<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-11T15:34:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/164780-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6820">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-11T14:49:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6820 Rechtbank Amsterdam , 03-09-2024 / 13/164780-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6820:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zware mishandeling; gevangennisstraf acht maanden + bijzondere voorwaarden; beroep (putatief) noodweer (niet geslaagd); bulbusruptuur; blind aan een oog; vordering benadeelde partij € 20.000,-.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6820:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c98892f6-8167-44a2-a5d1-0fd2797887be" depth="16" width="551" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/164780-24 (promis)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 3 september 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,</para>
      <para>hierna: verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. van Duijn. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y. Mateo Diaz, en mr. K. Binnerts namens de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 mei 2024 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">primair</emphasis>
      </para>
      <para>zware mishandeling van [benadeelde partij] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis>
      </para>
      <para>poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">meer subsidiair</emphasis>
      </para>
      <para>mishandeling van [benadeelde partij] , zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volledige tenlastelegging is opgenomen in  <emphasis role="bold">bijlage I</emphasis> die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden, nu er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ) en verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door [benadeelde partij] met kracht in zijn gezicht te slaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. [benadeelde partij] had reeds voor het incident gezondheidsproblemen en het zicht was mogelijk al aangetast aan een van zijn ogen, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat zijn verslechterde zicht enkel door de klappen van verdachte is veroorzaakt. Ook is er nog geen medische eindsituatie en is dus onduidelijk of herstel van het oog nog mogelijk is. Daarbij heeft verdachte geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hij handelde uit zelfbescherming en niet met de intentie om ernstig letsel toe te brengen. Ook is geen sprake van voorwaardelijk opzet omdat enkele vuistslagen in het gezicht, zonder dat kan worden vastgesteld met hoeveel kracht is geslagen, geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebrengen. </para>
        <para>Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken nu niet kan worden bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het trappen en/of stampen van [benadeelde partij] tegen het lichaam met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte met kracht tegen het gezicht of de ogen heeft geslagen. Tot slot zijn er onvoldoende aanwijzingen in het dossier waaruit blijkt dat het oogletsel van [benadeelde partij] uitsluitend door verdachte is veroorzaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zwaar lichamelijk letsel</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank oordeelt dat er wel sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] . Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel worden meegenomen.<footnote-ref linkend="_dd68bf81-d331-4b61-88aa-211f6b02c020" /> Het uitgangspunt daarbij is dat lichamelijk letsel als ‘zwaar’ te beschouwen is, wanneer dit letsel voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt. </para>
        <para>Over de aard van het letsel stelt de rechtbank het volgende vast. Uit  de letselverklaringen van 9 en 16 augustus 2024 die bij het verzoek tot schadevergoeding zijn gevoegd, volgt dat [benadeelde partij] , een bulbusruptuur en meerdere aangezichtsbreuken heeft opgelopen door het tenlastegelegde. Voorts blijkt daaruit dat sprake is van een slechte prognose en dat [benadeelde partij] blijvende visusschade zal houden. Op dit moment heeft hij een visus van 3/60 met het aangedane oog en ziet hij alleen wat licht. Hoewel er op dit moment nog geen medische eindsituatie is, heeft [benadeelde partij] sinds het incident op 14 mei 2024, al gedurende ruim drie maanden, geen (of nauwelijks) zicht met zijn rechteroog. [benadeelde partij] is meermaals aan dit oog geopereerd en zal nog meerdere operaties aan zijn oog moeten ondergaan met als doel behoud van het oog. Onzeker blijft of hij zijn oogbal kan behouden en of, dan wel in welke mate, hij zijn zicht zal terugkrijgen. Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en de aard van het medisch ingrijpen en de slechte prognose waarbij er geen uitzicht is op volledig herstel, is de rechtbank van oordeel dat dit letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Ook naar gewoon spraakgebruik wordt dit letsel als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt. Dat er mogelijk in de toekomst nog enige verbetering van het zicht van [benadeelde partij] met zijn rechteroog kan optreden, maakt hierin geen verschil. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorwaardelijk opzet </emphasis>
        </para>
        <para>De volgende vraag die rechtbank moet beantwoorden is of verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op het toebrengen van dit zwaar lichamelijk letsel. </para>
        <para>Niet is gebleken dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] . Dat is anders voor wat betreft het voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [benadeelde partij] in ieder geval tweemaal, en mogelijk zelfs driemaal, met gebalde vuist tegen het oog heeft gestompt. Uit het letsel dat [benadeelde partij] hierdoor heeft opgelopen, namelijk meerdere botbreuken en een bulbusruptuur, blijkt dat verdachte dit stompen met kracht heeft gedaan. Op 14 mei 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hard slaan in het gezicht naar uiterlijke verschijningsvorm gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook wanneer dit maar met een enkele klap is gebeurd.<footnote-ref linkend="_66ce0bd2-593a-4e79-a889-974aa8091d2c" /> De Hoge Raad wijst hierbij op de kwetsbaarheid van het gezicht en het gegeven dat dat bij iedereen bekend is. Nu verdachte bewust en met kracht tegen het gezicht van [benadeelde partij] heeft gestompt, heeft hij naar de uiterlijke verschijningvorm, voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] . Van contra-indicaties is niet gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt, gelet op bovenstaande, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht op grond van de in <emphasis role="bold">bijlage II </emphasis>vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op 14 mei 2024 te Amsterdam, aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een bulbusruptuur aan een oog en meerdere aangezichtsbreuken, heeft toegebracht door die [benadeelde partij] meermaals met kracht tegen de ogen en tegen het gezicht te stompen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid van het feit en van verdachte</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde geen beroep op (putatief) noodweer toekomt. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat [benadeelde partij] iets in de richting van verdachte wilde ondernemen. Ook is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat verdachte verontschuldigbaar mocht aannemen dat het slachtoffer iets dergelijks van plan was. Dit wordt onderstreept door de eerste verklaring van verdachte, zoals hij die bij de politie heeft afgelegd. Verdachte heeft het slachtoffer direct geslagen. Nu er geen straf- of schulduitsluitingsgronden zijn waarop een geslaagd beroep kan worden gedaan, is verdachte een strafbare dader.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte uit zelfbescherming heeft gehandeld. Verdachte is in het verleden diverse malen door [benadeelde partij] bedreigd. Derhalve bestond bij verdachte  onmiddellijk de vrees dat [benadeelde partij] een vuurwapen of iets dergelijks uit zijn tasje zou pakken toen hij een beweging in de richting van zijn tasje maakte. Verdachte heeft, door [benadeelde partij] direct te slaan, in reactie op het dreigende gevaar gehandeld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte en [benadeelde partij] kennen elkaar al 35 jaar. [benadeelde partij] en verdachte zouden elkaar bij eerdere gelegenheden hebben bedreigd en beiden hebben meermaals aangifte tegen elkaar gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij [benadeelde partij] op 14 mei 2024 op een bankje zag zitten, om hem heen is gelopen en hem heeft begroet. Hierop zag hij dat [benadeelde partij] met zijn hand naar zijn tasje ging om daar iets uit te pakken. Verdachte sloeg [benadeelde partij] voordat [benadeelde partij] hem iets kon doen, zo heeft verdachte ter zitting verklaard. </para>
        <para>
          [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij op een bankje zat en ineens een harde klap op zijn achterhoofd voelde, waarna hij verdachte voor zich zag staan, die hem gelijk begon te slaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Putatief noodweer</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw als een beroep op putatief noodweer. Vast staat immers dat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever van verdachte en evenmin van een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding. De enkele vrees van verdachte dat aangever een (vuur)wapen zou pakken is daartoe niet voldoende.</para>
        <para>Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op putatief noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Niet aannemelijk is dat aangever op 14 mei 2024 iets heeft gedaan of gezegd waaruit verdachte kon opmaken dat hij een (vuur)wapen bij zich had en/of de intentie had om verdachte iets aan te doen. Evenmin volgt uit het dossier dat aangever eerder in het bezit is geweest van een vuurwapen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte zich het gestelde dreigende gevaar – dat hij mogelijk zou worden aangevallen met een (vuur)wapen – <emphasis role="italic">verontschuldigbaar</emphasis> heeft ingebeeld, terwijl verdachte bovendien niet heeft mogen menen dat hij zich tegen dat gestelde gevaar moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>Het beroep op putatief noodweer wordt verworpen. Er zijn geen andere feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of verdachte uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>Motivering van de straffen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht een straf op te leggen waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn meewerkende houding en de overwegingen van de reclassering. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de duur van de voorlopige hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ernst van het feit</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [benadeelde partij] door hem meerdere malen met kracht op zijn gezicht en ogen te stompen. Het geweld van verdachte hield verband met een langlopend conflict dat hij met [benadeelde partij] had. Verdachte heeft een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de persoonlijke en fysieke integriteit van [benadeelde partij] . Ook roepen dergelijke feiten in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid op bij zowel [benadeelde partij] als bij de maatschappij. Dit is ook gebleken uit de commotie die op straat is ontstaan tijdens het feit. Het geweld vond overdag plaats en het was druk op straat. De gebeurtenis heeft veel gevolgen voor [benadeelde partij] gehad, zoals is gebleken uit het dossier en de toelichting door zijn gemachtigde ter terechtzitting. [benadeelde partij] heeft door de vuistslagen van verdachte meerdere aangezichtsbreuken en een bulbusruptuur aan zijn rechteroog opgelopen. Er is sprake van blijvende vermindering/verlies van zicht aan dit oog. [benadeelde partij] heeft inmiddels een aantal operaties ondergaan en zal er nog meerdere moeten ondergaan om zijn oogbol te kunnen behouden. Ter terechtzitting heeft verdachte er weinig blijk van gegeven dat hij zich de ernstige gevolgen voor [benadeelde partij] aanrekent. Hij ziet zichzelf juist als slachtoffer binnen deze langlopende ruzie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Persoon van verdachte</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 mei 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet recent is veroordeeld voor soortgelijke feiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Jeugdbescherming &amp; Reclassering van 5 augustus 2024, opgemaakt door [naam reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker. De reclassering schat de risico’s op recidive en letselschade als gemiddeld in. De reclassering verklaart dat verdachte zich aan de afspraken in het kader van het schorsingstoezicht houdt, voor zover bekend ook aan het huidige contactverbod. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling bij GGZ Inforsa en meewerken aan dagbesteding. De reclassering vindt toezicht en ambulante behandeling van belang gezien de ernst van het geweld dat verdachte heeft toegepast en het langslepende conflict.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij mee wil en blijft werken aan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitgangspunten voor de strafoplegging</emphasis>
        </para>
        <para>Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf neemt de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting (LOVS) als uitgangspunt. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waarbij een herstelperiode van meer dan zes maanden of geen volledige genezing wordt verwacht, wordt een gevangenisstraf van acht maanden als uitgangspunt genomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft fors geweld op [benadeelde partij] toegepast waarvan deze in de toekomst nog de gevolgen zal ondervinden. De oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is daarom passend en geboden. De voorwaardelijke straf dient verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarbij worden de bijzondere voorwaarden opgelegd zoals geadviseerd door de reclassering. In aanvulling hierop zal de rechtbank aan verdachte ook een contactverbod met [benadeelde partij] opleggen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf jegens [benadeelde partij] zal begaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar zijn. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van [benadeelde partij] en het conflict tussen hen is nog niet opgelost. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
        </para>
        <para>Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van acht maanden opleggen, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarden worden gesteld: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling bij GGZ Inforsa, meewerken aan dagbesteding en een contactverbod met het slachtoffer. De bijzondere voorwaarden zullen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Gelet op het feit dat de rechtbank de LOVS als uitgangspunt neemt bij het opleggen van de straf, wijkt deze straf af van wat de officier van justitie heeft gevorderd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De schorsing van de voorlopige hechtenis blijft voortduren aangezien verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en er geen grond is om de schorsing op te heffen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten van partijen</emphasis>
      </para>
      <para>De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 5.000,- aan materiële schade en € 40.000,- aan  immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade betreft een reservepost voor medische kosten die nog worden verwacht in de periode tot een eventueel hoger beroep. De benadeelde partij vordert deze kosten reeds, omdat er nog geen sprake is van een medische eindsituatie, en daarmee niet alle te maken kosten al in kaart kunnen worden gebracht. Zij verzoekt deze post in eerste aanleg niet ontvankelijk te verklaren, zodat zij die in hoger beroep nader kan toelichten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 10.000,-, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmatregel, en de benadeelde partij in de vordering tot materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de benadeelde partij geheel niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen, nu niet kan worden vastgesteld welk letsel door verdachte is toegebracht en welk letsel mogelijk al bestond, of door een andere betrokkene is toegebracht. Indien de rechtbank de verdediging niet volgt, verzoekt zij de vordering te matigen en het restant niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde toekomstige materiële schade van € 5.000,- niet-ontvankelijk, omdat deze medische kosten nog niet zijn gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit verschillende operaties heeft moeten ondergaan. Het is nog onzeker of hij zijn oogbal kan behouden en in welke mate hij blijvend gezichtsverlies heeft. Er zijn nog verschillende operaties noodzakelijk. Uit de vordering tot schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij veel pijn heeft ervaren en nog steeds stress en onzekerheid ondervindt over zijn toekomstig herstel en levenskwaliteit. Op grond van deze omstandigheden, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op </para>
      <para>€ 20.000,-. De rechtbank vindt de uitspraken die door de verdediging zijn aangehaald ter onderbouwing van de hoogte van de immateriële schade, voor wat betreft de ernst van het letsel en de aard van het medisch ingrijpen, onvoldoende vergelijkbaar met de omstandigheden in deze zaak. Daarnaast kan de omvang van de immateriële schade op dit moment nog niet volledig worden vastgesteld, omdat de eindsituatie met betrekking tot de schade aan het zicht van de benadeelde partij thans nog niet bekend is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst de gevraagde immateriële schadevergoeding dus gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan (14 mei 2024) en legt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op. De benadeelde partij zal in het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard nu de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 302 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">zware mishandeling.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">gevangenisstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">8 (acht) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat een gedeelte, groot <emphasis role="bold">2 (twee) maanden</emphasis>, van deze gevangenisstraf <emphasis role="bold">niet ten uitvoer </emphasis>gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt daarbij een <emphasis role="bold">proeftijd</emphasis> van <emphasis role="bold">2 (twee) jaar</emphasis> vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde algemene of bijzondere voorwaarden voldoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Stelt als bijzondere voorwaarden:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Meldplicht bij reclassering</emphasis>
      </para>
      <para>Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Leger des Heils Jeugdbescherming &amp; Reclassering op het adres [adres reclassering] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambulante behandeling</emphasis>
      </para>
      <para>Veroordeelde laat zich behandelen door GGZ Inforsa Amsterdam Forensische Ambulante Zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.</para>
      <para>Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Veroordeelde werkt eventueel ook mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dagbesteding</emphasis>
      </para>
      <para>Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Contactverbod </emphasis>
      </para>
      <para>Veroordeelde mag gedurende de proeftijd van twee jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren [geboortedatum aangever] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vordering benadeelde partij</emphasis>
      </para>
      <para>Wijst de vordering van de benadeelde partij <emphasis role="bold">[benadeelde partij] </emphasis>toe tot een bedrag van <emphasis role="bold">€ 20.000,- </emphasis>(twintigduizend euro) aan vergoeding van <emphasis role="bold">immateriële schade</emphasis>, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 14 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 20.000,- (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 14 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 135 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. K.A. Brunner en A.B. Sluijs,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico,	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geboortedatum aangever]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para>
      [geboortedatum aangever] </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_dd68bf81-d331-4b61-88aa-211f6b02c020" label="1">
    <para>Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_66ce0bd2-593a-4e79-a889-974aa8091d2c" label="2">
    <para>Hoge Raad 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:661.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>