<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:7900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-13T09:50:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 23/6549</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7900">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7900</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-15T12:04:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:7900 Rechtbank Amsterdam , 19-12-2024 / AMS 23/6549</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7900:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WIA-aanvraag. Gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Eiser is niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Het onderzoek van verweerder is zorgvuldig tot stand gekomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7900:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 23/6549 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], uit Amsterdam, eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P.E. Stam),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, het Uwv </para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Kok).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Ministerie van Financiën (Belastingdienst) uit Apeldoorn (werkgever)</para>
      <para>(gemachtigde: mr. G.E.C. van Brenk).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid voor zijn recht op een WIA<footnote-ref linkend="_558bf257-4486-4a90-a204-6b0ec6b45a78" />-uitkering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het Uwv heeft met het besluit van 27 december 2022 een WIA-uitkering aan eiser toegekend per 9 december 2022, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 66,34%. In het bestreden besluit van 3 oktober 2023 heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid verlaagd naar 57,78%. De hoogte van de uitkering blijft ongewijzigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv. Namens de werkgever is niemand verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Geen toestemming voor kennisneming medische gegevens door de werkgever</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend voor het aan de werkgever toesturen van stukken die zijn medische gegevens bevatten. Vanwege het ontbreken van deze toestemming zal de rechtbank in deze uitspraak geen medische informatie vermelden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat aan deze procedure vooraf ging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser was werkzaam als e-functionaris voor gemiddeld 31,17 uur per week. Op 4 november 2020 heeft eiser zich ziek gemeld vanwege spanningsklachten en vermoeidheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op 21 september 2022 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 27 december 2022 toegewezen. Het Uwv heeft aan dit besluit de medische rapportage van de verzekeringsarts van 6 december 2022 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van 21 december 2022 ten grondslag gelegd. De beperkingen van eiser zijn opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 6 december 2022. Eiser komt per 9 december 2022 in aanmerking voor een loongerelateerde uitkering (WGA-uitkering). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 3 oktober 2023 heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard, met dien verstande dat de hoogte en de uitkeringssoort van de WIA-uitkering ongewijzigd blijft. De arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57,78%. Het Uwv heeft aan dit besluit de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 september 2023 en de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 oktober 2023 ten grondslag gelegd. De FML is ongewijzigd gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Eiser kan zich niet vinden in het besluit van het Uwv. Op de beroepsgronden van eiser wordt hierna ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Hij voert aan dat hij in de bezwaarfase niet is gezien op een fysiek spreekuur door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ondanks dat hij daarom heeft verzocht. Dit is volgens eiser des te onzorgvuldig, omdat er ook gebreken kleven aan het onderzoek door de primaire verzekeringsarts. De primaire verzekeringsarts heeft volgens eiser bevestigd dat hij maar twee uur per dag kan werken. Vervolgens is in de medische rapportage in de opvolgende procedures (bezwaarfase en beroepsfase) opgenomen dat hij vier tot vijf uur per dag kan werken. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Juist hierdoor had de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser moeten uitnodigen op een fysiek spreekuur. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat zijn re-integratie traject onvoldoende is meegewogen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat het onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Welke onderzoeksactiviteiten in bezwaar moeten worden verricht is (onder meer) afhankelijk van de medische situatie van eiser, de gronden in bezwaar en de vraag of in de primaire fase sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar is het dus niet (altijd) vereist dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokkene onderzoekt op een spreekuur. Afhankelijk van wat in bezwaar in de concrete situatie speelt, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ook voor kiezen gebruik te maken van een of meer andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het vragen van een expertise, het opvragen van medische informatie en het bijwonen van de hoorzitting en die keuze waar nodig toelichten. In beroep is het vervolgens aan de bestuursrechter om te bepalen of het onderzoek voldoende zorgvuldig is verricht en of het de conclusies kan dragen.<footnote-ref linkend="_e0c7677d-4cfd-4ef0-b615-50be52772dc4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser in de primaire fase door een verzekeringsarts is gezien en onderzocht. Dit betekent dat er in beginsel geen verplichting rust op het Uwv om eiser in de bezwaarfase nogmaals fysiek te laten onderzoeken door een verzekeringsarts. De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebruik heeft gemaakt van andere onderzoeksmogelijkheden, zoals bestudering van de dossierstukken waaronder informatie van de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder  gemotiveerd waarom een fysiek spreekuur niet nodig was. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is het standpunt van de primaire verzekeringsarts duidelijk en was het primaire onderzoek adequaat en volledig. Daarnaast heeft bestudering van de dossierstukken niet geleid tot aanvullende vragen of onduidelijkheden en gaven de bezwaargronden geen aanleiding om een nader onderzoek in te stellen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan namelijk alleen slagen als sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van het bevoegde orgaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.<footnote-ref linkend="_95fc288d-7efd-4189-a974-c93975dfc942" /> In dit geval heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval zulke toezeggingen zijn gedaan door een medewerker van het Uwv. Eiser heeft zijn stelling namelijk niet met bewijzen onderbouwd. Hierin bestond daarom geen aanleiding voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep om eiser alsnog uit te nodigen voor een fysiek spreekuur. Los daarvan leidt een eventueel geslaagd </para>
        <para>beroep op het vertrouwensbeginsel niet per definitie tot de conclusie dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig tot stand is gekomen. In de bezwaarfase vindt immers een volledige heroverweging plaats waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een andere conclusie kan komen dan de primaire verzekeringsarts. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het argument van eiser dat er door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening is gehouden met zijn re-integratietraject leidt tot slot evenmin tot de conclusie dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het is de taak van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om te onderzoeken welke beperkingen eiser had op de datum in geding (9 december 2022). De beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen betrekking op het re-integratietraject.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De rechtbank concludeert dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Medische gronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Zo is hij van mening dat hij concentratieproblemen heeft en dat deze objectief vast te stellen zijn. Verder stelt hij dat hij beperkt is op het beoordelingspunt stof, rook, gas en dampen vanwege zijn medische klachten. Eiser acht zich ook op alle rubrieken van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) beperkt. Eiser is tevens van mening dat er een aanvullende urenbeperking had moeten worden aangenomen gezien zijn beperkingen. Ter onderbouwing van zijn standpunten verwijst eiser naar een protocol en een richtlijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het door eiser aangehaalde protocol en de door hem genoemde richtlijn hem niet kunnen baten. Het betreffende protocol en de genoemde richtlijn geven handvatten voor de verzekeringsarts om de beperkingen in een concreet geval vast te stellen. Het betekent dus niet dat er uit het protocol en de richtlijn specifieke beperkingen volgen of dat er in een bepaalde medische situatie (altijd) bepaalde beperkingen moeten worden aangenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Eiser stelt dat hij concentratieproblemen heeft en dat deze medisch objectief vast te stellen zijn. Hij verwijst naar een brief van zijn behandelend arts van 18 augustus 2022. Deze beroepsgrond slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport gemotiveerd dat er voor deze problematiek geen medisch objectiveerbare oorzaak is gevonden en dat de slechte concentratie die in de brief van de arts wordt genoemd, een subjectieve klacht is. De concentratie van eiser was op het spreekuur met de primaire arts goed. De beroepsgrond over stof, rook, gas en dampen slaagt eveneens niet. De door eiser ingediende medische stukken onderschrijven juist de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit de brief van de arts van 18 augustus 2022 volgt dat de medische aandoening mild is waardoor er geen beperking is aangenomen op dit punt. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nu hij zijn standpunt deugdelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Voor het aannemen van een extra urenbeperking bestaat eveneens geen aanleiding. Er zijn drie indicatiegebieden op grond waarvan de duurbelastbaarheid beperkt kan worden, te weten vanwege preventieve redenen, een verminderde beschikbaarheid of een stoornis in de energiehuishouding. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat er een extra urenbeperking had moeten worden aangenomen wegens preventieve redenen en een stoornis in de energiehuishouding. De primaire verzekeringsarts zag aanleiding om een tijdelijke urenbeperking aan te nemen op energetische gronden, omdat er sprake is van een (status na) ernstige onderliggende aandoening die tot energetische beperkingen kan leiden en verhoogde recuperatie behoefte. Eiser wordt in staat geacht om ongeveer vier uur per dag, 20 uur per week, te werken. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt dat een urenbeperking van vier uur per dag al erg royaal is geweest en dat een verdergaande urenbeperking, gelet op (de ernst van) de onderliggende ziektebeelden, niet aan de orde is. De rechtbank volgt de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiser heeft niet met objectieve medische gegevens onderbouwd dat vanwege preventieve redenen en/of een stoornis in de energiehuishouding een verdergaande urenbeperking aangewezen is.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Tot slot voert eiser aan dat hij beperkt is op alle items in de rubrieken van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de (nieuwe) ingediende medische stukken geconcludeerd dat de medische situatie van eiser niet leidt tot meer beperkingen dan hij heeft aangenomen in de FML. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen nieuwe medische onderbouwing heeft ingebracht op grond waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen op de genoemde beoordelingspunten had moeten aannemen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Arbeidskundige gronden </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiser kan zich niet verenigen met de referteperiode waarin is uitgegaan van een werkweek van 28,8 uur per week. Hij is vanwege zijn klachten in september 2019 teruggegaan van 36 uur per week werken naar 28,8 uur. Eiser wil een referteperiode die meer representatief is en dat is de periode waarin hij 36 uur per week werkte. Eiser verwijst naar artikel 17, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank geeft daarvoor de volgende redenering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Indien de werknemer in een aangiftetijdvak in de referteperiode de bedongen arbeid niet heeft verricht wegens ziekte, wordt op grond van artikel 17, eerste lid, van het Dagloonbesluit bij de berekening van het dagloon, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan die ziekte voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheden zich niet hebben voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat artikel 17, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet van toepassing is, omdat niet is gebleken dat eiser wegens medische redenen minder is gaan werken. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eiser vanaf september 2019 op eigen initiatief minder is gaan werken zonder te overleggen met de bedrijfsarts. Het wijzigen van de arbeidsduur was een persoonlijke overweging. Op de zitting heeft eiser dit bevestigd, maar volgens eiser was zijn medische situatie wel de aanleiding om minder te gaan werken. Dit is echter niet door eiser onderbouwd met medische stukken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de referteperiode niet juist is vastgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Verder voert eiser aan dat er geen enkele functie passend is en dat zijn belastbaarheid verkeerd is ingeschat. De functies baliemedewerker en schadecorrespondent kan eiser niet uitoefenen, omdat deze mentaal te belastend zijn. De functie medewerker binderij is fysiek te belastend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd waarom de functies schadecorrespondent en medewerker binderij ondanks de signaleringen geschikt zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>Uitgaande van de juistheid van de FML van 6 december 2022, is de rechtbank niet gebleken dat eiser de werkzaamheden, die horen bij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 2 oktober 2023 geduide functies, niet zou kunnen verrichten. De argumenten die eiser aandraagt waarom de functies niet passend zouden zijn, slagen niet omdat eiser op deze punten niet beperkt is volgens de FML van 6 december 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de signaleringen categoraal gemotiveerd. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv zich bij zijn besluit op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep mocht baseren.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Kasimu, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_558bf257-4486-4a90-a204-6b0ec6b45a78" label="1">
    <para> Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0c7677d-4cfd-4ef0-b615-50be52772dc4" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:99, r.o. 4.3.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_95fc288d-7efd-4189-a974-c93975dfc942" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0181 en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:663.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>