<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:8209</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-07T16:33:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-261037-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8209">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8209</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-07T16:08:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:8209 Rechtbank Amsterdam , 24-12-2024 / 13-261037-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8209:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak, Polen, vervolgings-EAB, onderzoek heropend en geschorst wegens Poolse detentieomstandigheden in remand prisons, individueel gevaar vastgesteld en redelijke termijn van 30 dagen gesteld voor evt wijziging detentieomstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8209:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-261037-23 (EAB II) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 december 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 15 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_ff1f9c32-f387-4420-8739-5cf8fc272f4a" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 27 mei 2022 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>	verblijfsadres: [verblijfadres] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De opgeëiste persoon is tevens bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">decision</emphasis> van <emphasis role="italic">the Szczecin-Prawobrzeze i Zachod (Right Bank and West) District Court in Szczecin, 6th Penal Division</emphasis>, van 13 januari 2022 (met kenmerk VI Kp 19/22).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_be356a84-31ea-43f5-846b-1774154f4e3d" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW; Poolse detentieomstandigheden  <?linebreak?></title>
    <bridgehead role="italic">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de opgeëiste persoon is naast het onderhavige EAB nog een ander EAB uitgevaardigd dat ziet op de executie van een straf die aan de opgeëiste persoon in Polen is opgelegd. Dit EAB in de zaak met parketnummer 13/261126-23 (EAB I) is gelijktijdig door de rechtbank behandeld met het onderhavige EAB (EAB II). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft op 24 oktober 2024 de vraag gesteld of de opgeëiste persoon na zijn overlevering in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> zal worden geplaatst of dat hij eerst zijn vrijheidsstraf in een ander regime zal ondergaan. Op die vraag heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij de brief van 30 oktober 2024 als volgt gereageerd: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">(…) the a/m will immediately begin serving the penalty of deprivation of freedom imposed on him in the case III K 134/17, however at the same time in respect of him will be applied the preventive measure in the form of a temporary arrest for the period of 30 days from the day of detention applied by virtue of the decision of the District Szczecin […]”</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de brief van 30 oktober 2024 is een verdere uitleg gegeven van de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden, waaruit blijkt dat hij in een <emphasis role="italic">remand centre</emphasis> zal worden geplaatst, in een cel afgezonderd van andere personen die (enkel) een vrijheidsstraf ondergaan en onder omstandigheden waarbij minder rechten gelden, gelijkend aan het <emphasis role="italic">remand regim</emphasis>e in Polen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“According to the genera! principle specified in art. 233a of the Criminal Executive Code a temporarily arrested person, in respect of whom the penalty of deprivation of freedom is executed, exercises of the same entitlements as a sentenced person, with the exception of:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1.	visits;</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">2.	correspondence;</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">3.	the use of telephone sets and other means of wired and cordless communication;</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">4.	possession of objects in the cell;</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">5.	the use of health services;</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="italic">6.	notifying the authority deciding on the qualifying to the temporarily arrested persons creating a serious social danger or else a serious danger to the safety of the penitentiary establishment and on remaining for treatment in the penitentiary establishment after release, as well as within the scope of granting permission.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Moreover a temporarily arrested person, serving the penalty of deprivation of freedom does not avail himself of the passes specified in art. (…). Additionally a temporarily arrested person, in respect of whom the penalty of deprivation of freedom is executed, is placed in the remand centre in rooms separate from those occupied by sentenced persons. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Such solution determines above all the purpose of application of the temporary arrest, because one has adopted the assumption, that the exercise, by an imprisoned person, of all the entitlements vested in the sentenced persons may prevent an appropriate securing of the correct course of the conducted criminal proceedings, since the a/m could in an unauthorized manner influence the course of the proceedings, so there may arise a fear of a criminal collusion on his part and a possibility of inciting other persons participating in the trafficking in drugs to present a version of events, favourable for him, which may result in obstructing the subject proceedings.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 juni 2024 in een andere zaak<footnote-ref linkend="_8c382a08-e800-4aff-a72c-2950aac37311" /> geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime </emphasis>in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen waar hij zal worden gedetineerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 november 2024 heeft de <emphasis role="italic">Director van het Detention Centre in Szczecin</emphasis> aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in deze penitentiaire inrichting. Daarnaast heeft <emphasis role="italic">de Prosecutor van het Department for Organised Crime and Corruption</emphasis> bij brief van 26 november 2024 aangegeven dat de opgeëiste persoon daar na aankomst op het vliegveld van Warschau (en een kort verblijf in de PI aldaar) gedetineerd zal worden. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 25 november 2024  het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In response […] I inform you that the surface area of the entire penitentiary unit was established in accordance with the applicable standard contained in Article 110 (2) of the Polish Criminal Executive Code, i.e. the minimum requirement of 3m2 per person. In this penitentiary unit each ward educator, arranges cultural-educational or physical education and sport activities. All activities organized for the detainees are voluntary and everybody can take part in them. The activities are organised on the basis of a weekly schedule of cultural­educational and sport activities and their frequency depends on the number of walking groups in the residential ward and varies from 4 to 7 hours per week. […] Article 112 of the Polish Criminal Executive Code requires that detainees spend a minimum of one hour outside their cells, which is based. on their guaranteed right to at least one-hour walk.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de brief van 26 november 2024 herhaalt de <emphasis role="italic">Prosecutor </emphasis>de hierboven aangehaalde alinea’s. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsvrouw </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat met de aanvullende informatie van 25 november 2024 het algemeen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling in de detentie-instellingen voor voorlopig gedetineerden voor de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Er is niet concreet aangegeven hoeveel persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel exclusief sanitair zal hebben, maar het zal in ieder geval beneden de ondergrens van 4 m2 zijn. Verder is onvoldoende duidelijk hoeveel tijd de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven.  Het aantal uren dat genoemd wordt, is in ieder geval te weinig. Evenmin is duidelijk binnen welke termijn hij contact met de buitenwereld kan hebben. Nu een wijziging van omstandigheden niet op korte termijn te verwachten valt, dient de officier van justitie  niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon tenminste 3 m2 aan persoonlijke celruimte zal krijgen en dat de opgeëiste persoon één uur per dag mag wandelen. Daarnaast beslaan eventuele overige activiteiten 4 tot 7 uur per week. Dit komt neer op 35 tot 60 minuten per dag die een gedetineerde buiten zijn cel mag doorbrengen, bovenop het gegarandeerde uur wandelen. Zodoende kan ervan worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon 1,5 tot 2 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het voorgaande onvoldoende is om het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, dan verzoekt de officier van justitie subsidiair de zaak aan te houden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen voort te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Meer subsidiair verzoekt de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, zodat de overlevering kan worden uitgevoerd voor EAB I (met parketnummer: 13-261126-23). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 25 en 26 november 2024 geen afdoende garantie dat de opgeëiste persoon geen gevaar loopt op schending van zijn grondrechten voor wat betreft de detentieomstandigheden in het <emphasis role="italic">remand centre</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in overeenstemming met de Poolse wet minimaal 3 m2 aan persoonlijke celruimte tot zijn beschikking zal krijgen in een meerpersoonscel (en niet 4 m2), zodat uitgegaan moet worden van persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder kan de rechtbank uit de aanvullende informatie niet opmaken hoeveel uur de opgeëiste persoon <emphasis role="underline">per dag</emphasis> buiten zijn cel zal kunnen verblijven als hij zou kiezen om aan alle activiteiten die buiten de cel worden aangeboden, deel te nemen, Voor de opgeëiste persoon is alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen. Met betrekking tot de frequentie van de activiteiten wordt daarbij onder meer opgemerkt dat deze afhangt van <emphasis role="italic">de “number of walking groups in the residential ward”.</emphasis> Het is onduidelijk wat hiermee bedoeld wordt. Daarnaast zouden de activiteiten variëren van 4 tot 7 uur per week: ook dat is onvoldoende concreet ten aanzien van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze stand van zaken leidt tot het oordeel dat voor de opgeëiste persoon een reële gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, dat met de verstrekte informatie niet is weggenomen. De rechtbank stelt vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, aan en stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze termijn (op 9 januari 2024) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal aan beide EAB’s ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en<emphasis role="bold"> SCHORST </emphasis>het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting <emphasis role="bold">op 22 januari 2025 of uiterlijk tien dagen daarna.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOUDT AAN</emphasis> de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen, omdat zij die</para>
      <para>verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen onder gelijktijdige schorsing van de overleveringsdetentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de <emphasis role="bold">oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw</emphasis> tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de <emphasis role="bold">oproeping van een tolk in de Poolse taal</emphasis> tegen een nader te bepalen datum en tijdstip </para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  				                         				voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.B. Oreel en B.M. Vroom-Cramer,         			   		  	 rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en L.E. Poel,         		    	  griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ff1f9c32-f387-4420-8739-5cf8fc272f4a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be356a84-31ea-43f5-846b-1774154f4e3d" label="2">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8c382a08-e800-4aff-a72c-2950aac37311" label="3">
    <para> Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>