<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:7883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-13T09:58:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/3723</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7883">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7883</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-08T10:22:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:7883 Rechtbank Amsterdam , 05-12-2024 / 22/3723</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7883:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van een woning en het realiseeren van een balkon. Eisers komen tegen deze vergunning op. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Ook is niet gebleken van strijd met het Bouwbesluit. Tot slot hebben eisers niet toegelicht met welke belangen het college geen rekening heeft gehouden. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7883:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 22/3723 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eisers]
    </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>gezamenlijk te noemen: eisers</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. E. van Bennekom).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit Amsterdam (vergunninghouder)</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.W. van der Hulst).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Het college heeft bij besluit van 4 november 2019 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de woning en het realiseren van een balkon op de locatie [de locatie] (de locatie). [eiser 1] , eigenaar van de woning aan de [woning 1] en [eiser 2] , eigenaar van de woning aan de [woning 2] , hebben bezwaar gemaakt tegen deze omgevingsvergunning. </para>
    <para />
    <para>2. Op 11 september 2020 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een balkon op de locatie. Op 15 december 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het dakterras en het realiseren van een balkon aan de achtergevel op de locatie. Ook tegen dit besluit hebben [eiser 1] en [eiser 2] bezwaar gemaakt. </para>
    <para />
    <para>3. Op 25 maart 2021 heeft het college op verzoek van vergunninghouder de omgevingsvergunning van 4 november 2019 ingetrokken. </para>
    <para />
    <para>4. Het college heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2022 de bezwaren tegen de omgevingsvergunning van 4 november 2019 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang en de bezwaren tegen de omgevingsvergunning van op 15 december 2020 ongegrond verklaard. Het college heeft de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan [wijk] . Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van dit bestemmingsplan omdat het om een zogenoemd kruimelgeval gaat<footnote-ref linkend="_733ee89b-ac28-4268-b6c0-3331ec2d9da4" /> en heeft daarbij verwezen naar de Uitvoeringsrichtlijnen kruimelgevallen 2020 (de Uitvoeringsrichtlijnen). Volgens het college voldoet het aangevraagde bouwplan aan de criteria van deze richtlijnen en zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van deze richtlijnen zou moeten worden afgeweken. Het college heeft daarbij getoetst aan paragraaf 3.2.6 (dakterrassen) van de Uitvoeringsrichtlijnen. Er is geen evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning, omdat de vergunninghouder nog een vervangende toestemming kan vragen als de vergadering van de VvE<footnote-ref linkend="_feab93d2-ed9f-4423-84ee-4eb14239411e" /> niet instemt met het bouwplan. Voldoende aannemelijk is dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet, aldus het college. <?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , [eiser 2] (per videoverbinding), de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vooraf </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Voordat de rechtbank op de argumenten van eisers in kan gaan, moet zij beoordelen of er formele gebreken zijn die in de weg staan aan de behandeling van die argumenten. De rechtbank is van oordeel dat wat betreft het beroep van [eiser 3] er een formeel gebrek is. De hoofdregel is namelijk dat iemand bezwaar moet maken, voordat beroep bij de rechtbank open staat. De rechtbank stelt vast dat [eiser 3] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de omgevingsvergunningen. Dit betekent dat [eiser 3] geen beroep kan instellen tegen de omgevingsvergunningen. Hij is daarom (in juridische termen) niet-ontvankelijk in zijn beroep. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van [eiser 3] niet inhoudelijk behandelt. [eiser 1] en [eiser 2] zijn wel ontvankelijk in hun beroep. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat het college de omgevingsvergunning van 4 november 2019 heeft ingetrokken. Dit betekent dat deze omgevingsvergunning niet meer bestaat. Het is de rechtbank niet gebleken dat [eiser 1] en [eiser 2] een belang hebben bij het beoordelen van (de rechtmatigheid van) deze omgevingsvergunning. Dat deze omgevingsvergunning als basis dient voor de omgevingsvergunning van 15 december 2020 leidt niet tot een ander oordeel. Tegen deze omgevingsvergunning staan namelijk ook rechtsmiddelen open (die [eiser 1] en [eiser 2] ook hebben aangewend). Het college heeft de bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] gericht tegen de verlening van deze omgevingsvergunning daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. <?linebreak?><emphasis role="underline">De beroepen tegen de omgevingsvergunning </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Toepasselijke regelgeving </emphasis><?linebreak?></para>
    <para>7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.<footnote-ref linkend="_99786d1d-634a-4bf2-90d5-3b40bff7c263" /><?linebreak?></para>
    <para>8. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Toestemming van eisers ontbreekt</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>9. [eiser 1] en [eiser 2] voeren allereerst aan dat de VvE en de eigenaren van [woningen] , geen toestemming hebben gegeven voor de bouwplannen. Ten [woning 3] heeft zelfs expliciet geen toestemming gegeven voor de eerste verbouwing. Ook heeft de eigenaar van [woning 4] geen toestemming gegeven voor werkzaamheden die direct grenzen aan het dak van de begane grond, waaronder het gevraagde balkon. Het kan niet zo zijn dat een eerdere vergunning wordt ingetrokken vanwege het ontbreken van de toestemming van de VvE om vervolgens een andere omgevingsvergunning, ook zonder deze toestemming, wel te verlenen.<?linebreak?></para>
    <para>10. De rechtbank overweegt dat toestemming van de VvE of van buren een geschilpunt is tussen de vergunninghouder en eisers, de (andere) buren en de VvE, oftewel een privaatrechtelijke kwestie. Het is geen voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het ontbreken van deze toestemming kan evenwel aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staan, maar dan moet deze zogenoemde privaatrechtelijke belemmering evident zijn. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoering van het bouwplan in de weg staat. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de realisering van het bouwplan de toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en niet hoeft te geven.<footnote-ref linkend="_60e09a1d-e963-4cbb-ada1-5f4f317bfc04" /></para>
    <para />
    <para>11. De omstandigheid dat alle betrokken eigenaren geen toestemming hebben gegeven voor het realiseren van het bouwplan, zoals eisers op de zitting hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat er een evidente privaatrechte belemmering is. Het gaat hier immers om een inbreuk op het eigendom van de VvE (het balkon zal worden gerealiseerd aan de buitengevel). Zelfs als er een besluit van de VvE zou liggen waarin toestemming voor het bouwplan wordt geweigerd, kan vergunninghouder aan de civiele rechter vervangende toestemming vragen. Dit betekent dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar geen sprake was van een situatie waarin zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan door privaatrechtelijke belemmeringen niet kan worden gerealiseerd. </para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank is verder van oordeel dat het standpunt dat het college de omgevingsvergunning van 4 november 2019 heeft ingetrokken vanwege het ontbreken van toestemming, feitelijk onjuist is. Vergunninghouder heeft immers zelf om intrekking van de omgevingsvergunning verzocht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. De beroepsgrond slaagt niet. <?linebreak?><emphasis role="italic">Belangenafweging</emphasis><?linebreak?></para>
      <para>14. [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich verder op het standpunt dat het college </para>
    </parablock>
    <para>onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Het college heeft slechts geconstateerd dat er een ‘kennelijke onjuistheid’ was ten aanzien van twee bouwvergunningen die beide fouten en onwaarheden bevatten. Het college heeft niet gemotiveerd beoordeeld wat eigenlijk is vergund en hoe de situatie daadwerkelijk zit.<?linebreak?></para>
    <para>15. De rechtbank begrijpt eisers zo dat de beslissing niet dragend is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank stelt vast dat het college in de beslissing op bezwaar heeft getoetst aan het beleid over dakterrassen, in plaats van aan beleid over balkons, terwijl een balkon is aangevraagd en geen dakterras. Dat alleen een (klein) balkon is aangevraagd hebben alle partijen op de zitting bevestigd en blijkt ook uit de bouwtekening bij de aanvraag. De beslissing op bezwaar is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en niet juist gemotiveerd.</para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het college op te dragen opnieuw op de bezwaren van [eiser 1] en [eiser 2] te beslissen. Het college heeft in het verweerschrift namelijk alsnog (voldoende) gemotiveerd waarom het bouwplan voldoet aan het beleid over balkons. De rechtbank zal dit gebrek daarom (in juridische termen) passeren.<footnote-ref linkend="_1a1b8e15-45ff-4570-be16-ae1af8e92487" /> Dit betekent dat de rechtbank aan dit gebrek geen gevolgen zal verbinden, anders dan dat het college het griffierecht moet vergoeden.</para>
    <para />
    <para>17. De rechtbank overweegt verder dat [eiser 1] en [eiser 2] niet concreet hebben toegelicht met welke belangen het college volgens hen geen rekening heeft gehouden, anders dan dat zij vrezen voor de bouwkundige gevolgen van het bouwplan. Dit argument ziet echter op het naleven van het Bouwbesluit 2012, waarop de rechtbank hierna in zal gaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bouwbesluit 2012 </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>18. [eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat onvoldoende inzichtelijk is of het bouwplan bouwtechnisch correct wordt uitgevoerd en of het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit). Dat het college aannemelijk vindt dat het bouwplan niet in strijd is met het Bouwbesluit, is onvoldoende garantie. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen het technische rapport niet beoordelen en het is niet aan hen om aan te tonen dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit. Op de zitting hebben [eiser 1] en [eiser 2] nog aangevoerd dat de bouwtechnisch adviseur alleen is afgegaan op de bouwtekeningen. Die tekeningen komen echter niet overeen met de werkelijke situatie. Zo is een van de balken die daarop staat in werkelijkheid niet aanwezig. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dit erkend en volgt dat uit stukken die aanwezig zijn in het dossier betreffende een eerder ingediend verzoek om voorlopige voorziening. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] aangevoerd dat de bouwtechnisch adviseur ten onrechte is uitgegaan van de bouwtekening van de nieuwe situatie die bij de eerste aanvraag zat, in plaats van de oorspronkelijke situatie (de bouwtekening van de bestaande situatie bij de aanvraag van de omgevingsvergunning van 4 november 2019).  </para>
    <para />
    <para>19. Dat het college een omgevingsvergunning moet weigeren als de aanvraag in strijd is met het Bouwbesluit, volgt uit artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wabo. Uit dit artikel volgt ook dat het college in dit kader een aannemelijkheidstoets moet uitvoeren. Het college komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.<footnote-ref linkend="_778e7828-7134-4f70-ba48-2a310a040170" /></para>
    <para />
    <para>20. Vergunninghouder heeft bij zijn aanvraag een bouwkundig rapport van Duyts Bouwconstructies BV (hierna: Duyts) van 17 juli 2020 overgelegd, waarin een berekening van de constructie van het balkon is gemaakt. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft in een advies van 26 oktober 2020 geconcludeerd dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het ontwerp voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. </para>
    <para />
    <para>21. De rechtbank constateert dat Duyts de bouwtekeningen van de situatie zoals in de omgevingsvergunning van 4 november 2019 vergund als bestaande situatie heeft gebruikt. Duyts is hiermee van een onjuiste bestaande situatie uitgegaan, zoals [eiser 1] en [eiser 2] terecht betogen. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat dit niet leidt tot een gegrond beroep. </para>
    <para />
    <para>22. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat hij de slaapkamer overeenkomstig de omgevingsvergunning van 4 november 2019 heeft verlengd. Hij heeft alleen het vergunde balkon niet geplaatst vanwege de bezwaren van de VvE. Dit betekent dat de inpandige situatie vergelijkbaar is met de vergunde situatie van de omgevingsvergunning van 4 november 2019. De rechtbank betrekt hier ook bij (bouwtekeningen vergelijkend) dat de constructie/metselwerk van de bouwtekeningen van de oorspronkelijke situatie en de nieuwe situatie zoals weergegeven in de omgevingsvergunning van 4 november 2019 hetzelfde ogen waar het balkon is gesitueerd. Het balkon dat vergunninghouder op 11 september 2020 heeft aangevraagd, is kleiner dan het balkon dat het college met de omgevingsvergunning van 4 november 2019 heeft vergund. Dat dit kleinere balkon tot constructieve problemen zal leiden is niet gebleken. [eiser 1] en [eiser 2] hebben in dit kader bijvoorbeeld geen tegenrapport overgelegd. </para>
    <para />
    <para>23. De stelling dat de feitelijke situatie afwijkt van de bouwtekening van de oorspronkelijke bestaande situatie is tot slot door het college en vergunninghouder betwist. [eiser 1] heeft vlak voor de zitting een pakket aan stukken ingediend van ongeveer 200 pagina’s. De producties waarnaar [eiser 1] op de zitting heeft verwezen bevinden zich niet in die stukken. Overigens hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet aangevoerd en onderbouwd, mocht hun stelling juist zijn, waarom het bouwplan daarom in strijd zou zijn met de voorschriften uit het Bouwbesluit.  </para>
    <para />
    <para>24. De grond slaagt niet.<?linebreak?></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. Het beroep van [eiser 3] is niet-ontvankelijk. Het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] is ongegrond. Dit betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] geen gelijk krijgen. Omdat de beslissing op bezwaar een zorgvuldigheidsgebrek bevat, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht vergoedt. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep van [eiser 3] niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] ongegrond;</para>
    <para>- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- moet vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Kuiken, rechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_733ee89b-ac28-4268-b6c0-3331ec2d9da4" label="1">
    <para> Op grond van artikel 4, derde lid en negende lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_feab93d2-ed9f-4423-84ee-4eb14239411e" label="2">
    <para> Vereniging van eigenaren.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99786d1d-634a-4bf2-90d5-3b40bff7c263" label="3">
    <para> Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_60e09a1d-e963-4cbb-ada1-5f4f317bfc04" label="4">
    <para> Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2599.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a1b8e15-45ff-4570-be16-ae1af8e92487" label="5">
    <para> Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_778e7828-7134-4f70-ba48-2a310a040170" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3391.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>