<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:917</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-21T09:28:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/175504-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:917">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:917</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-20T12:12:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:917 Rechtbank Amsterdam , 31-01-2024 / 13/175504-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:917:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB ter vervolging - gelijkstelling opgeëiste persoon met een Nederlander - terugkeergaraite verstrekt - toestaan overlevering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:917:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/175504-23</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 28 november 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_c932f671-2081-41d0-bf5d-aec9993795d3" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2019 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom (Polen)</emphasis> en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1971</para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[BRP-adres]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 30 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, </para>
      <para>mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie aan de Poolse autoriteiten op te vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_b6f389df-86aa-4bb1-8891-ef2eb38330f9" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 19 september 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - hervat in de stand van het onderzoek van 30 april 2019 en heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, </para>
      <para>mr. R.B.M. Poppelaars en door een tolk in de Poolse taal. </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting is geschorst om beantwoording door de Poolse autoriteiten van door de rechtbank gestelde vragen af te wachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 14 november 2023</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is  - met toestemming van partijen -  hervat in de stand van het onderzoek van 30 april 2019 en heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, </para>
      <para>mr. M. Broekert, advocaat in Breda, die verklaart waar te nemen namens haar collega </para>
      <para>mr. R.B.M. Poppelaars en door een tolk in de Poolse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken.<footnote-ref linkend="_6ace0687-735a-4757-aba9-d864964e5fce" /> Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. </para>
      <para>Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.<footnote-ref linkend="_0ac60b2d-e913-4611-8dbd-7bd46134e730" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ontvankelijkheid openbaar ministerie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie dient door de rechtbank niet ontvankelijk te worden verklaard, aangezien er te lang niks gedaan is in deze zaak. Er is ruim 3 jaar niets door het openbaar ministerie gedaan. De raadsvrouw heeft verwezen naar uitspraken van deze rechtbank van </para>
      <para>26 januari 2017<footnote-ref linkend="_cd433737-0c81-4780-a5ab-c4a8d8dced77" /> en 14 februari 2019<footnote-ref linkend="_9413d549-6ec3-4f9d-b7f5-45125ff3b355" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is niet verjaard en de Poolse autoriteiten wensen nog steeds de opgeëiste persoon te vervolgen. Dit blijkt uit de nog actieve signalering en het uitgevaardigde EAB. Het tijdsverloop maakt niet dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt. Inmiddels is in deze zaak de termijn van 90 dagen, waarbinnen de rechtbank op het overleveringsverzoek moet beslissen, ruimschoots overschreden. Hiervoor is al overwogen dat dit de rechtbank niet ontslaat van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 16 juli 2015 het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Lanigan<footnote-ref linkend="_601fe2c3-3f42-411b-b92f-ae7b1fefd4e8" />. <?linebreak?></para>
      <para>Het verstrijken van de beslistermijn betekent alleen dat er geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.<footnote-ref linkend="_f2ce02ef-c236-47dd-8cce-ef09bbad7660" /> De door de raadsvrouw aangehaalde uitspraken zien op een andere situatie dan hier aan de orde. In die zaken ging het om gevallen waarin de uitvaardigende justitiële autoriteit niet binnen een redelijke termijn gegevens verstrekte die een vastgesteld reëel gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon konden uitsluiten. In dit geval is het uitblijven van een reactie uit Polen op de vragen van deze rechtbank niet essentieel voor het tijdsverloop. Het tijdsverloop moet in dit geval beschouwd worden als een aan Nederland toe te rekenen omstandigheid. Voor zover het verweer van de raadsvrouw moet worden verstaan  als een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geldt bovendien dat de in dat artikel opgenomen redelijke termijn ziet op het strafvorderlijk proces. Het Kaderbesluit kent een zodanige redelijke termijn niet. Het verweer wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">decision of The District Court in Radom of 6 december 2017 on temporary arrest (ref. X Kp 428/17).</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering, vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_1fca1ed6-4821-4738-beed-9d377eba87d1" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid <?linebreak?></title>
    <bridgehead role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Opzettelijk handelen met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvoerende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander en dat de door de Poolse autoriteiten afgegeven terugkeergarantie voldoet aan de daartoe gestelde vereisten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para />
    <para>2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;</para>
    <para />
    <para>3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eerste voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de brief van de IND van 24 april 2019 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds </para>
      <para>31 januari 2012 is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in Nederland wel kan worden vervolgd voor het feit welke aan het EAB ten grondslag ligt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De derde voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank  aan de hand van informatie van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 24 april 2019 blijkt dat de opgeëiste persoon bij een eventuele veroordeling in Polen niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen. In de e-mail van </para>
      <para>27 september 2023 van de IND wordt vermeld dat er geen aanleiding is om tot een andere beoordeling te komen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon kan aldus gelet op het voorgaande op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De<emphasis role="italic"> Regional Court in Radom II Crimnal Department </emphasis>heeft bij e-mail van 26 april 2019 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In response to your enquiry of 17.04.2019, the Regional Court in Radom, 2ⁿᵈ Criminal Division hereby informs that as long as the executing party issues a decision on the surrender of [opgeëiste persoon] , sought under the European Arrest Warrant, to Polish prosecution authorities, provided that he serves his unconditional custodial sentence, if any, imposed upon him for that offence, in Holland, Polish authorities will conform to this provision in accordance with art. 607j of the Code of Penal Procedure.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="italic">Regional Court in Radom II Criminal Department</emphasis> heeft bij e-mail van 12 juni 2019 op verzoek van het openbaar ministerie de volgende aanvullende informatie verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“The Provincial Court in Radom II Criminal Department hereby informs, that if our consent for extradition of the suspect [opgeëiste persoon] , provided that he serves the penalty of deprivation of liberty (if such a penalty is imposed) in the country of enforcement of the EAW (European Arrest Warrant), according to art. 607 § j of the Code of Penal Procedure, after the trial has been completed and the court’s adjudication becomes valid, the convicted person will be delivered to that country for the purpose of executing the sentence.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is voornoemde garantie van 26 april 2019, in samenhang met voornoemde e-mail van 12 juni 2023, voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Onschuldverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de opgeëiste persoon onschuldig is aan het hem in het EAB verweten feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond. De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.<footnote-ref linkend="_c3bcaeeb-281d-4019-bc19-678b0f095089" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">8.  	Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW/verzoek overname vervolging  </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.<footnote-ref linkend="_df701f5d-8acd-4dc5-a6d8-7b982face808" /></para>
      <para>
        <?linebreak?>De raadsvrouw van de opgeëiste persoon stelt zich primair op het standpunt dat op grond van artikel 13 OLW de overlevering dient te worden geweigerd aangezien het feit geheel op Nederlands gebied heeft plaatsgevonden en Nederland rechtsmacht heeft. </para>
      <para>Subsidiair verzoekt de raadsvrouw aan de rechtbank om te beslissen dat de officier van justitie de vervolging van de opgeëiste persoon overneemt aangezien Nederland rechtsmacht heeft, hij in Nederland is geworteld en het feit zich in het geheel in Nederland heeft afgespeeld. </para>
      <para>Teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vervolging van de opgeëiste persoon over te nemen, verzoekt de raadsvrouw de behandeling van de zaak aan te houden.    <?linebreak?></para>
      <para>De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- het onderzoek is aangevangen in Polen;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- de verdovende middelen waren bestemd voor de Poolse markt;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- de bewijsmiddelen zich in Polen bevinden;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- de Poolse autoriteiten een terugkeergarantie hebben afgegeven.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een verzoek tot vervolging in deze zaak alleen door de Poolse autoriteiten zelf kan worden gedaan en dat het openbaar ministerie niet van plan is tot vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland over te gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. De gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, gelet op wat de officier van justitie heeft aangevoerd, onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Het verweer wordt afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw overweegt de rechtbank dat  </para>
      <para>de OLW de rechtbank niet de bevoegdheid geeft om te beslissen dat de officier van justitie de strafvervolging overneemt. Een dergelijke beslissing zou neerkomen op een buitenwettelijke weigering van de overlevering. Het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw wordt daarom afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Medische toestand van de opgeëiste persoon; verzoek tot aanhouding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft op voorhand en ter zitting verzocht de behandeling van de zaak aan te houden zodat de opgeëiste persoon een medische behandeling kan ondergaan ter behandeling van de ziekte van Graves, die waarschijnlijk in januari 2024 zal zijn afgerond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat de opgeëiste persoon ziek is staat niet in de weg aan het toestaan van de overlevering door de rechtbank. Er is dus geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken af dat de opgeëiste persoon ziek is en een medische behandeling nodig heeft. In dit licht is echter van belang dat ingevolge artikel 35, derde lid, OLW de feitelijke overlevering achterwege kan blijven, zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan overlevering in de weg staan. Indien de behandeling van de opgeëiste persoon geen feitelijke overlevering toestaat, bestaat voor de officier van justitie de mogelijkheid om de feitelijke overlevering tijdelijk uit te stellen. De beslissing omtrent de toelaatbaarheid van de overlevering behoeft hiertoe niet te worden aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>12</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van de opgeëiste persoon aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Radom (Polen)</emphasis> voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.K. Glerum en A.W.T. Klappe,                         				 rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                          	 griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 november 2023. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c932f671-2081-41d0-bf5d-aec9993795d3" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6f389df-86aa-4bb1-8891-ef2eb38330f9" label="2">
    <para> Zie artikel 22 OLW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ace0687-735a-4757-aba9-d864964e5fce" label="3">
    <para> Zie artikel 22 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ac60b2d-e913-4611-8dbd-7bd46134e730" label="4">
    <para> De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd433737-0c81-4780-a5ab-c4a8d8dced77" label="5">
    <para>ECLI:NL:RBAMS:2017:414</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9413d549-6ec3-4f9d-b7f5-45125ff3b355" label="6">
    <para>ECLI:NL:RBAMS:2019:1513</para>
  </footnote>
  <footnote id="_601fe2c3-3f42-411b-b92f-ae7b1fefd4e8" label="7">
    <para>C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474, punt 42</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2ce02ef-c236-47dd-8cce-ef09bbad7660" label="8">
    <para> De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1fca1ed6-4821-4738-beed-9d377eba87d1" label="9">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3bcaeeb-281d-4019-bc19-678b0f095089" label="10">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df701f5d-8acd-4dc5-a6d8-7b982face808" label="11">
    <para> Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>