<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:10799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T13:56:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/281856-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10799">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:10799</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T10:51:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:10799 Rechtbank Amsterdam , 30-12-2025 / 13/281856-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10799:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB uit Polen. Artikel 6a OLW: de enkele wens van de opgeëiste persoon om in Nederland te resocialiseren, is onvoldoende voor overname van de straf door Nederland. Artikel 11 OLW: geen algemeen reëel gevaar voor veroordeelde gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Polen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:10799:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/281856-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 24 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_8206cf10-d8ae-46db-a582-e89fe1c0992c" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juli 2025 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold"> [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] (Polen),</para>
      <para>	inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:</para>
      <para> [adres] ,</para>
      <para> nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_ab7e34f9-5e6d-428f-b022-0bd166252ec1" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.  	Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Piła </emphasis>van 10 oktober 2024 met kenmerk III K 529/24.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van elf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden en zesentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_9401ac19-5486-4d72-87f1-6c706f582d8d" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	eenvoudige belediging. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoewel de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, verzoekt de raadsman de zaak aan te houden om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat en het veroordelende vonnis op te vragen ten behoeve van strafovername door Nederland. Het gaat om een korte gevangenisstraf en het is daarom in het belang van de opgeëiste persoon dat hij in Nederland zijn straf kan uitzitten en zodoende in Nederland kan resocialiseren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om de in Polen opgelegde straf over te nemen, omdat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling. De opgeëiste persoon staat sinds augustus 2025 ingeschreven in Nederland. Dat de opgeëiste persoon desalniettemin zou voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling is niet met stukken onderbouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW. De enkele wens van de opgeëiste persoon om in Nederland te resocialiseren, is onvoldoende. Overname van de straf door Nederland is alleen aan de orde wanneer de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander zoals opgenomen in artikel 6a, negende lid, OLW. Die situatie doet zich hier niet voor. Het verzoek tot aanhouding wordt daarom afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU en Poolse rechtsstaat</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_a6b6ce2e-2b07-43c6-81ae-e797fde55a91" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_c825867c-8b4f-44e0-b978-b35beda91b97" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Poolse detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>6.2.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat gevraagd moet worden waar de opgeëiste persoon in Polen zal worden gedetineerd. Hoewel er geen algemeen gevaar is aangenomen voor de detentie-instellingen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten uitzitten, worden de mensenrechten niet zonder meer in alle detentie-instellingen voor veroordeelde gedetineerden gewaarborgd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.2.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om aanvullende vragen te stellen, omdat de rechtbank geen algemeen gevaar heeft aangenomen voor de executie van vrijheidsstraffen in Poolse detentie-instellingen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>6.2.3</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd, waaruit zou kunnen volgen dat een dergelijk algemeen reëel gevaar bestaat. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een concreet gevaar voor de opgeëiste persoon. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van het EAB aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover informatie in te winnen en garanties te vragen dan ook af.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 266, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis>, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Westerman, voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van V.C. Vermeulen, griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8206cf10-d8ae-46db-a582-e89fe1c0992c" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab7e34f9-5e6d-428f-b022-0bd166252ec1" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9401ac19-5486-4d72-87f1-6c706f582d8d" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6b6ce2e-2b07-43c6-81ae-e797fde55a91" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c825867c-8b4f-44e0-b978-b35beda91b97" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>