<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:96</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-13T15:40:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/146306-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2026:654" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2026:654, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:96">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:96</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-12T14:05:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:96 Rechtbank Amsterdam , 11-01-2024 / 13/146306-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:96:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan drugshandel, door een relatief grote hoeveelheid cocaïne te vervoeren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:96:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="4261eb6a-6c1b-4a68-94c0-225f688049f1" depth="16" width="551" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/146306-20 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 11 januari 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1977, </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>ter zitting opgegeven post- en verblijfsadres:</para>
      <para>
        [adres], </para>
      <para>
        [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19 november 2020, 12 mei 2021, 31 augustus 2023 en 21 december 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Bont, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Th.U. Hiddema, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1980 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 1 juni 2020 komt bij de politie een melding binnen van het ANPR-systeem, dat een daarin opgenomen Opel Zafira met kenteken [kenteken] (hierna: de Opel) is gesignaleerd op de Rijksweg A4 tussen Schiphol en Leiden. Naar aanleiding van deze melding houden verbalisanten een verkeerscontrole op de A4 en houden de Opel stil ter zake van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994. In de Opel bevinden zich drie personen: [medeverdachte 1] als bestuurder, [medeverdachte 2] op de bijrijdersstoel en verdachte links op de achterbank achter de bestuurder. </para>
        <para>
          [medeverdachte 2] kan geen identiteitsbewijs overleggen en ook bij de identiteitsfouillering wordt geen identiteitsbewijs gevonden. Daarop wordt het voertuig onderworpen aan een doorzoeking. Bij de doorzoeking wordt achter de bijrijdersstoel op de grond een oranje papieren tas aangetroffen met daarin een plastic tas met twee in blauwe tape gewikkelde blokken. Uit forensisch onderzoek blijkt later dat het gaat om 1,98 kilogram cocaïne.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) de handel dan wel het aanwezig hebben van de verdovende middelen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen op grond van het aantreffen van de verdovende middelen in het voertuig, het laboratoriumrapport en de getuigenverklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris. De verklaring van [medeverdachte 1] is geloofwaardig, nu hij vanaf het begin meteen een verklaring heeft afgelegd bij de politie en in de kern steeds consistent verklaart.  Op basis van genoemde stukken kan worden vastgesteld dat verdachte de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen, nu deze naast hem op de grond in de auto zijn aangetroffen. Verdachte had ook wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de auto.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De getuigenverklaring van [medeverdachte 1] is onbetrouwbaar, nu deze persoon ook een medeverdachte is geweest in hetzelfde onderzoek en daarom een eigen belang had bij het afleggen van deze –voor verdachte belastende– verklaring. Daarnaast heeft hij op punten inconsistent verklaard. Er is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] opzettelijk de cocaïne heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, op grond van de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse en de getuigenverklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht deze verklaring betrouwbaar, nu [medeverdachte 1] in hoofdlijnen telkens consistent heeft verklaard en de verklaring als getuige bij de rechter-commissaris pas door [medeverdachte 1] is afgelegd nadat hijzelf was vrijgesproken door de rechtbank. De verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris bestond eruit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] verzochten om hen naar Den Haag te rijden, dat hij daar op een parkeerplaats moest parkeren, dat toen een bestelbus achter hen parkeerde waaruit twee mannen stapten, dat die twee mannen door het open raam aan de passagierszijde een plastic tas aan medeverdachte [medeverdachte 2] gaven, dat [medeverdachte 2] dit pakket aanpakte en direct doorgaf aan verdachte op de achterbank. Verdachte en [medeverdachte 2] waren in Den Haag niet uit de auto gestapt en er is ook geen deur open geweest. [medeverdachte 1] omschrijft de tas die werd aangereikt als een soort blauw blokvormig pakketje. Bij de politie beschrijft hij het als een lichte tas en verklaart hij dat hij door de tas heen zag dat er twee blokken in zaten. Bij de politie heeft [medeverdachte 1] ook nog verklaard dat, toen hij verdachte en [medeverdachte 2] in Amsterdam ophaalde, verdachte een oranje tas bij zich had. [medeverdachte 1] is, voordat hij als getuige werd gehoord, twee keer als verdachte gehoord: op 2 juni 2020, op de dag van zijn aanhouding, door de politie en op 4 juni 2020 en door de rechter-commissaris. De verklaringen van [medeverdachte 1] zijn op relevante punten consistent. Tegenover de verklaringen van [medeverdachte 1] staat de telkens wisselende verklaring van verdachte, er op neer komende dat hij niets wist, niets kon weten of vermoeden en niets heeft gezien van een pakketje. Gelet op telkens het wisselende karakter van zijn verklaringen worden deze, mede gelet op de overige bevindingen en de verklaringen van [medeverdachte 1], als onaannemelijk terzijde geschoven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte de wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de Opel en de beschikkingsmacht over de verdovende middelen had, en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2].</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht op grond van de in <emphasis role="bold">bijlage I </emphasis>opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op 1 juni 2020 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad 1980 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid van het feit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>Motivering van de straf</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de uur van acht maanden met aftrek van het voorarrest.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft geen strafmaatverweren gevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ernst van het feit</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan drugshandel, door een relatief grote hoeveelheid cocaïne te vervoeren. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Handel in harddrugs gaat vaak gepaard met overlast voor de samenleving en met vormen van zware criminaliteit waarbij geweld niet wordt geschuwd. Onschuldige burgers zijn hiervan getuige of soms zelf het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitgangspunten voor de strafoplegging</emphasis>
        </para>
        <para>Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten kan in beginsel niet worden volstaan met een andere straf dan een forse (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Persoon van verdachte</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 november 2023. Hieruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor enig misdrijf.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Veroordeling medeverdachte en tijdsverloop</emphasis>
        </para>
        <para>Medeverdachte [medeverdachte 2] is op 3 december 2020 veroordeeld voor het met verdachte gepleegde feit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Hoewel er geen sprake is van <emphasis role="italic">undue delay</emphasis> in de zaak van verdachte, ziet de rechtbank in het grote tijdsverloop sinds het plegen van het feit aanleiding de straf te matigen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
        </para>
        <para>Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van het voorarrest opleggen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de eendaadse samenloop van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">en;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van <emphasis role="bold">8 (acht) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.  </para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. M. van Mourik, 	voorzitter,</para>
      <para>mr. M.A.E. Somsen en mr. P. Sloot, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>