<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6709</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-07T14:09:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-146136-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6709">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6709</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-07T09:44:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6709 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2024 / 13-146136-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6709:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak, Polen, executie-EAB, onderzoek heropend om meer informatie te verkrijgen in het kader van artikel 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6709:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-146136-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 15 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_edb3d8ef-d655-4095-a702-c5050da1defd" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 31 januari 2024 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Gorzów Wielkopolski</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. N. Wijkman, die waarnam voor de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Almere en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_9ad1bba6-8704-4ff5-9294-b7cf31753a1f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgement issued by the Regional Court in Gorzów Wlkp. </emphasis>(<emphasis role="italic">de rechtbank begrijpt: Wielkopolski</emphasis>) van 8 april 2022 (met kenmerk II K 43/20). Uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2024 blijkt dat <emphasis role="italic">the Court of Appeal in Szczecin</emphasis> op 30 juni 2023 arrest heeft gewezen (met kenmerk II AKa 280/22).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en tien maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_bc8b898a-a7c8-4611-a697-be11e6153a6f" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit 1 aan als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	deelneming aan een criminele organisatie.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feiten 2 tot en met 10 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht telkens op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	diefstal door twee of meer verenigde personen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_5499f668-5f7a-4210-985f-3659029ab64c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_377ef5e0-a27d-48d6-96c5-2e0bc103d98d" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2024 blijkt dat het hoger beroep een inhoudelijke beslissing betrof, en dat die dus getoetst dient te worden aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Het is daarbij niet duidelijk of sprake was van een toegevoegde advocaat of een zelfgekozen advocaat. De opgeëiste persoon stelt dat een toegevoegde advocaat zonder zijn medeweten namens hem hoger beroep heeft ingesteld. Daarnaast is er onvoldoende informatie over een eventuele adresinstructie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vertrouwensbeginsel dient uitgegaan te worden van de aanvullende informatie, en niet van de verklaring van de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor op 15 augustus 2024. Het betreft een procedure die zich vele jaren geleden heeft afgespeeld, waardoor de verklaring van de opgeëiste persoon over, onder andere, zijn toenmalige advocaat niet per se juist was. Uit de aanvullende informatie blijkt bijvoorbeeld dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid, terwijl hij zelf verklaart wel bij een zitting aanwezig te zijn geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benodigde informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep is er niet, waardoor de overlevering geweigerd dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat afgezien kan worden van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2024 blijkt niet duidelijk welke procedure getoetst dient te worden aan artikel 12 OLW, waardoor beide onderhevig zijn aan toetsing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de procedure in eerste aanleg was de opgeëiste persoon niet aanwezig, hoewel hij zelf heeft verklaard wel op een zitting te zijn verschenen. De opgeëiste persoon zou een advocaat hebben gehad die hem heeft verdedigd, maar het is onduidelijk of die door hem gemachtigd is. Wel is gebleken dat hij een adresinstructie in ontvangst heeft genomen, waarvoor hij heeft getekend. Bovendien heeft hij verklaard op de hoogte te zijn geweest van de procedure in eerste aanleg. De verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zijn dus niet geschaad en daardoor kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de procedure in hoger beroep heeft de opgeëiste persoon eerder verklaard daarvan op de hoogte te zijn geweest, en dat zijn advocaat dat hoger beroep had ingesteld. Hij heeft ook aangegeven naar Nederland te zijn vertrokken omdat de procedure te lang duurde. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure en koos desondanks om Polen te verlaten. Hierdoor is wederom voldoende aanleiding om af te zien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_5c99751e-36c5-4bba-8261-73b9b80af541" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aanvullende informatie van 2 oktober 2024 wordt het volgende vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“The Court of the second instance did not examine the judgment issued by the Court of the first instance, in terms of the facts and what determined the penalty. Therefore, the Court of the second instance did not examine on its own the evidence of commission of the offence.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">[…]</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Certainly, the Court of Appeal examined the appeal filed within the limits of the appeal, therefore in terms of the penalty imposed and found that the judgment issued by the Court of the first instance was adequate.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie duidelijk wordt dat in hoger beroep niet opnieuw naar het bewijs is gekeken, maar slechts naar de hoogte van de opgelegde straf. Zodoende dient alleen het hoger beroep te worden getoetst aan artikel 12 OLW..</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel is het voor de rechtbank onduidelijk of de advocaat van de opgeëiste persoon gedurende de gehele procedure een toegevoegde advocaat was, of een zelfgekozen en gemachtigd advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel uit de aanvullende informatie van 2 oktober 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, beantwoordt de uitvaardigende justitiële autoriteit niet de vraag of de opgeëiste persoon bij ontvangst van deze instructie is geïnformeerd dat deze zich uitstrekte tot over een eventuele procedure in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het door de uitvaardigende justitiële autoriteit overgelegde onderdeel d) formulier ten aanzien van de procedure in hoger beroep is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. In de toelichting van het formulier wordt echter vermeld dat de opgeëiste persoon ‘<emphasis role="italic">duly notified of the date’</emphasis> zou zijn geweest. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat oproepingen in Polen anders verlopen dan in Nederland, en dat een naar Pools recht correct verlopen oproeping vaker wordt aangemerkt als een betekening in persoon. Hierdoor is onduidelijk of is voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon de oproeping daadwerkelijk persoonlijk in ontvangst heeft genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft op 10 oktober 2024 de volgende vragen voorgelegd, en op zitting verklaard dat nog geen antwoorden binnen zijn gekomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“It is mentioned that it was not clear what I meant by ‘the last instance that ruled on the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">guilt of the person concerned and imposed a penalty on him (within the meaning of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tupikas, C-270/17 PPU). Therefore I will attempt to rephrase:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. Could you please confirm whether the Court of Appeal in Szczecin re-assessed the guilt and the penalty of [opgeëiste persoon] in the appeal procedure or if it was merely an</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">assessment on whether the law was applied correctly?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. Could you please confirm whether the address instructions (Article 139 PCCP) extend</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">to be applicable for the entire course of the proceedings, including the appeal</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">procedure?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Could you please confirm whether the wanted person had given a power of attorney to</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">his lawyer to represent him in procedure of first instance </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">and</emphasis>
        <emphasis role="italic"> the appeal procedure?”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht het nodig het antwoord op deze vragen af te wachten. Ook acht zij het nodig om de volgende aanvullende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Is de oproeping voor de zitting in hoger beroep persoonlijk aan hem uitgereikt, met dien verstande dat de oproeping in handen is gesteld van de opgeëiste persoon ?</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting teneinde de antwoorden af te wachten op de door de officier van justitie onder 6. genoemde gestelde vragen en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de aanvullende vraag ook aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland voor 12 november 2024, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.T.C. de Vries,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C. Danel en A.L. op ‘t Hoog,                         			 		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.E. Poel,		                         		    	   griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_edb3d8ef-d655-4095-a702-c5050da1defd" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ad1bba6-8704-4ff5-9294-b7cf31753a1f" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc8b898a-a7c8-4611-a697-be11e6153a6f" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5499f668-5f7a-4210-985f-3659029ab64c" label="4">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_377ef5e0-a27d-48d6-96c5-2e0bc103d98d" label="5">
    <para>Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c99751e-36c5-4bba-8261-73b9b80af541" label="6">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>