<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-12T12:32:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 22/126</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6639">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6639</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-12T12:31:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6639 Rechtbank Amsterdam , 04-11-2024 / AMS 22/126</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6639:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om proceskostenveroordeling. Deskundigenrapport inclusief BTW moet door verweerder worden vergoed. De redelijke termijn wordt verlengd, omdat verweerder op verzoek van verzoekster drie keer de termijn voor het aanvullen van de bezwaargronden heeft verlengd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6639:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AMS 22/126 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster</title>
    <para>(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het Uwv van 8 december 2021. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het Uwv op 22 juli 2024 dit besluit heeft vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarin aan haar tegemoetgekomen wordt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.<footnote-ref linkend="_59209773-7342-4e22-b8a7-dd76c2f2d940" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten partijen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Verzoekster verzoekt om een vergoeding van de volgende kosten: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van een zitting en een 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze na het deskundigenverslag. Daarnaast is het Uwv griffierecht verschuldigd. Ook vraagt verzoekster om een vergoeding van de kosten van een deskundige (€ 726,- inclusief BTW). Tot slot vraagt verzoekster om een immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM<footnote-ref linkend="_0b3795d5-6219-4907-adca-1de0fa8125e4" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld dat het Uwv zich kan vinden in de gevraagde kosten voor het indienen van het beroepschrift, het bijwonen van een zitting en de kosten voor het inschakelen van een verzekeringsarts tot een bedrag van € 600,-. Het verzoek voor het toekennen van een 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze na het deskundigenverslag kan het Uwv niet volgen. De zienswijze van verzoekster heeft het Uwv nooit bereikt. Ook wijst het UWV erop dat de factuur van de ingeschakelde verzekeringsarts gericht is aan het advocatenkantoor. De BTW van € 126,- is verrekenbaar en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Tot slot merkt het Uwv op dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan het Uwv is te wijten, omdat de aanvullende gronden en daarmee het antwoord op de vraag of verzoekster een hoorzitting wilde, pas op 26 augustus 2021 zijn ontvangen, terwijl het bezwaarschrift op 26 april 2021 is ingediend. Rekenend vanaf de datum ontvangst van de aanvullende gronden tot datum afgifte van de beslissing op bezwaar is de redelijke termijn van zes maanden niet overschreden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-. De rechtbank volgt het Uwv in zijn standpunt dat geen 0,5 punt moet worden toegekend voor een schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het deskundigenverslag. Ook de rechtbank heeft een dergelijke zienswijze niet ontvangen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vergoeding van het griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank wijst erop dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden.<footnote-ref linkend="_767247ea-db5f-4dca-aa05-8a92b9f57d1f" />Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Deskundigenrapport</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vergoeding van het deskundigenrapport verhoogd moet worden met omzetbelasting. In artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 staat dat voor vergoeding in aanmerking komende kosten verhoogd moeten worden met de omzetbelasting. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt en dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen.<footnote-ref linkend="_fee161f4-10d3-48a4-8d7c-4cd9379d56cf" /> Gelet op de toelichting van de gemachtigde van verzoekster dat de factuur doorberekend is aan verzoekster en dat zij – de belanghebbende – de omzetbelasting niet kan aftrekken, moet in deze zaak de kosten van het deskundigenrapport wél worden verhoogd met de omzetbelasting. De rechtbank wijst daarom de gevorderde vergoeding van € 726,- toe. De proceskostenvergoeding bedraagt daarmee € 2.476,- (€ 1.750,- voor rechtsbijstand plus € 726,- voor het deskundigenrapport).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar. Als de intrekking van het beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_256e05c9-3348-461e-bea0-e7ea295f545d" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Het tegemoetkomend besluit is op 22 juli 2024 aan verzoekster bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van verzoekster op 26 april 2021 tot de datum van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure drie jaar en ruim drie maanden geduurd. De behandeling van het bezwaar door het Uwv heeft ruim acht maanden geduurd. De overschrijding van ruim twee maanden komt in dit geval niet voor rekening van het Uwv. Het uitgangspunt is dat niet ieder gehonoreerd verzoek om uitstel met zich meebrengt dat de redelijke termijn verlengd moet worden.<footnote-ref linkend="_cc0a0b89-b1e6-4b0d-a92d-6b18b02cb8b6" /> In het onderhavig geval heeft echter kort voor het einde van een tweede termijn voor het aanvullen van de gronden van bezwaar een wisseling van gemachtigden plaatsgevonden. Het Uwv heeft daarom een nieuwe termijn gesteld voor het aanvullen van de gronden van bezwaar. De rechtbank ziet hierin aanleiding de bestuurlijke fase met drie maanden te verlengen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 11 januari 2022 van het beroepschrift van verzoekster heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim twee jaar en – afgerond naar boven – zeven maanden geduurd. De redelijke termijn is in de rechterlijke fase met dertien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,- voor rekening van de Staat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Aanleiding bestaat de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster met betrekking tot de vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 418,50 in beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 837,-). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt het Uwv tot betaling van € 2.476,- aan proceskosten aan verzoekster;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 1.500,- aan schadevergoeding aan verzoekster;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 418,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M.L. Pijpers, griffier. </para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.</para>
  </section>
  <footnote id="_59209773-7342-4e22-b8a7-dd76c2f2d940" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b3795d5-6219-4907-adca-1de0fa8125e4" label="2">
    <para> Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_767247ea-db5f-4dca-aa05-8a92b9f57d1f" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fee161f4-10d3-48a4-8d7c-4cd9379d56cf" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de CRvB van 7 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1774.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_256e05c9-3348-461e-bea0-e7ea295f545d" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2181.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc0a0b89-b1e6-4b0d-a92d-6b18b02cb8b6" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2700.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>