<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:7398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-09T12:00:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/748950 / HA ZA 24-324</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_ondernemingsrecht">Civiel recht; Ondernemingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7398">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:7398</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-06T14:45:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:7398 Rechtbank Amsterdam , 04-12-2024 / C/13/748950 / HA ZA 24-324</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7398:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing vrijwaring. Uitgangspunt is dat binnen een vof elke vennoot voor gelijke delen verantwoordelijk is en dus draagplichtig is. Geen sprake van de uitzonderingssituatie in de vennootschapsovereenkomst</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:7398:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Amsterdam</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/13/748950 / HA ZA 24-324</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 4 december 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats 1] ,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>advocaat: mr. M.M. Hazewinkel,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] , </title>
    <parablock>
      <para>te [woonplaats 2] ,<?linebreak?>2. <emphasis role="bold">SOLUENTIA B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Renswoude ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">[gedaagde 3]</emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats 1] ,<?linebreak?>4. <emphasis role="bold">TYLE B.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Amsterdam,<?linebreak?>5. <emphasis role="bold">[naam V.O.F.]</emphasis>, </para>
      <para>te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partijen,</para>
      <para>hierna samen te noemen: [gedaagden] ,</para>
      <para>advocaat: mr. R.J.W. Analbers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het incidenteel vonnis van 27 maart 2024 en herstelvonnis van 10 april 2024 in de hoofdzaak met zaaknummer C/13/745130, waarin het [eiser] wordt toegestaan om [gedaagden] in vrijwaring op te roepen,<?linebreak?>- de dagvaarding van 2 april 2024 met producties 1-3,<?linebreak?>- de conclusie van antwoord met producties 1-12,<?linebreak?>- het tussenvonnis van 5 juli 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,<?linebreak?>- de akte aanvullende productie 13 van [gedaagden] ,<?linebreak?>- de akte aanvullende producties 4-26 van [eiser] ,</para>
      <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 september 2024 en de daarin genoemde stukken,</para>
      <para>- de reacties van mr. Hazewinkel, mr. Analbers en mr. Van Vloten op het proces-verbaal,<?linebreak?>- het vonnis van 30 oktober 2024 in de hoofdzaak, waarbij [gedaagden] en [eiser] zijn veroordeeld tot betaling van € 200.000 aan IFH vanwege schending van een <?linebreak?>non-concurrentiebeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Daarna is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Wat vooraf ging aan deze procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In juni 2015 hebben [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] een vennootschap onder firma (hierna: Vof) opgericht. Tussen partijen is een vennootschapsovereenkomst tot stand gekomen waarvan artikel 7 als volgt luidt: <emphasis role="italic">de vennoten verdelen hun werkzaamheden in onderling overleg. Zij verbinding zich jegens elkaar om geen handelingen te verrichten waartegen één van hen zich uitdrukkelijk heeft verzet</emphasis>. Binnen de Vof zijn Restau B.V., [naam V.O.F.] en Magic Reviews opgericht. Het reviewplatform [website 1] is een onderdeel van [naam V.O.F.] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 23 juni 2020 heeft [naam V.O.F.] de domeinnaam [webadres 2] geregistreerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 3 december 2020 is [website 1] met bijbehorende website [webadres 1] aan IFH verkocht en overgedragen. In de koopovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen waarin [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zich hebben verbonden om – kort gezegd – gedurende twee jaar na datum overdracht van [website 1] geen onderneming of activiteit te voeren die vergelijkbaar of concurrerend is met de onderneming of activiteiten van [website 1] . De non-concurrentieperiode begon op 3 december 2020 en eindigde op 3 december 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Eind 2021 hebben partijen naar elkaar uitgesproken dat [eiser] verder zou gaan met Restau en Magic Reviews en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] [naam V.O.F.] inclusief de domeinnaam [webadres 2] zouden voortzetten. Dit heeft ertoe geleid dat in 2023, met terugwerkende kracht vanaf januari 2022, [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hun aandeel in Restau en Magic Reviews hebben overgedragen aan [eiser] en dat [eiser] zijn aandeel in [naam V.O.F.] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] heeft overgedragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op enig moment na het aflopen van de non-concurrentieperiode is IFH op de hoogte geraakt van de website [webadres 2] op internet. IFH heeft [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [eiser] bericht dat zij het non-concurrentiebeding hadden geschonden en de daaraan verbonden boete verschuldigd waren, die was opgelopen tot een bedrag van € 3.755.000.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op 30 oktober 2024 is vonnis gewezen in de hoofdzaak van deze vrijwaringsprocedure. Daarin is geconcludeerd dat met het online staan van [webadres 2] het non-concurrentiebeding is geschonden. [eiser] en [gedaagden] zijn veroordeeld tot betaling aan IFH van € 200.000 aan hoofdsom, € 2.775 aan buitengerechtelijke incassokosten, € 11.108,52 aan beslagkosten en € 12.329,73 aan proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In deze vrijwaringsprocedure vordert [eiser] dat [gedaagden] worden veroordeelt, om aan hem te betalen al datgene, waartoe hij in de hoofdzaak jegens IFH is veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat op grond van de rechtsverhouding tussen partijen, [gedaagden] verplicht zijn om de nadelige gevolgen van de veroordeling in de hoofdzaak voor [eiser] te dragen. Ter onderbouwing voert [eiser] aan dat [gedaagden] is tekortgeschoten in de vennootschapsovereenkomst omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] handelingen hebben verricht tegen de uitdrukkelijke wens van [eiser] . Volgens [eiser] heeft hij (i) steeds benadrukt dat de Vof ver moest blijven van enig op Nederland gerichte reviewsplatform-activiteiten en (ii) heeft hij zich verzet tegen het ontwikkelen van dergelijke activiteiten buiten de Vof om. Daarnaast stelt [eiser] dat aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt nu zij als eigenaar en bestuurder verantwoordelijk zijn voor de reviewplatform-activiteiten en van hen mocht worden verwacht dat zij bij deze activiteiten niet de koopovereenkomst met IFH zouden schenden. Bovendien komt dit handelen neer op een schending van de jegens [eiser] als medevennoot in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm, zodat ook sprake is van persoonlijk onrechtmatig handelen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Binnen de Vof geldt als uitgangspunt dat elke vennoot voor gelijke delen verantwoordelijk en dus draagplichtig is. Dit betekent dat [eiser] , zolang hij vennoot was van de Vof, door derden ook kon worden aangesproken voor het handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] namens de Vof. De uitzondering hierop wordt gevormd door handelingen waartegen een vennoot zich uitdrukkelijk heeft verzet (artikel 7 van de vennootschapsovereenkomst). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat [gedaagden] met [webadres 2] handelingen hebben verricht tegen de uitdrukkelijke wens van [eiser] en overweegt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [eiser] was ervan op de hoogte dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] na het aflopen van de non-concurrentieperiode met IFH een nieuwe [website 1] wilde oprichten. [eiser] wist ook dat de domeinnaam [webadres 2] was geregistreerd door [naam V.O.F.] dat onderdeel was van de Vof. Op dat moment was [eiser] nog vennoot van de Vof. Het team van Restau, dat onder leiding van [eiser] stond, heeft meegewerkt aan het bouwen van de website van [webadres 2] . Op zitting is aan [eiser] gevraagd waaruit blijkt dat hij zich heeft verzet tegen [webadres 2] dan wel tegen overtreding van het non-concurrentiebeding. [eiser] verwijst ter onderbouwing van dat standpunt naar whatsapp-berichten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] . Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze whatsapp-berichten niet dat [eiser] zich heeft verzet tegen [website 2] dan wel [webadres 2] of het overtreden van het non-concurrentiebeding. Ook uit andere stukken in het dossier is niet gebleken van een concrete actie waarmee [eiser] zich heeft gedistantieerd van [webadres 2] . Zo heeft [eiser] tijdens de bouw van [webadres 2] niet aangegeven dat prudent met deze website omgegaan moest worden gelet op de non-concurrentieperiode. Evenmin zijn er aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] [eiser] bewust onkundig hebben gehouden van hun plannen met [website 2] en/of dat [eiser] geen bemoeienis of zicht had op de ontwikkeling van [webadres 2] . Daarbij betrekt de rechtbank dat [eiser] nota bene zijn team van Restau heeft uitgeleend aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] voor de bouw van [webadres 2] . Dat [eiser] zelf niet de website heeft gebouwd neemt niet weg dat hij via zijn team wel op de hoogte was van de ontwikkelingen rondom [website 2] op dat moment. De enkele omstandigheid dat [eiser] op 26 augustus 2022 [gedaagde 1] en [gedaagde 3] erop heeft gewezen dat [webadres 2] online stond en hen heeft verzocht de website offline te halen is onvoldoende om als verzet aan te merken, omdat [eiser] daarvoor al op de hoogte was van deze website, maar zich daartegen niet heeft uitgesproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>In de hoofdzaak is overwogen dat onduidelijk is hoe en wanneer [webadres 2] online is komen te staan. [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben betoogd dat [webadres 2] per abuis online is gezet door een medewerker van haar. Feitelijk is het online komen te staan van [webadres 2] [eiser] net zo goed overkomen als [gedaagde 1] en [gedaagde 3] . <?linebreak?>Nu de vennootschapsovereenkomst daar geen oplossing voor biedt en niet is gebleken dat [eiser] zich jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] heeft verzet tegen [webadres 2] , valt niet in te zien waarom [gedaagden] [eiser] moet vrijwaren.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De conclusie is dat de vordering tot vrijwaring wordt afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [eiser] zal ambtshalve als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>0,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.228,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 614,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.406,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters, rechter, bijgestaan door mr. S.P.F. Sneeboer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>