<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:8869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-03T13:25:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/315305-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8869">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8869</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-26T13:49:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:8869 Rechtbank Amsterdam , 10-10-2024 / 13/315305-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8869:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overleveringswet. Artikel 21 lid 8. Een bevel dat de opgeëiste persoon “in verzekering gesteld zal blijven tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist” vereist een voorafgaand bevel tot inverzekeringstelling a.b.i. artikel 21 lid 5</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8869:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/315305-24</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing op de vordering voortzetting inverzekeringstelling </title>
    <bridgehead role="bold">(artikel 21 lid 8 Overleveringswet)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit van Estland heeft om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [opgeëiste persoon] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] , Estland</para>
      <para>van Estische nationaliteit,</para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>thans uit anderen hoofde gedetineerd [detentieplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Raadsman mr. R.F. Bakker.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft op 9 oktober 2024 gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat de opgeëiste persoon in verzekering gesteld blijft tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. De officier van justitie is tevens voornemens de tenuitvoerlegging van voornoemd bevel op te schorten ten behoeve van de uit anderen hoofde detentie op grond van parketnummer 13/277452-24, met ingang van 10 oktober 2024 tot het moment dat de uit anderen hoofde detentie afloopt dan wel wordt geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de opgeëiste persoon op 10 oktober 2024 gehoord. Haar raadsman is in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vast staat dat de opgeëiste persoon niet naar aanleiding van het Europees aanhoudingsbevel (EAB) is aangehouden noch in verzekering is gesteld. Het openbaar ministerie heeft in een e-mailbericht van 10 oktober 2024 laten weten dat een aanhouding voor een vordering als bedoeld in artikel 21, achtste 8, Overleveringswet (OLW) niet is vereist. De rechtbank volgt het openbaar ministerie niet in dit standpunt en overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De van toepassing zijnde bepaling is artikel 21 OLW. Dit artikel is opgenomen in afdeling 2, paragraaf B, OLW met de aanhef “Aanhouding”. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21, eerste lid, OLW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de opgeëiste persoon op basis van een EAB zonder verdere formaliteiten wordt aangehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21, vijfde lid, OLW bepaalt dat, na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, de officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan bevelen dat deze persoon gedurende drie dagen in verzekering gesteld zal blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 21, achtste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank, na de opgeëiste persoon te hebben gehoord, op vordering van de officier van justitie kan bevelen dat deze in verzekering gesteld zal <emphasis role="underline">blijven</emphasis> [onderstreping rechtbank] tot het tijdstip waarop de rechtbank over zijn gevangenhouding beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit voormelde bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat een opgeëiste persoon eerst in verzekering moet zijn gesteld alvorens sprake kan zijn van een bij de rechtbank ingediende vordering tot voortduring van die inverzekeringstelling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon in deze zaak niet is aangehouden en niet in verzekering is gesteld conform artikel 21, eerste en vijfde lid 1, OLW, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de wettelijke vereisten om inhoudelijk te kunnen beslissen op de vordering ex artikel 21, achtste lid, OLW. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering van </para>
      <para>9 oktober 2024. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de officier van justitie <emphasis role="bold">NIET-ONTVANKELIJK</emphasis> in de vordering tot voortzetting van de inverzekeringstelling </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen op 10 oktober 2024 door:</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer, 	rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van S.C.M. Plat,	 griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>