<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:8836</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-22T11:53:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 23 _ 5568</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8836">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8836</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-22T11:41:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:8836 Rechtbank Amsterdam , 07-11-2024 / AWB - 23 _ 5568</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8836:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag situatiepunten</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8836:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 23/5568 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D. Rezaie),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: F. Rahimoella).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 7 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om situatiepunten toe te kennen afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 3 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen G. Ali, tolk in de Arabisch (Irakese) taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is er aan de procedure voorafgegaan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser is een gescheiden man. Hij heeft sinds 21 december 2021 een briefadres op de [adres 1] in Amsterdam. Hiervoor woonde eiser van 19 februari 2008 tot 21 december 2021 op het adres [adres 2] in Amsterdam. Dit betrof de gezamenlijke woning met zijn ex-partner die per echtscheidingsbeschikking van 8 december 2021 is toegewezen aan de ex-partner van eiser. Eiser heeft ruim 1,5 jaar op straat geleefd en woont nu tijdelijk bij HVO-Querido. Eiser heeft drie minderjarige kinderen. Eiser en zijn ex-partner hebben gezamenlijk gezag over de kinderen en er is een zorg- en opvoedregeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft op 27 april 2023 situatiepunten aangevraagd. Situatiepunten zouden eiser extra kunnen helpen bij het zoeken naar een woning. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit afgewezen<footnote-ref linkend="_50d2367a-d30f-48eb-b210-34d184033bef" /> omdat hij niet voldoet aan alle voorwaarden voor situatiepunten. Eiser stond niet ten minste twee jaar aaneengesloten voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven op een woonadres in de stadsregio Amsterdam. Ook heeft eiser in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag niet ten minste twee jaar aaneengesloten ingeschreven gestaan op het adres van de voormalige gezamenlijke woning.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder blijft net als in het primaire besluit aan eiser tegenwerpen dat hij niet aan alle voorwaarden voor situatiepunten voldoet. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit aan de hardheidsclausule getoetst maar komt verweerder tot de conclusie dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om een uitzondering te maken op grond van de hardheidsclausule. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Artikel 2.5.2 van de Hvv luidt als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Artikel 2.5.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">1.	Een woningzoekende kan in aanmerking komen voor een verklaring opbouw situatiepunten indien hij verkeert in een van de volgende situaties:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">a.	(…); of,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">b.	hij verkeert in een situatie van echtscheiding of relatiebreuk en kan niet in de voormalig gezamenlijke woning blijven wonen en kan niet over zelfstandige woonruimte beschikken,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">3.	De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">a.	de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio blijkend uit een inschrijving op een adres in de regio in de basisregistratie personen;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">b.	de woningzoekende heeft in de drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag, ten minste twee jaar aaneensluitend ingeschreven gestaan in de basisregistratie personen op het adres van de gezamenlijke woning; en,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">c.	de woningzoekende heeft (mede)gezag over en de zorg voor ten minste één dag per week voor ten minste één minderjarig kind.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In artikel 2.5.5, eerste lid, van de Hvv is bepaald dat verweerder de verklaring situatiepunten weigert indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.5.2 van de Hvv genoemde eisen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn verweerschrift en op de zitting heeft toegelicht dat artikel 2.5.2, derde lid onder a, van de Hvv niet langer aan eiser wordt tegengeworpen. Artikel 2.5.2, derde lid onder c, van de Hvv wordt ook niet tegengeworpen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt daarom of verweerder de aanvraag van eiser om situatiepunten terecht heeft afgewezen omdat hij niet aan de voorwaarde van artikel 2.5.2, derde lid onder b, van de Hvv voldoet. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eiser voert aan dat de regelgeving omtrent situatiepunten recent, per 16 januari 2023, is ingevoerd en dat verweerder daarin een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen woningzoekenden die kort voor 16 januari 2023 zijn gescheiden en woningzoekenden die ruim voor 16 januari 2023 zijn gescheiden. De voorwaarde in de Hvv pakt in het geval van eiser onevenredig zwaar uit en er is geen overgangsrecht. Eiser komt vier maanden tekort om te voldoen aan de voorwaarde onder b. Het bestreden besluit is in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank vindt het beleid van verweerder niet onredelijk. Verweerder voert terecht aan dat woningen in Amsterdam schaars zijn en het aantal woningzoekenden is groter dan het woningaanbod. Bij de uitwerking van de situatiepunten zijn daarom objectieve criteria vastgesteld. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat het wat verweerder betreft moet gaan om actuele situaties en dat het daarom logisch is dat wordt gekeken naar de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag. Er is gekozen voor een beperkte groep mensen die in aanmerking komt voor situatiepunten. De keuze voor deze groepen is mede gebaseerd op een enquête onder inwoners in de regio Amsterdam waaruit blijkt dat er draagvlak was voor deze specifieke groepen. Om ervoor te zorgen dat de regels gelijk op alle burgers worden toegepast houdt verweerder zich strikt aan het beleid. Dit leidt ertoe dat er woningzoekenden zoals eiser buiten de boot vallen die wel in een dringende situatie verkeren, tenzij er toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt verder dat terecht in het bestreden besluit is opgenomen dat het inherent is aan nieuwe wet- en regelgeving dat burgers pas vanaf dat moment het recht geldend kunnen maken. Het is niet mogelijk om het recht op een verklaring situatiepunten met terugwerkende kracht geldend te maken. De datum van inwerkingtreding van de wet- en regelgeving omtrent de situatiepunten per 16 januari 2023 is leidend. Er is daarbij geen overgangsrecht opgenomen voor woningzoekenden die al langere tijd in een relatiebreuk of echtscheiding verkeren. Alleen woningzoekenden die op de datum van de aanvraag voldoen aan alle vereisten kunnen in aanmerking komen voor situatiepunten. Zoals eiser zelf al aanvoert komt hij vier maanden tekort om te voldoen aan de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 2.5.2, derde lid onder b, van de Hvv. Omdat eiser niet voldoet aan alle voorwaarden moest verweerder de aanvraag op grond van artikel 2.5.5. van de Hvv weigeren. De rechtbank acht de toelichting en motivering in het bestreden besluit hierover door verweerder voldoende. Er is daarom geen sprake van schending van het motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast en dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 9, derde lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>In artikel 2.5.5, derde lid, van de Hvv is bepaald dat verweerder bevoegd is in gevallen waarin toepassing van de regels naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in de Hvv. Verweerder heeft ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule beoordelingsvrijheid. Het gebruik van deze vrijheid moet door de rechter terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan eiser is aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Eiser verwijst in dit kader naar zijn kinderen en de zorg- en opvoedregeling. Volgens eiser wordt het hem en zijn kinderen bemoeilijkt om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact te onderhouden. Verder wijst hij erop dat hij de oorspronkelijke huurder was van de woning die nu aan zijn ex-partner is toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit heeft kunnen overwegen dat de situatie van eiser niet uniek is. In Amsterdam zijn er veel mensen in een soortgelijke situatie. Om die reden is ook sinds 1 januari 2024 in de nieuwe Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 een nieuwe urgentiecategorie opgenomen, namelijk “Economisch daklozen”. Verweerder heeft dit ook bij de beoordeling betrokken en heeft naar deze regeling verwezen. Ook heeft verweerder de belangen van de kinderen voldoende meegenomen in het kader van de hardheidsclausule. Verweerder heeft daarover kunnen overwegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem en zijn kinderen niet mogelijk is om zonder de situatiepunten op enige wijze op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met elkaar te onderhouden. Zoals eiser ook ter zitting heeft toegelicht is er omgang met zijn kinderen. Dat eiser de omgang graag zou willen uitbreiden en in een eigen woning zou willen laten plaatsvinden is begrijpelijk. Dit is echter niet een dermate bijzondere omstandigheid waarmee hij zich onderscheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om van toepassing van de hardheidsclausule af te zien. Verder is geen sprake van strijd met artikel 9, derde lid, van het IVRK. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Belhadi, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_50d2367a-d30f-48eb-b210-34d184033bef" label="1">
    <para> Op grond van artikel 2.5.2, derde lid onder a en b, van de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>