<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:10934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-26T11:37:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/065068-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10934">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-26T10:52:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:10934 Rechtbank Amsterdam , 12-09-2025 / 13/065068-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10934:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>herkenningen betrouwbaar, medeplegen twee keer diefstal met braak uit auto en medeplegen diefstal autobanden en velgen, geen schending redelijke termijn, hoofdelijk aansprakelijk voor schade, gevangenisstraf 60 dagen waarvan 59 dagen voorwaardelijk, proeftijd 1 jaar, taakstraf 120 uren</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10934:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e4dfcd51-c75b-41e1-96ba-74990a307711" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/065068-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 12 september 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .</para>
      <para>(hierna: <emphasis role="italic">verdachte</emphasis>)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, </para>
      <para>mr. D. Jironet-Loewe en van wat de raadsvrouw van verdachte, mr. D.R. Backers, naar voren heeft gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1, primair</emphasis>
      </para>
      <para>het medeplegen van diefstal met braak van een boek en geld (10 euro) van [aangever 1] in periode 29 juli 2022 tot en met 30 juli 2022 in Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1, subsidiair</emphasis>
      </para>
      <para>een poging tot het medeplegen van diefstal met braak van een boek en geld (10 euro) van [aangever 1] in periode 29 juli 2022 tot en met 30 juli 2022 in Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 2</emphasis>
      </para>
      <para>het medeplegen van diefstal met braak van banden en velgen van [aangever 2] op 22 oktober 2022 in Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 3</emphasis>
      </para>
      <para>het medeplegen van diefstal met braak van een tas, koffer en apparatuur van [aangever 3] op 22 oktober 2022 in Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is opgenomen in <emphasis role="bold">bijlage I</emphasis> bij dit vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het openbaar ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle (primair) tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken, omdat de herkenningen niet betrouwbaar zijn, waardoor sprake is van onvoldoende bewijs. Voor feit 1 geldt dat een herkenning op basis van ‘uiterlijke kenmerken en zijn houding’ zonder nadere onderbouwing te algemeen en onvoldoende specifiek is en daarmee onvoldoende voor een betrouwbare herkenning. Voor feit 3 geldt dat het herkennen aan de vorm van het gezicht is gebaseerd op onvoldoende specifieke onderscheidende persoonskenmerken. Tot slot geldt voor feit 1 en feit 3 dat uit de processen-verbaal van herkenning niet de intensiteit en de frequentie van eerdere contacten blijkt. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit dat geen sprake kan zijn van een schakelbewijsconstructie.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat alle (primair) tenlastegelegde feiten zijn bewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Feit 1, primair (diefstal uit auto [aangever 1] ) en feit 3 (diefstal uit auto [aangever 3] )</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat voorzichtig moet worden omgegaan met de beoordeling van</para>
        <para>de in het dossier aanwezige herkenningen. Dit geldt vooral als de herkenningen, zoals in</para>
        <para>deze zaak, de belangrijkste bewijsmiddelen vormen voor de vaststelling van de</para>
        <para>betrokkenheid van verdachte. De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld welke</para>
        <para>bewijswaarde aan de herkenningen moet worden gehecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van beelden dient eerst te worden onderzocht wat de kwaliteit van die beelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. De vraag is vervolgens in hoeverre op de beelden voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. De herkenning van een persoon op (bewegend) beeld kan, grof gezegd, plaatsvinden op basis van diens gezicht, kleding en accessoires en/of postuur, houding en manier van bewegen. Een mogelijke gezichtsherkenning heeft daarbij de hoogste diagnostische waarde. Gezichten worden als één geheel, dat wil zeggen holistisch, in het geheugen opgeslagen. Dit is ook de manier waarop de herkenning van gezichten door verbalisanten normaliter plaatsvindt. Verder is van belang hoe goed de verbalisanten de persoon kennen. Daarbij geldt dat een herkenning waardevoller is als deze is gebaseerd op een ontmoeting met de betreffende persoon in levenden lijve dan wanneer deze herkenning alleen is gebaseerd op een foto of op andere beelden. Daarbij is ook de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Verder kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een herkenning die steun vindt in andere bewijsmiddelen — waaronder ook andere herkenningen kunnen vallen — aan waarde wint. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten slotte moet de rechtbank bekijken of er feiten en omstandigheden zijn waardoor een herkenning mogelijk niet juist kan zijn of die een herkenning onbetrouwbaar (kunnen) maken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is, gelet op het hiervoor geschetste kader, van oordeel dat de herkenningen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben bij het zien van de camerabeelden van feit 1 verdachte herkend aan zijn uiterlijke kenmerken en lichaamshouding. Beiden kennen verdachte omdat zij tijdens hun werk voor het prio-team Boven-IJ meermalen met verdachte te maken hebben gehad. [verbalisant 1] heeft daarbij de politiefoto van verdachte vaak voorbij zien komen vanwege aandachtsvestigingen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op de camerabeelden van feit 3 heeft verbalisant [verbalisant 2] verdachte herkend. Verdachte is de persoon met de visserspet op zijn hoofd en [verbalisant 2] herkent hem doordat hij tijdens zijn werk voor het prio-team Boven-IJ meermaals met verdachte te maken heeft gehad. Verbalisant [verbalisant 1] heeft eveneens verdachte herkend. Verdachte is de persoon die een vissershoedje draagt en [verbalisant 1] herkent hem aan (de vorm van) zijn gezicht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde herkenningen summier zijn, maar dat er geen sprake is van gerede twijfel over de betrouwbaarheid van de herkenningen. Daarbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang waardoor de herkenningen aan waarde winnen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de herkenningen niet uitsluitend zijn gebaseerd op foto’s dan wel stills van de camerabeelden, maar ook op bewegende beelden. De beelden zijn van goede kwaliteit, hetgeen ook niet door de verdediging is betwist. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder is op de camerabeelden van feit 1 en feit 3 door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] eveneens medeverdachte [medeverdachte] herkend. Voor feit 3 geldt dat ook een derde verbalisant, [verbalisant 4] , medeverdachte [medeverdachte] heeft herkend. Dit is van belang, omdat uit het dossier blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] elkaar kennen en er aanwijzingen dat zij vaker als duo optrekken. Naar aanleiding van een melding van diefstal van velgen of banden van een witkleurige Mercedes op 2 juli 2022 worden zij samen in een voertuig in de directe omgeving aangetroffen. In het voertuig lagen drie oude autobanden. Medeverdachte [medeverdachte] verklaarde dat hij een autobedrijf had genaamd [bedrijf] en wilde een visitekaartje aan verbalisanten overhandigen. Van de witkleurige Mercedes bleken twee velgen weggenomen. Onder de auto lagen een krik, een autoband en een visitekaartje met de naam van het bedrijf [bedrijf] . Op 7 augustus 2022 zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen gezien in een voertuig naar aanleiding van een vechtpartij/verkeersongeval. Deze feiten en omstandigheden bieden steun aan de herkenningen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Feit 2 (diefstal velgen/banden [aangever 2] )</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor feit 2 geldt dat de rechtbank uit de bewijsmiddelen afleidt dat het om dezelfde verdachte en medeverdachte gaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn korte tijd ervoor herkend als plegers van de diefstal uit het voertuig van [aangever 3] aan dan wel nabij de [straatnaam] in Amsterdam in de nacht van 22 oktober 2022. Zij reden die nacht na de diefstal om 00.49.00 uur in een blauwe Renault Clio weg over de [straatnaam] in de richting van perceelnummer [perceelnummer 1] . Verdachte was gekleed in een blauwe spijkerbroek, een zwarte jas‚ met daaronder mogelijk een hoodie met een lichtkleurige capuchon. Verder droeg hij een lichtkleurige visserspet. Medeverdachte [medeverdachte] was gekleed in een spijkerbroek en een hoodie met achterop in lichtkleurige letters de tekst XPLCT STUDIOS, donkerkleurige schoenen met een opvallend reflecterend stuk op de achterzijde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op camerabeelden van feit 2 is te zien dat in dezelfde nacht om 01.03.08 uur het voertuig van aangever [aangever 2] , een Mercedes-Benz, aan de overzijde van [adres 2] geparkeerd staat. Er liggen twee banden tegen de gevel van perceel [perceelnummer 2] . Een Renault Clio, blauw/grijs van kleur, positioneert voor de Mercedes-Benz. De bijrijder, NN2, stapt uit en kijkt bij de Mercedes naar binnen. Hij is gekleed in een donkere jas met daaronder een lichtkleurige hoodie, waarvan de capuchon zichtbaar is. Hij draagt een visserspetje op zijn hoofd. Deze kleding komt volledig overeen met de kleding van verdachte tijdens het plegen van feit 3 kort daarvoor. Ook de kleding van NN2 komt volledig overeen met de kleding van medeverdachte [medeverdachte] tijdens het plegen van feit 3. Daar komt bij dat verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] medeverdachte [medeverdachte] hebben herkend op de camerabeelden van feit 2. Daarnaast blijkt uit openbare bronnen dat de locatie waar feit 3 heeft plaatsgevonden op een afstand van 3,6 km ligt van [adres 2] waar feit 2 heeft plaatsgevonden, met een (gemiddelde) reistijd met de auto van 7 minuten.<footnote-ref linkend="_9d293c7d-a223-47a9-b9ca-644503c0adda" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat gelet op de locaties, het tijdsverloop, dezelfde auto waar verdachten in reden en dezelfde kleding, het niet anders kan dan dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] eveneens de plegers zijn van de diefstal van de velgen/banden van de Mercedes van [aangever 2] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aangezien het oordeel is gebaseerd op directe bewijsmiddelen, en niet op overeenkomsten in een modus operandi, is er geen sprake van een schakelbewijsconstructie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht op grond van de in <emphasis role="bold">bijlage II</emphasis> vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1</emphasis>
      </para>
      <para>hij in de periode 29 juli 2022 tot en met 30 juli 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een boek en geld (biljet van 10 EUR), die aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 2</emphasis>
      </para>
      <para>hij op 22 oktober 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, meerdere banden en/of velgen, die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 3</emphasis>
      </para>
      <para>hij op 22 oktober 2022 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een tas (met inhoud) en een koffer en apparatuur, die aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid van de feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>Motivering van de straffen en maatregel</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eis van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van 120 uren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn, de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, dat hij een belast verleden heeft, dat hij een dochter heeft, dat hij een uitkering heeft en dat hij bezig is met een woning. Zij heeft verzocht om uitsluitend een taakstraf op te leggen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ernst van de feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft zich, steeds samen met een ander, op verschillende tijdstippen schuldig gemaakt aan diefstal met braak van goederen uit twee auto’s en diefstal van autobanden en velgen van een derde auto. Gelet op de wijze waarop deze diefstallen hebben plaatsgevonden, moet sprake zijn geweest van een vooropgezet plan. Met de diefstal heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de aangevers. Bovendien zijn het ergerlijke feiten die voor overlast zorgen bij de eigenaren van de auto’s en zorgen voor een gevoel van onveiligheid voor de buurtbewoners.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 juli 2025 blijkt dat hij de afgelopen vijf jaar eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Verder blijkt uit het strafblad dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd tijdens een proeftijd en dat het taakstrafverbod van toepassing is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals door rechtbanken onderling afgesproken (LOVS). Het oriëntatiepunt voor diefstal uit een auto vermeldt in het geval van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om iets af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Daarbij zal een gevangenisstraf worden opgelegd van 60 dagen waarvan 59 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Anders dan de verdediging acht de rechtbank de redelijke termijn niet geschonden. Verdachte is in april 2023 weliswaar als verdachte gehoord, maar nadien heengezonden. De rechtbank ziet geen aanleiding dit verhoor aan te merken als een handeling waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn niet als gevolg van dit verhoor is aangevangen. Van een dergelijke handeling is pas sprake geweest op het moment van dagvaarden, enkele weken voorafgaand aan de zitting. Het bovenstaande laat onverlet dat de rechtbank bij de strafoplegging wel rekening heeft gehouden met het tijdsverloop tussen de pleegdata en dit vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij [aangever 3] vordert € 1.428,64 aan vergoeding van materiële schade en € 750,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. Het bedrag aan materiële schade bestaat uit de volgende posten; € 63,- reiskosten, € 250,- tas met onder andere kabels, muis en opladers en € 1.115,64 apparatuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade geheel kan worden toegewezen, met uitzondering van de reiskosten, en dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd tot € 350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij in zijn vordering tot vergoeding van de reiskosten van € 63,- niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze post onvoldoende is onderbouwd. De post tas met kabels van € 250,- dient te worden gematigd, omdat niet is onderbouwd om hoeveel en wat voor kabels het gaat. Verder moet de post apparatuur van € 1.115,64 eveneens worden gematigd. De bedragen vermeld op de facturen betreffen de nieuwwaarde. De apparatuur die is vervangen was niet heel oud, maar werd wel zakelijk gebruikt en daarmee waarschijnlijk ook vaak. Tot slot heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien deze schade niet aan de orde is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal de benadeelde partij in zijn vordering van de reiskosten niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze post niet is onderbouwd. Voor de tas met kabels geldt dat de precieze inhoud niet kan worden vastgesteld en dat voor deze tas met kabels en de apparatuur de dagwaarde niet kan worden bepaald. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de schade op een bedrag van € 1.100,-. Voor het overige deel zal de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen, omdat de grondslag daarvoor ontbreekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.100,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het belang van [aangever 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarbij de betalingsverplichting hoofdelijk aan verdachte opleggen, omdat hij de feiten met zijn mededader heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. Indien de mededader een deel van het bedrag betaalt, is verdachte niet langer gehouden om dat deel te betalen (en vice versa).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 1, primair, feit 3</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feit 2</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">60 (zestig) dagen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat een gedeelte, groot <emphasis role="bold">59 (negenenvijftig) dagen</emphasis> van deze gevangenisstraf <emphasis role="bold">niet ten uitvoer gelegd</emphasis> zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt daarbij een <emphasis role="bold">proeftijd</emphasis> van <emphasis role="bold">1 (één) jaar</emphasis> vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">taakstraf</emphasis> van <emphasis role="bold">120 (honderdtwintig) uren</emphasis>, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wijst</emphasis> de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] gedeeltelijk <emphasis role="bold">toe</emphasis> tot een bedrag van <emphasis role="bold">€ 1.100,-</emphasis> (zegge: elfhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 oktober 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart [aangever 3] voor het overige (€ 328,64) niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de vordering tot vergoeding van immateriële schade (€ 750,00) af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op <emphasis role="italic">nihil.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 3] <emphasis role="bold">aan de Staat</emphasis> € 1.100,- (zegge: elfhonderd euro) <emphasis role="bold">te betalen</emphasis>, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 21 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. M.R.J. van Wel, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.M.R. Vastenburg en M. Smayel, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [(...)]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9d293c7d-a223-47a9-b9ca-644503c0adda" label="1">
    <para>Routeplanner van de ANWB - Plan je route | ANWB</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>