling wordt uitgesproken heeft in beginsel ook recht op vergoeding van nakosten (voor zover gemaakt).  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">In de incidenten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de incidentele vorderingen van DAS af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt DAS in de proceskosten van de incidenten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 204,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de kosten van betekening als DAS niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en dit vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In de hoofdzaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verwijst de zaak voor conclusie van antwoord naar de rolzitting van <emphasis role="bold">vrijdag  9 januari 2026</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_6582febc-5923-46d6-9198-4cc9749bf352" label="1">
    <para> HR 19 februari 1960, ECLI:NL:HR:1960:148 (<emphasis role="italic">Sanders/Daumiller</emphasis>). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>