<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:7403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-14T13:57:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2977</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7403">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-14T13:57:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:7403 Rechtbank Amsterdam , 03-12-2024 / 24/2977</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7403:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag semi-stadsvernieuwingsurgentie. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op de peildatum nie vijf jaar onafgebroken op het adres van zijn ouders in de BRP stond ingeschreven. Eiser voert aan dat hij feitelijk altijd bij zijn ouders heeft gewoond en heeft hiervoor verschillende bewijsmiddelen ingebracht. De rechtbank oordelt op grond van de ingebrachte stukken, in onderlinge samenhang bezien, dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in de te beoordelen periode daadwerkelijk in de woning van zijn ouders woonde. Daarnaast kon het college in redelijkheid concluderen dat de hardheidsclausule niet toegepast hoeft te worden. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7403:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 24/2977 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit Amsterdam, eiser</title>
    <para>(gemachtigden: mr. I. van der Steen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder, hierna: het college </para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.N.E. Schuttenhelm).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 15 januari 2024 afgewezen, omdat eiser op de peildatum (1 december 2023) niet minimaal vijf jaar onafgebroken (dus sinds 1 december 2018) op het adres van zijn ouders stond ingeschreven. Met het bestreden besluit van 18 april 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mr. J.R.M. Nabben eveneens als gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid de aanvraag van eiseres voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Achtergrond van de zaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser is een zesentwintigjarige man en woont sinds 2016 in Nederland. Samen met zijn ouders en minderjarige zusje is eiser woonachtig op de [adres 1] . De woningcorporatie, Rochdale, is van plan het blok [blok] . In verband met deze geplande renovatie moeten de huurders de woningen verlaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Eiser heeft een semi-stadsvernieuwingsurgentieverklaring aangevraagd. In de Basisregistratie Personen (BRP) stond eiser tot 28 december 2020 ingeschreven op het adres van zijn ouderlijk huis aan de [adres 1] . Eiser werkt in de financiële administratie en is verantwoordelijk voor het beheer en de alarmopvolging van het gebouw van [adres 2] in Amsterdam-Oost. Bij het afgaan van het alarm moet eiser binnen 10 minuten in het gebouw zijn. Eiser redde dit niet vanwege de lange reistijd met het openbaar vervoer. Van 28 december 2020 tot en met 1 januari 2020 stond eiser ingeschreven in de BRP op de [adres 3] , welke op 10 minuten fietsafstand was van [adres 2] . Op 1 januari 2022 is eiser weer teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis aan de [adres 1] en heeft hij zich daar weer opnieuw ingeschreven in de BRP.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Feitelijke verblijfplaats bij ouders</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Een semi-stadsvernieuwingsurgentie is een vorm van een stadsvernieuwingsurgentie voor gezinsleden. Voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie komen, onder meer, in aanmerking: inwonende kinderen bij een huishouden dat in aanmerking komt voor een stadsvernieuwingsurgentieverklaring die op de peildatum 23 jaar of ouder zijn en langer dan vijf jaar onafgebroken met dit huishouden wonen (aantoonbaar met een uittreksel uit de BRP en vastgesteld door de corporatie tijdens het huisbezoek). Dit staat in het urgentiebeleid van het college.<footnote-ref linkend="_bbf7b520-eece-4b45-ab91-ce572ac8103b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op de peildatum niet vijf jaar onafgebroken op het adres van zijn ouders in de BRP stond ingeschreven. De peildatum is vastgesteld op 1 december 2023. Eiser stond van 28 december 2020 tot 1 januari 2022 (de te beoordelende periode) uitgeschreven van het adres van zijn ouderlijk huis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Eiser voert aan dat hij feitelijk altijd bij zijn ouders heeft gewoond. Eiser heeft zich uitgeschreven van het adres van zijn ouders omdat hij destijds werkte voor [werkgever] . Eiser moest snel op locatie kunnen zijn bij het afgaan van het alarm. Aan eiser werd een kamer ter beschikking gesteld in de woning aan de [adres 3] . Dit moet beschouwd worden als een logeerkamer voor werk gerelateerde redenen en niet als een permanente woonruimte. Eiser betaalde een minimale onkostenvergoeding van € 30,- per maand. De kamer werd niet gebruikt voor het uitvoeren van dagelijkse huishoudelijke activiteiten, zoals koken of wassen. Dit blijkt volgens eiser ook uit de verklaring van de heer [persoon] , die de kamer destijds aan eiser ter beschikking stelde. Ondanks de administratieve inschrijving op het nieuwe adres, bleef het adres aan de [adres 1] de plek waar eiser zijn dagelijkse activiteiten uitvoerde en waar hij het grootste gedeelte van de tijd verbleef. Eiser heeft verschillende bewijsstukken ingebracht, zoals bankafschriften over de periode 1 januari 2021 tot 1 januari 2022. Hieruit blijkt volgens eiser dat hij zijn dagelijkse activiteiten zoals boodschappen en andere uitgaven in de buurt van zijn ouderlijk huis uitvoerde. Ook heeft eiser verklaringen overgelegd van verschillende buren aan de [adres 1] en een verklaring van de directeur van [werkgever] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat eiser in de te beoordelen periode stond ingeschreven in de BRP op de [adres 3] . Het college mocht in beginsel uitgaan van de juistheid van de BRP-inschrijving. Eiser stelt hier tegenover dat uit zijn pintransacties een patroon naar voren komt waaruit blijkt dat eiser zijn dagelijkse activiteiten in de buurt van zijn ouderlijk huis uitvoerde. De rechtbank kan dit patroon, zoals door de gemachtigde van eiser op zitting verder is toegelicht, niet uit de overgelegde bankafschriften afleiden. De gemachtigde van het college heeft verder op zitting ook terecht opgemerkt dat er ook veel pintransacties in Amsterdam-Oost te zien zijn op de bankafschriften van eiser. De overgelegde bankafschriften zijn dan ook onvoldoende om te onderbouwen dat eiser bij zijn ouders woonde. De door eiser overgelegde verklaringen van de buurtbewoners van de [adres 1] , de heer [persoon] en de directeur van [werkgever] bevatten geen gedetailleerde informatie over de feitelijke woonsituatie van eiser. Bovendien kunnen de verklaringen niet als voldoende objectief worden aangemerkt. Deze verklaringen zijn verder niet voldoende ondersteund door andere bewijsstukken of verklaringen van objectieve derden die uit eigen waarneming gedetailleerd kunnen verklaren dat eiser op adres van zijn ouderlijk huis woonde in de te beoordelen periode. De rechtbank merkt hierbij verder op dat zij de verklaring van de heer [persoon] niet goed kan plaatsen. Immers, enerzijds stelt de heer [persoon] dat eiser de kamer nodig had in verband met zijn werk, terwijl eiser er anderzijds van uitging dat hij in de tussentijd zou verhuizen naar een jongerenwoning. Het lijkt er op dat eiser, zoals hij eerder ook tijdens de bezwaarprocedure heeft verklaard, wel degelijk graag op zichzelf heeft willen wonen en het niet de bedoeling was dat hij terug zou keren naar zijn ouders. De overgelegde aankoopbevestigingen van online bestellingen maken tot slot geenszins aannemelijk dat eiser woonde op het adres van zijn ouderlijk huis. De rechtbank oordeelt op grond van de ingebrachte stukken, in onderlinge samenhang bezien, dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in de te beoordelen periode daadwerkelijk in de woning van zijn ouders woonde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>In het kader van het evenredigheidsbeginsel brengt eiser naar voren dat het college gelet op de vrije bewijsleer in het bestuursrecht naast de inschrijving in de BRP ook betekenis moet toe kennen aan andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser zijn feitelijke verblijfsplaats niet heeft gehad bij zijn ouderlijk huis in de te beoordelen periode. De rechtbank en het college hebben de door eiser ingebrachte bewijsmiddelen in de beoordeling betrokken en zijn niet slechts uitgegaan van de BRP-inschrijving. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De informatieplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eiser voert aan dat het college de plicht had om bij het aangaan van de huurovereenkomst tussen Rochdale en de ouders van eiser, het gezin te informeren over de voorwaarden die gelden bij herhuisvesting, zeker als dit zulke grote gevolgen heeft voor de huurders en hun kinderen. Eiser en zijn gezin waren op het moment van toewijzing van de woning minder dan 1 jaar in Nederland en zij waren de Nederlandse taal nog niet machtig. Het college is pas in 2023 begonnen met het informeren van de bewoners, nadat eiser in 2022 tijdelijk elders had gewoond in verband met zijn werk bij [werkgever] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De gemachtigde van het college heeft toegelicht dat de plannen om het complex te slopen waren afgeblazen, waarbij het niet duidelijk was of en wanneer alsnog zou worden overgegaan tot sloop. Dat het complex enkele jaren later alsnog zou worden gesloopt stond dus niet vast toen de ouders van eiser de woning toegewezen hebben gekregen. Eiser had graag van te voren willen weten dat het complex gesloopt zou worden en dat hij zich daarom beter niet kon uitschrijven van het ouderlijk adres. Los van het gegeven dat de woningcorporatie deze informatie niet hoeft te verstrekken, kon de woningcorporatie ook geen toezeggingen doen, aangezien het niet duidelijk was of en wanneer zou worden besloten de eerdere plannen nieuw leven in te blazen. Hier komt nog bij dat de woningcorporaties niet actief bewoners willen waarschuwen dat het complex wordt gesloopt buiten de vijf jaren voorafgaande aan de sloop omdat dat er immers toe zal leiden dat kinderen die niet meer thuis wonen, zich alsnog bij hun ouders in zullen schrijven om in aanmerking te komen voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie. Dit is ook de reden waarom een termijn van vijf jaar voor de peildatum wordt gehanteerd. Binnen die vijf jaar zijn er namelijk vaak al wel geruchten dat een complex op de nominatie staat om te worden gesloopt of worden er al voorbereidingen getroffen waardoor bewoners op de hoogte raken van een op handen zijnde sloop. De rechtbank kan deze redenering van het college volgen. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser meent, het college of Rochdale niet kan worden verweten dat zij eiser niet hebben geïnformeerd over de sloop en de gevolgen ervan. Het geven van informatie op het moment van het aangaan van de huurovereenkomst met de ouders van eiser was bovendien noch mogelijk of gewenst.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hardheidsclausule</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiser voert aan dat er sprake is van een bijzondere situatie. Eiser heeft zich sinds zijn aankomst in Nederland sterk ingespannen om zo snel mogelijk te integreren door snel de Nederlandse taal te leren en te gaan werken. Het college had volgens eiser coulance kunnen tonen door hem de semi-stadsvernieuwingsurgentie te verlenen. Op het moment dat de ouders van eiser verhuizen naar een andere woning, kan eiser niet mee verhuizen omdat zijn ouders in aanmerking komen voor een kleine gezinswoning met ten hoogste drie slaapkamers. De ouders van eiser slapen apart en eiser heeft ook een minderjarig zusje. Dit betekent dat er geen slaapkamer beschikbaar zal zijn voor eiser. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4.3.2 van de Hvv het college bevoegd is om in gevallen waarin de toepassing van de Hvv naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt af te wijken van de Hvv ten gunste van de aanvrager. Het college past de hardheidsclausule terughoudend toe. De invulling en toepassing van de hardheidsclausule behoort tot de discretionaire bevoegdheid van het college. Het college heeft ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule beoordelingsvrijheid. Het gebruik van deze vrijheid moet door de rechter terughoudend worden getoetst. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college in redelijkheid concluderen dat de hardheidsclausule niet toegepast hoeft te worden. In dit geval zijn de volgende omstandigheden van belang. De gemachtigde van het college heeft op zitting bevestigd dat in het geval van eiser maatwerk wordt geleverd door de woningcorporatie, zodat met eiser rekening kan worden gehouden bij de verhuizing van de ouders van eiser. De ouders van eiser hebben een stadsvernieuwingsurgentieverklaring verkregen voor een driekamerwoning en kunnen hiermee zelf een woonruimte met voorrang op Woningnet zoeken. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat de ouders van eiser met deze urgentieverklaring ook kunnen reageren op vierkamerwoningen in Woningnet. Een vierkamerwoning heeft drie slaapkamers, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat één slaapkamer voor de ouders van eiser is, één slaapkamer voor het zusje van eiser is en één slaapkamer voor eiser zelf is. Wanneer de ouders van eiser niet voor 1 juni 2024 zelfstandig een woning kunnen vinden, zal aan de ouders van eiser een woning via directe bemiddeling worden aangeboden door de woningcorporatie. De woningcorporatie biedt dan aan de ouders van eiser een vierkamerwoning met drie slaapkamers aan. Dat de ouders van eiser apart van elkaar slapen is een omstandigheid waarmee het college geen rekening mee hoefde te houden in dit kader. De rechtbank acht het tot slot bewonderenswaardig dat eiser zo snel is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en de Nederlandse taal spreekt, maar dit heeft het college niet als een bijzondere omstandigheid hoeven aan te merken die tot de toepassing van de hardheidsclausule noopt om toch een semi-stadsvernieuwingsurgentieverklaring te verstrekken.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>3 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bbf7b520-eece-4b45-ab91-ce572ac8103b" label="1">
    <para> Zie artikel 2.10.8, eerste lid, onder c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (Hvv) en artikel 2.5 van de Nadere regels Hvv.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>