<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:8208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-07T16:33:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-261126-23</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8208">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:8208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-07T16:04:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:8208 Rechtbank Amsterdam , 24-12-2024 / 13-261126-23</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8208:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak, Polen, executie-EAB, sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12 sub b OLW, onderzoek heropend en geschorst omdat uit aanvullende informatie is gebleken dat OP gedetineerd zal worden in het remand regime, individueel gevaar vastgesteld en redelijke termijn van 30 dagen gesteld voor eventuele verandering detentieomstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:8208:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-261126-23 (EAB I)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 december 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 14 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_3b081f65-678c-48e9-966d-6a380e946b78" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2022 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>	verblijfsadres: [verblijfadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Nunen, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De opgeëiste persoon is tevens bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_1c77fcf2-bb13-44f0-8262-25601c1db0b0" /> Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis> van 21 november 2018, met kenmerk III K 134/17, zoals gewijzigd bij het arrest van <emphasis role="italic">the Appellate Court in Szczecin </emphasis>van 12 april 2021, met kenmerk II Aka 99/19. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar, tien maanden en 26 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_c54fd9f4-355f-497c-9392-16f803dfaec8" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is omdat de opgeëiste persoon in hoger beroep niet aanwezig was en geen van de uitzonderingsgronden zich voordoet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw voert verder aan dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon is op zeker moment (in 2017) op borgtocht vrijgelaten; hij had toen een andere advocaat. De advocaten die met naam genoemd worden in de aanvullende informatie kent hij niet en heeft hij in ieder geval niet gemachtigd. Hoewel de opgeëiste persoon kennis had van de procedure in eerste aanleg, werd de advocaat die hem bijstond tijdens de behandeling in eerste aanleg later ook verdacht van misdrijven, zoals deelname aan een criminele organisatie. Het kantoor van deze advocaat heeft de opgeëiste persoon ten onrechte niet geïnformeerd over het instellen van hoger beroep, eventuele zittingsdagen of de noodzaak van het te machtigen. De opgeëiste persoon is bovendien niet onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en heeft zijn post altijd in de gaten gehouden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan nu de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Uit de aanvullende informatie van 30 oktober 2024 blijkt dat de procedure in hoger beroep getoetst dient te worden. De opgeëiste persoon is in deze procedure vertegenwoordigd door twee – door hemzelf gemachtigde – advocaten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hiermee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_df91c5ab-19a8-4fee-a142-a0a14394214e" /> Uit het EAB blijkt dat er een proces in hoger beroep is geweest dat tot het arrest met kenmerk II Aka 99/19 heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 10 oktober 2024 blijkt dat het hoger beroep aan de voorwaarden van artikel 12 OLW dient te worden getoetst. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt in dat verband vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de terechtzitting in hoger beroep die tot het arrest van 12 april 2021 (met kenmerk: II Aka 99/19) heeft geleid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende informatie van 30 oktober 2024 is in het D-formulier met betrekking tot de procedure in hoger beroep, aangekruist dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. In de toelichting is vermeld dat er twee advocaten, die door de opgeëiste persoon waren aangesteld, in hoger beroep zijn verschenen, te weten Michal Skwira en Marek Mikolajczyk. Deze advocaten hebben ook het hoger beroep ingesteld en hebben – aldus de toelichting - tijdens de procedure in hoger beroep de verdediging voor de opgeëiste persoon gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de bewuste advocaten gemachtigd heeft, maakt dat niet anders. Bovendien heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij zelf de advocaat mr. Mikołajczyk heeft opgebeld en heeft verzocht namens hem de verdediging te voeren.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_2bcc3c09-482b-408c-be70-d6f53980ccd5" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_0c7613a1-952b-4e4f-955d-9185c7134dd1" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW; Poolse detentieomstandigheden  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de opgeëiste persoon is naast het onderhavige EAB nog een ander EAB uitgevaardigd dat ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Polen.<footnote-ref linkend="_d9f96acb-41f1-46db-a7c1-489c38bdf254" /> Dit EAB in de zaak met parketnummer 13/261037-23 (EAB II) is gelijktijdig door de rechtbank behandeld met het onderhavige EAB (EAB I). De officier van justitie heeft op 24 oktober 2024 de vraag gesteld of de opgeëiste persoon na zijn overlevering in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> zal worden geplaatst of dat hij eerst zijn vrijheidsstraf in een ander regime zal ondergaan. Op die vraag heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij de brief van 30 oktober 2024 als volgt gereageerd: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">(…) the a/m will immediately begin serving the penalty of deprivation of freedom imposed on him in the case III K 134/17, however at the same time in respect of him will be applied the preventive measure in the form of a temporary arrest for the period of 30 days from the day of detention applied by virtue of the decision of the District Szczecin […]”</emphasis></para>
      <para>In de brief van 30 oktober 2024 is een verdere uitleg gegeven van de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden, waaruit blijkt dat hij in een <emphasis role="italic">remand centre</emphasis> zal worden geplaatst, in een cel afgezonderd van andere personen die (enkel) een vrijheidsstraf ondergaan en onder omstandigheden waarbij minder rechten gelden, gelijkend aan het <emphasis role="italic">remand regim</emphasis>e in Polen:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“According to the genera! principle specified in art. 233a of the Criminal Executive Code a temporarily arrested person, in respect of whom the penalty of deprivation of freedom is executed, exercises of the same entitlements as a sentenced person, with the exception of:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">1.	visits;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2.	correspondence;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3.	the use of telephone sets and other means of wired and cordless communication;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">4.	possession of objects in the cell;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">5.	the use of health services;</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">6.	notifying the authority deciding on the qualifying to the temporarily arrested persons creating a serious social danger or else a serious danger to the safety of the penitentiary establishment and on remaining for treatment in the penitentiary establishment after release, as well as within the scope of granting permission.</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Moreover a temporarily arrested person, serving the penalty of deprivation of freedom does not avail himself of the passes specified in art. (…). Additionally a temporarily arrested person, in respect of whom the penalty of deprivation of freedom is executed, is placed in the remand centre in rooms separate from those occupied by sentenced persons. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Such solution determines above all the purpose of application of the temporary arrest, because one has adopted the assumption, that the exercise, by an imprisoned person, of all the entitlements vested in the sentenced persons may prevent an appropriate securing of the correct course of the conducted criminal proceedings, since the a/m could in an unauthorized manner influence the course of the proceedings, so there may arise a fear of a criminal collusion on his part and a possibility of inciting other persons participating in the trafficking in drugs to present a version of events, favourable for him, which may result in obstructing the subject proceedings.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 juni 2024 in een andere zaak<footnote-ref linkend="_f04598ba-7abf-4368-889c-b95131e0bb8f" /> geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime </emphasis>in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren op zijn cel doorbrengt. Verder is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het regime dat op de opgeëiste persoon zal worden toegepast gelijkend is aan dat het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, is het vastgestelde algemeen reëel gevaar ook in deze zaak relevant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen waar hij zal worden gedetineerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 november 2024 heeft de <emphasis role="italic">Director</emphasis> van het <emphasis role="italic">Detention Centre in Szczecin</emphasis> aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in deze penitentiaire inrichting. Daarnaast heeft de <emphasis role="italic">Prosecutor van het Department for Organised Crime and Corruption </emphasis>bij brief van 26 november 2024 aangegeven dat de opgeëiste persoon daar na aankomst op het vliegveld van Warschau (en een kort verblijf in de PI aldaar) gedetineerd zal worden. In de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 25 november 2024  het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In response (…) I inform you that the surface area of the entire penitentiary unit was established in accordance with the applicable standard contained in Article 110 (2) of the Polish Criminal Executive Code, i.e. the minimum requirement of 3m2 per person. In this penitentiary unit each ward educator, arranges cultural-educational or physical education and sport activities. All activities organized for the detainees are voluntary and everybody can take part in them. The activities are organised on the basis of a weekly schedule of cultural­educational and sport activities and their frequency depends on the number of walking groups in the residential ward and varies from 4 to 7 hours per week. […] Article 112 of the Polish Criminal Executive Code requires that detainees spend a minimum of one hour outside their cells, which is based. on their guaranteed right to at least one-hour walk.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de brief van 26 november 2024 herhaalt de <emphasis role="italic">Prosecutor</emphasis> de hierboven aangehaalde alinea’s. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat met de aanvullende informatie van 25 november 2024 het algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de detentie-instellingen voor voorlopig gedetineerden ten aanzien van de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Er is niet concreet aangegeven hoeveel persoonlijke ruimte de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel exclusief sanitair zal hebben, maar het zal in ieder geval beneden de ondergrens van 4 m2 zijn. Verder is onvoldoende duidelijk hoeveel tijd de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven. Het aantal uren dat genoemd wordt, is in ieder geval te weinig. Evenmin is duidelijk binnen welke termijn hij contact met de buitenwereld kan hebben. Nu een wijziging van omstandigheden niet op korte termijn te verwachten valt, dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon tenminste 3 m2 aan persoonlijke celruimte zal krijgen en dat de opgeëiste persoon één uur per dag mag wandelen. Daarnaast beslaan eventuele overige activiteiten 4 tot 7 uur per week. Dit komt neer op 35 tot 60 minuten per dag die een gedetineerde buiten zijn cel mag doorbrengen, bovenop het gegarandeerde uur wandelen. Zodoende kan ervan worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon 1,5 tot 2 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het voorgaande onvoldoende is om het algemeen gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon weg te nemen, dan verzoekt de officier van justitie subsidiair de zaak aan te houden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 25 en 26 november 2024 geen afdoende garantie dat de opgeëiste persoon geen gevaar loopt van schending van zijn grondrechten voor wat betreft de detentieomstandigheden in het <emphasis role="italic">remand centre</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in overeenstemming met de Poolse wet minimaal 3 m2 aan persoonlijke celruimte tot zijn beschikking zal krijgen in een meerpersoonscel (en niet 4 m2), zodat uitgegaan moet worden van persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder kan de rechtbank uit de aanvullende informatie niet opmaken hoeveel uur de opgeëiste persoon per dag buiten zijn cel zal kunnen verblijven als hij zou kiezen om aan alle activiteiten die buiten de cel worden aangeboden, deel te nemen, Voor de opgeëiste persoon is alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen. Met betrekking tot de frequentie van de activiteiten wordt daarbij onder meer opgemerkt dat deze afhangt van de “<emphasis role="italic">number of walking groups in the residential ward</emphasis>”. Het is onduidelijk wat hiermee bedoeld wordt.  Daarnaast zouden de activiteiten variëren van 4 tot 7 uur per week: ook dat is onvoldoende concreet ten aanzien van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze stand van zaken leidt tot het oordeel dat voor de opgeëiste persoon een reële gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, dat met de verstrekte informatie niet is weggenomen. De rechtbank stelt vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, aan en stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze termijn (op 22 januari 2024) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal aan beide EAB’s ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB ziet op die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.<footnote-ref linkend="_33505e44-7bb9-4d39-b0b0-9171b834c6e1" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de verdovende middelen zijn in Polen ingevoerd en verkocht,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>er is reeds een onherroepelijk vonnis gewezen in Polen,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>en het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens vervolging voor de feiten in te stellen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn, en dat de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is om te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en<emphasis role="bold"> SCHORST </emphasis>het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting <emphasis role="bold">op 22 januari 2025 of uiterlijk tien dagen daarna.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOUDT AAN</emphasis> de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen (te weten tot 60 dagen na 8 januari 2025), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met zestig dagen onder gelijktijdige schorsing van de overleveringsdetentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de <emphasis role="bold">oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw</emphasis> tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de <emphasis role="bold">oproeping van een tolk in de Poolse taal</emphasis> tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. </para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.B. Oreel en B.M. Vroom-Cramer,         			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en L.E. Poel,         		    	   griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3b081f65-678c-48e9-966d-6a380e946b78" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c77fcf2-bb13-44f0-8262-25601c1db0b0" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c54fd9f4-355f-497c-9392-16f803dfaec8" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df91c5ab-19a8-4fee-a142-a0a14394214e" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bcc3c09-482b-408c-be70-d6f53980ccd5" label="5">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c7613a1-952b-4e4f-955d-9185c7134dd1" label="6">
    <para>Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).  </emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9f96acb-41f1-46db-a7c1-489c38bdf254" label="7">
    <para> Parketnummer: 13-261037-23 (EAB II). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f04598ba-7abf-4368-889c-b95131e0bb8f" label="8">
    <para> Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33505e44-7bb9-4d39-b0b0-9171b834c6e1" label="9">
    <para> Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>