<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:10805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T16:02:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1325946325</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10805">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10805</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T15:39:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:10805 Rechtbank Amsterdam , 18-12-2025 / 1325946325</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10805:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>executie EAB Polen, artikel 12 OLW niet van toepassing, OP aanwezig, artikel 11 OLW, overlevering toestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10805:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-259463-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 13 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_a7275d91-0f65-4869-823d-a8a57812dde1" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 maart 2025 door <emphasis role="italic">the District Court of Zamo</emphasis>ść<emphasis role="italic">, second penal division</emphasis>, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>	nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_6ccb4878-11af-4cab-bb73-32fd952ede69" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van<emphasis role="italic"> the District Court of Zamo</emphasis>ść<emphasis role="italic">, the second penal division</emphasis> van 14 juni 2022 (ref. II K 7/22).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één (1) jaar en zes (6) maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf (11) maanden en achttien (18) dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_dba9fa2e-0212-4517-b379-5c943fe235f3" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 3 december 2025 heeft de <emphasis role="italic">Regional Court in Zamo</emphasis>ść onderdeel d) van het EAB ingevuld ten aanzien van de procedure in hoger beroep en daarnaast de volgende aanvullende informatie verstrekt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In response to the letter of 1 December 2025, the Regional Court in Zamoś</emphasis>ć<emphasis role="italic">, Second Penal Division, kindly advises that the judgment of 14 June 2022 of the Regional Court in Zamoś</emphasis>ć<emphasis role="italic"> issued in case No. II K 7/22 is final and enforceable and is not subject to ordinary appeal. Even though the appeal against this judgment was lodged by the defence counsel of the accused, it was however withdrawn by the accused by means of a written statement. On account of the above, the Appeal Court in Lublin, with the decision of 17 October 2024 issued in case No. II Aka 306/22, taking into account the accused's statement, left the said appeal unexamined.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In onderdeel d) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon op 25 maart 2024 in persoon is gedagvaard voor de zitting in hoger beroep en dat hij een advocaat heeft gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman verzoekt om de aanvullende informatie van 3 december 2025 buiten beschouwing te laten. Al bij de voorgeleiding op 10 oktober 2025 heeft de opgeëiste persoon verklaard dat er hoger beroep was ingesteld. Desondanks heeft het openbaar ministerie pas op 1 december 2025 hierover vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten. Het antwoord op deze vragen van 3 december 2025 is zo kort voor de zitting ontvangen, dat het voor de verdediging niet mogelijk is geweest om de antwoorden in Polen te (laten) verifiëren.</para>
        <para>Als de rechtbank de informatie wel toelaat, stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat de overlevering geweigerd moet worden omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 25 maart 2024 in persoon zou zijn gedagvaard voor een zitting in hoger beroep, terwijl vast staat dat de opgeëiste persoon op die datum in Nederland werkzaamheden heeft verricht. De raadsman heeft in dit verband een factuur betreffende door de opgeëiste persoon die dag verricht werk overgelegd. Hij kan dus niet in persoon zijn gedagvaard voor het hoger beroep en ook heeft de opgeëiste persoon geen advocaat gemachtigd of een “<emphasis role="italic">written statement”</emphasis> uitgebracht om het hoger beroep in te trekken. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding van de zaak om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten met betrekking tot het hoger beroep. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces in eerste aanleg. Uit de aanvullende informatie van 3 december 2025 blijkt dat het ingestelde hoger beroep niet inhoudelijk is behandeld waardoor er in deze instantie niet over schuld of straf is geoordeeld. Het hoger beroep dient dan ook niet getoetst te worden aan artikel 12 OLW. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon zelf verklaard dat hij een advocaat heeft gemachtigd om namens hem het hoger beroep in te stellen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de Rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoewel de rechtbank begrijpt dat de late aanlevering van de aanvullende informatie uit Polen het voor de raadsman lastig maakt om hiernaar met de opgeëiste persoon nog (verificatie)onderzoek  te (laten) doen, zal de rechtbank de informatie wel meenemen in haar beoordeling omdat deze relevant is voor de beoordeling. De raadsman en de opgeëiste persoon hebben zich ter zitting ook inhoudelijk over het aanvullende stuk kunnen uitlaten. Dat de raadsman vanwege de korte tijdspanne de informatie niet in Polen heeft kunnen (laten) verifiëren, doet hier niet aan af. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_9e1d21aa-7c2d-4f10-88b6-d4aa3846aaf0" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 3 december 2025 vast dat het ingediende hoger beroep is ingetrokken waarmee het vonnis van 14 juni 2022 in eerste aanleg definitief is geworden. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank ervan uit dat deze informatie juist is. De rechtbank toetst daarom het vonnis van 14 juni 2022 en de procedure die tot dat vonnis heeft geleid aan de vereisten van artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsman wordt verworpen en de rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_f8d0c870-6668-4977-bb66-5ddc6f6623c0" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Zamo</emphasis>ść<emphasis role="italic">, second penal division</emphasis>, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.R.P.J. Davids,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.W. Speksnijder en M. Scheeper,						  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau,		             			    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a7275d91-0f65-4869-823d-a8a57812dde1" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ccb4878-11af-4cab-bb73-32fd952ede69" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dba9fa2e-0212-4517-b379-5c943fe235f3" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e1d21aa-7c2d-4f10-88b6-d4aa3846aaf0" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8d0c870-6668-4977-bb66-5ddc6f6623c0" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>