<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:8838</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-23T12:45:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.314.901-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8838">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8838</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-23T12:30:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:8838 Rechtbank Amsterdam , 04-12-2024 / 13.314.901-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8838:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB t.b.v tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Overlevering toegestaan. Verweer m.b.t. het strafrestant is verworpen. Niet de duur van het (nog) te executeren deel van de vrijheidsstraf, maar de duur van de opgelegde vrijheidsstraf is doorslaggevend bij de beoordeling van het overleveringsverzoek en bovendien is door de opgeëiste persoon niet aannemelijk gemaakt dat na aftrek van het voorarrest in Polen geen strafrestant overblijft. De enkele betwisting van de in het EAB verstrekte informatie biedt geen aanknopingspunt om nader onderzoek te verrichten. De rechtbank heeft verder afgezien van haar bevoegdheid om de overlevering o.g.v. artikel 12 OLW te weigeren.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8838:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/314901-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 4 december 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 3 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_1dd34920-1045-404c-a950-9c24c45c253c" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2021 door <emphasis role="italic">the Regional Court of Law in Częstochowa</emphasis> in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1966, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de [detentieplaats] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. R. Zilver, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_fc3b2fe3-74fb-4cdd-a53b-3e4206a1df46" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist </para>
      <para>zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag EAB</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">enforceable judgement of the Regional Court of Law in Częstochowa of 22nd March 2018, handed down in case file reference II K 26/17</emphasis>. Uit het EAB blijkt dat deze zaak in hoger beroep is beoordeeld in het arrest van <emphasis role="italic">the Appeal Court in Katowice</emphasis> van 29 november 2018, met kenmerk II Aka 369/18.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_8a5f06ab-6de1-44e6-a721-6493e21c819c" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten uitvoer te leggen straf</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat hij de hem opgelegde straf al in zijn geheel in voorarrest heeft uitgezeten. Hij heeft dit van meet af aan stellig verklaard en dit is niet weersproken. Het onderhavige overleveringsverzoek heeft ook in Duitsland gespeeld. De overlevering is toen geweigerd. Volgens de opgeëiste persoon zou nog worden onderzocht of hij de opgelegde straf nog moest ondergaan. Hij was in de veronderstelling dat hij de straf niet meer hoefde uit te zitten. Gelet op het vorenstaande moet het onderzoek worden aangehouden voor het stellen van vragen over dit punt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen grond voor aanhouding is. Niet de duur van het (nog) te executeren deel van de vrijheidsstraf, maar de duur van de opgelegde vrijheidsstraf is doorslaggevend bij de beoordeling van het overleveringsverzoek en bovendien is door de opgeëiste persoon niet aannemelijk gemaakt dat na aftrek van het voorarrest in Polen geen strafrestant overblijft. De enkele betwisting van de in het EAB verstrekte informatie biedt geen aanknopingspunt om nader onderzoek te verrichten. De rechtbank verwerpt daarom het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft geen verweer betreffende artikel 12 OLW gevoerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB blijkt dat door de advocaat van opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat hier op 29 november 2018 door <emphasis role="italic">the Appeal Court in Katowice</emphasis> op is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon</para>
      <para>rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_fe26ceb8-e390-47b4-9c19-5b902f8d477c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat gelet op het vorenstaande en hetgeen in het EAB en de aanvullende informatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 14 oktober 2024 is meegedeeld, de procedure in hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a en c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB en de eerder genoemde aanvullende informatie en de aanvullende informatie in de brief van 12 november 2024 blijkt het volgende: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon is in eerste aanleg op één zitting aanwezig geweest, samen met zijn (ex officio benoemde) advocaat;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>tijdens die eerste zitting heeft de opgeëiste persoon een verklaring afgelegd;  </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ondanks dat de opgeëiste persoon op de zitting de datum van de volgende zitting is aangezegd, is hij vanaf dat moment niet meer ter zitting verschenen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>zijn advocaat heeft alle volgende zittingen wel bijgewoond tot en met de dag dat het vonnis werd uitgesproken op 22 maart 2018;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Dezelfde advocaat heeft na het vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>in hoger beroep is de zaak op één zittingsdag, op 29 november 2018, behandeld;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon heeft tijdens de voorgeleiding voor deze rechtbank verklaard dat hij op de hoogte is geraakt van het hoger beroep omdat het hof hem op enig moment heeft bericht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>volgens de aanvullende informatie is de oproeping voor de zitting in hoger beroep op 24 augustus 2018 aan een “<emphasis role="italic">adult household member</emphasis>” uitgereikt; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ter zitting in hoger beroep is de verdediging gevoerd door dezelfde advocaat als in eerste aanleg. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat de advocaat ten behoeve van het proces in hoger beroep stukken aan het hof heeft overgelegd betreffende de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, namelijk: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…) As regards the hearing before the Court of Appeal, which was held on 29.11.2018, the defence counsel of the accused filed at the Court documents written in German with certified translations thereof into Polish, showing the family situation of the accused, declared that the accused was living in Germany, all his family members were covered by his insurance and putting him out of his job in Germany would cause great hardship to his family. Specifications of the components of the remuneration of the accused were also submitted to the Court. It has to be noted that the documentation is extensive (from page 8228 to 8296 of the case records) and contains also details relating to the time when the appeal hearing was held, e.g. certificate of hospitalization of [naam] during a period until 19.09.2018, certificate from a primary school of 25.09.2018, payslip of the accused for August 2018. (…) </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>Ondanks het vorenstaande kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich heeft voorgedaan. Hoewel uit de verstrekte informatie blijkt dat de advocaat in hoger beroep de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd en het gelet op de stukken die de advocaat heeft overgelegd niet anders kan dan dat er (in)direct contact tussen de opgeëiste persoon en zijn advocaat is geweest ten behoeve van de zitting in hoger beroep, kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon de advocaat daadwerkelijk heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zij acht daarbij van belang dat uit de informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep, alsmede waarvan hij werd verdacht. Tevens blijkt uit de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij op de hoogte is geraakt van de procedure in hoger beroep. In hoger beroep zijn er stukken namens hem door zijn advocaat overgelegd die betrekking hebben op zijn situatie in Duitsland. Deze stukken dateren van na de uitreiking van de oproeping voor het hoger beroep op 24 augustus 2018 en naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat de stukken, gelet op de hoogstpersoonlijke aard daarvan, door of namens de opgeëiste persoon aan zijn advocaat zijn verstrekt. Door vervolgens niet ter zitting in hoger beroep te verschijnen heeft de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. Overlevering levert daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten op. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Evenredigheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de uitvaardiging van het EAB niet evenredig is. Het gaat om feiten die 25 jaar geleden zijn gepleegd. Pas 18 jaar later is vonnis gewezen en het is onduidelijk waarom dat zo lang heeft geduurd. Als de procedure in Nederland had plaatsgevonden was het recht tot strafvordering al ruimschoots verjaard. Gelet op de problemen met de Poolse rechtsstaat is het heel wel mogelijk dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad. </para>
      <para>Na de veroordeling van de opgeëiste persoon heeft het EAB nog eens drie jaar op zich laten wachten. De opgeëiste persoon heeft echter niet onder de radar geleefd want hij staat al tien jaar in Duitsland ingeschreven met zijn gezin en heeft daar een leven opgebouwd. Eén van zijn dochters is ziek en dat heeft veel impact op zijn familie. Verder heeft er ook in Duitsland een overleveringsprocedure plaatsgevonden. De overlevering is door de Duitse rechter geweigerd omdat de opgeëiste persoon daar woonde en de Duitse rechter het niet redelijk vond dat de opgeëiste persoon nog naar Polen moest. Ten slotte verkeerde de opgeëiste persoon in de veronderstelling dat hij de straf niet meer hoefde uit te zitten. Daarom is er sprake van een onevenredig overleveringsverzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft tot verwerping van het verweer geconcludeerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. Het besluit van de Poolse rechter om in deze zaak een EAB uit te vaardigen gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dit niet anders. De tenuitvoerlegging van het EAB kan onder uitzonderlijke omstandigheden onevenredig worden geacht ten opzichte van de opgeëiste persoon, maar van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 225 en 326 Wetboek van Strafrecht 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court of Law in Częstochowa</emphasis> in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.L. op ‘t Hoog,					   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, 	                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1dd34920-1045-404c-a950-9c24c45c253c" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc3b2fe3-74fb-4cdd-a53b-3e4206a1df46" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a5f06ab-6de1-44e6-a721-6493e21c819c" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe26ceb8-e390-47b4-9c19-5b902f8d477c" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>