<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:10809</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T12:40:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1325028125</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10809">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10809</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T11:28:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:10809 Rechtbank Amsterdam , 18-12-2025 / 1325028125</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10809:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>executie EAB Polen, artikel 12 sub a OLW, detentieomstandigheden artikel 11 OLW, overlevering toestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10809:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-250281-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 december 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 25 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_a3759844-3787-46dc-a9cb-48571302806b" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juli 2025 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Opole</emphasis>, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_6640757b-52a2-4ca6-90ec-07207fd63be1" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the regional court in Nysa</emphasis> van 2 februari 2024 (met referentie: II K 843/23). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_c5ebde38-9ed4-4fe0-ada4-645a9c15260f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon was namelijk niet op de hoogte van de veroordeling. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon een kopie van de tenlastelegging heeft ontvangen in november 2023, maar niet dat hij toen ook in persoon is gedagvaard. Daarnaast staat in het a-formulier dat de opgeëiste persoon “<emphasis role="italic">summoned by other means</emphasis>” was in plaats van “<emphasis role="italic">summoned in person</emphasis>” zoals in het EAB staat. Ook heeft de opgeëiste persoon geen adresinstructie gehad. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in het EAB vermeld staat dat de opgeëiste persoon op 15 november 2023 in persoon is gedagvaard, hij heeft toen de zowel de oproep als beschuldiging ontvangen. Het EAB is leidend en de enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de oproep heeft ontvangen is onvoldoende om van het vertrouwensbeginsel af te wijken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op 15 november 2023 in persoon is opgeroepen en gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van het proces en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. In het EAB staat hierover toegelicht: “<emphasis role="italic">[de opgeëiste persoon] was notified in person of the trial scheduled for 02.02.2024. He was also served with a copy of the indictment (the notice and the document were received by him on 15.11.2023). </emphasis>Hieruit volgt  dat de opgeëiste persoon op 15 november 2023 zowel de oproep voor de zitting, als de kopie van de tenlastelegging heeft ontvangen. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	mishandeling;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW; Poolse rechtsstaat en detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Poolse rechtsstaat</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_f0c376a0-0953-49fd-aa60-e8a019e8eb8a" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_c1562179-fc85-4204-9cc8-cdbd4a7148ca" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat individuele garanties gevraagd moeten worden aan de Poolse autoriteiten omdat er een reëel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU dreigt. De raadsvrouw heeft hiertoe een publicatie van <emphasis role="italic">the European Agency for Fundamental Rights </emphasis>(FRA) van 29 april 2024 overgelegd en de <emphasis role="italic">“Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights – Prisoners rights”</emphasis> van het EHRM van 31 augustus 2025. In de gids van het EHRM worden volgens de raadsvrouw nieuwe criteria gesteld met betrekking tot het beoordelen van de detentieomstandigheden. Als de situatie die wordt beschreven in het FRA-rapport wordt getoetst aan deze nieuwe criteria, geldt dat er ook ten aanzien van veroordeelden in Polen een reëel gevaar bestaat van schending van grondrechten. Omdat onduidelijk is in welke instelling de opgeëiste persoon terecht zal komen na overlevering moet voor de opgeëiste persoon een detentiegarantie worden gevraagd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen individuele garanties nodig zijn omdat de raadsvrouw geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat er een reëel gevaar bestaat van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de EU.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het CPT-rapport van 22 februari 2024 en in eerdere uitspraken al vastgesteld dat daaruit onder meer blijkt dat veroordeelden in Poolse gevangenissen en voorlopig gehechten in de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) ter beschikking hebben. Verder heeft de rechtbank overwogen dat blijkens dat rapport voor <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> geldt dat voorlopig gehechten 23 uur per dag op cel moeten verblijven en dat ze beperkt zijn in de mogelijkheid om contact te hebben met de buitenwereld. Ook heeft de rechtbank overwogen dat het CPT deze verzwarende omstandigheden, die voor de rechtbank in andere uitspraken aanleiding zijn geweest om vragen te stellen over de <emphasis role="italic">remand prisons </emphasis>in Polen, niet heeft vastgesteld bij detentie-instellingen waar de tenuitvoerlegging van opgelegde gevangenisstraffen plaatsvindt. De rechtbank heeft dan ook geen algemeen gevaar van schending van grondrechten voor veroordeelde gedetineerden in Polen aangenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het door de raadsvrouw overgelegde rapport van FRA van 29 april 2024 bevestigt naar het oordeel van de rechtbank het gemaakte onderscheid tussen de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> en de detentie-instellingen voor veroordeelde gedetineerden in Polen. De raadsvrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat de zorgelijke situatie in de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> ook geldt voor veroordeelde gedetineerden. De overgelegde publicatie van FRA van 29 april 2024 geeft geen aanleiding om hierover anders te oordelen. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar eerdere uitspraak van 13 november 2024<footnote-ref linkend="_f4f5443c-bceb-4294-9db1-570e64d52aa0" /> over deze publicatie. De rechtbank merkt daarnaast op dat de gids van het EHRM van 31 augustus 2025 een samenvatting geeft van de jurisprudentie van het Hof, die de rechtbank in haar eerdere uitspraken ook heeft toegepast. De rechtbank leest in deze gids geen nieuwe criteria waaraan getoetst moet worden. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen. De vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon is daarom niet aan de orde, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om een detentiegarantie te laten vragen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het verweer wordt verworpen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 285 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Opole</emphasis>, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.R.P.J. Davids,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper,						  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau,		             			    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a3759844-3787-46dc-a9cb-48571302806b" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6640757b-52a2-4ca6-90ec-07207fd63be1" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5ebde38-9ed4-4fe0-ada4-645a9c15260f" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0c376a0-0953-49fd-aa60-e8a019e8eb8a" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1562179-fc85-4204-9cc8-cdbd4a7148ca" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4f5443c-bceb-4294-9db1-570e64d52aa0" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:6929.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>