<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:7420</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-23T09:54:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-010567-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7420">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7420</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-17T11:16:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:7420 Rechtbank Amsterdam , 21-11-2024 / 13-010567-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7420:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Polen, executie-EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 vormt geen belemmering voor de overlevering, overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7420:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-010567-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 november 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 10 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_495ff60d-2020-4688-bf5d-d47f11b147ed" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2024 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Kielce</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_21dc2e63-7ba8-423f-b142-f14ddb5f85b9" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt de volgende beslissingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een <emphasis role="italic">aggregate sentence of the Regional Court in Kielce</emphasis> van 14 oktober 2021 (met kenmerk III K 86/21), waaronder de volgende beslissingen vallen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>een <emphasis role="italic">sentence of the Regional Court in Kielce</emphasis> van 29 december 2017 (met kenmerk III K 84/15) (hierna: procedure 1);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een <emphasis role="italic">sentence of the Local Court in Starachowice </emphasis>van 18 juli 2019 (met kenmerk II K 426/19) (hierna: procedure 2).</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaar, elf maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_491e606c-970e-46ba-9ff4-38151869f836" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden. Subsidiair dienen aanvullende vragen gesteld te worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de verzamelprocedure doen zich geen problemen voor. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij procedure 1 is het hoger beroep de relevante procedure in het kader van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon herinnert zich niet dat hij in persoon is opgeroepen. Het is bekend dat de Poolse autoriteiten vaker verklaren dat iemand in persoon is opgeroepen terwijl dat niet het geval was. Het is verder niet duidelijk of de advocaat daadwerkelijk ter zitting is verschenen en of deze gemachtigd was.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij procedure 2 is de advocaat van de opgeëiste persoon wel verschenen op de zitting in hoger beroep. Hoewel de opgeëiste persoon heeft verklaard dat het een gekozen advocaat was, weet hij niet zeker of het een toegevoegd of gekozen advocaat was. Indien de advocaat gemachtigd was om gedurende het hoger beroep de verdediging te voeren voor de opgeëiste persoon, zouden zijn verdedigingsrechten niet geschonden zijn. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Over de verzamelprocedure heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn gemachtigd advocaat om een verzamelvonnis heeft gevraagd en hem ter zitting heeft vertegenwoordigd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van procedure 1 blijkt dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat het hoger beroep (met kenmerk II AKa 153/18) heeft ingesteld en dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Subsidiair, gelet op het standpunt van de verdediging dat de Poolse autoriteiten ten onrechte zouden hebben aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie ontvangen die zich ook uitstrekte tot het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van procedure 2 is het hoger beroep (met kenmerk IX Ka 1735/19) door de gemachtigd advocaat ingesteld. Hoewel de opgeëiste persoon niet is verschenen kan worden afgezien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon kennelijk op de hoogte was van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Hij heeft stilzwijgend dan wel uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van de verzamelprocedure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon op 6 oktober 2021 in persoon is gedagvaard voor de verzamelprocedure en daarbij is geïnformeerd dat een beslissing genomen kan worden in zijn afwezigheid. In de aanvullende informatie van 9 oktober 2024 is bevestigd dat deze informatie op de verzamelprocedure ziet. Hiermee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing op deze procedure.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van procedure 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_48d13df3-fdd3-48cd-a657-19aa5632bcc4" /> Uit de aanvullende informatie blijkt dat <emphasis role="italic">the Court of Appeal in Kraków</emphasis> op 27 januari 2020 arrest heeft gewezen (met kenmerk II AKa 153/18). De rechtbank zal dan ook de procedure die heeft geleid tot dit arrest toetsen aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 5 november 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon op 31 mei 2019 in persoon is gedagvaard voor de procedure in hoger beroep en dat hij daarbij is geïnformeerd dat een beslissing genomen kan worden in zijn afwezigheid. Hiermee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW en is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet van toepassing op deze procedure.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van procedure 2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_f5022f33-678c-4bd4-b8e1-c6a907398737" /> Uit de aanvullende informatie van 9 oktober 2024 blijkt dat <emphasis role="italic">the Regional Court in Kielce </emphasis>op 18 juli 2020 arrest heeft gewezen (met kenmerk IX Ka 1735/19). De rechtbank zal dan ook de procedure die heeft geleid tot dit arrest toetsen aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 8 oktober 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende de procedure in eerste aanleg in voorlopige hechtenis zat, dat hij aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg van 10 juli 2019 en dat hij werd bijgestaan door een zelf gekozen advocaat. Uit de aanvullende informatie van 9 oktober 2024 blijkt dat de gekozen advocaat van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld. Dit heeft de opgeëiste persoon ter zitting bevestigd. Verder heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat die advocaat door hem  gemachtigd was om hoger beroep in te stellen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en zich niet of onvoldoende (via zijn gekozen advocaat) heeft geïnformeerd over het verdere verloop van die procedure. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon daarmee stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. Overlevering leidt daarom niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. </para>
        <para>De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 1 levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2a levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feit 2b levert naar Nederlands recht op:<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">mishandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Feiten 2c, 3a, 3b en 3c leveren naar Nederlands recht telkens op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_be1baf6a-abcd-4ada-bd44-e6c6e2c7b5d1" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_e597b650-561f-4ad1-927e-65d0b546c9fa" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 140, 285 en 300 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Kielce</emphasis>, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.B. Oreel en D.A. Segbedzi,                  				   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.E. Poel,		                         		    	   griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_495ff60d-2020-4688-bf5d-d47f11b147ed" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_21dc2e63-7ba8-423f-b142-f14ddb5f85b9" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_491e606c-970e-46ba-9ff4-38151869f836" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48d13df3-fdd3-48cd-a657-19aa5632bcc4" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5022f33-678c-4bd4-b8e1-c6a907398737" label="5">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be1baf6a-abcd-4ada-bd44-e6c6e2c7b5d1" label="6">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e597b650-561f-4ad1-927e-65d0b546c9fa" label="7">
    <para>Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>