<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-13T14:51:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/134676-24 (EAB1)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6637">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-12T14:47:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6637 Rechtbank Amsterdam , 22-10-2024 / 13/134676-24 (EAB1)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6637:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. Pools EAB t.b.v. vervolging. Geen sprake van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. Geen sprake van een algemeen reëel gevaar dat de Poolse autoriteiten de veiligheid van gedetineerden onvoldoende kunnen garanderen tegen mogelijke geweldsdreiging. Tussenuitspraak i.v.m. detentieomstandigheden (hoeveelheid ruimte op cel en tijd die buiten de cel kan worden doorgebracht). Na algemeen gevaar, ook individiueel gevaar vastgesteld. Rechtbank houdt de zaak aan o.g.v. art. 11 lid 2 OLW en stelt de redelijke termijn (art. 11 lid 4) vast op 30 dagen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6637:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/134676-24 (EAB1)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 22 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 26 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_807982d6-6d8d-4a3f-86dd-39295a9525e4" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2023 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Płock</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] , </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1968, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De zitting van 25 juni 2024</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2024, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. van Egmond, advocaat in Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_ada67a27-00c2-4128-b654-8fa0afc19e7b" /> Daarnaast heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tussenuitspraak van 9 juli 2024</emphasis>
      </para>
      <para>Bij tussenuitspraak van 9 juli 2024<footnote-ref linkend="_5d7211cc-6838-4edd-b0fe-810b610aa63b" /> is op meerdere punten geoordeeld over het EAB en onder meer geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen terechtkomen. Het onderzoek is heropend en geschorst om via de officier van justitie nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Raadkamers van 16 augustus 2024 en 18 september 2024</emphasis>
      </para>
      <para>Op de raadkamerzittingen van 16 augustus 2024 en 18 september 2024 is – in afwachting van nadere informatie uit Polen omtrent de detentieomstandigheden – de beslistermijn telkens verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding (artikel 27, derde lid, OLW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De zitting van 8 oktober 2024</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 8 oktober 2024, in aanwezigheid </para>
      <para>van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan </para>
      <para>door zijn raadsman mr. A.F.M. den Hollander, waarnemend voor mr. J. van Egmond, beide advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Tussenuitspraak van 9 juli 2024</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 9 juli 2024 heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3.) en de strafbaarheid van de feiten (onder 4.). Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.1. van de tussenuitspraak van 9 juli 2024. De rechtbank heeft in die tussenuitspraak overwogen dat het verweer van de raadsvrouw vooralsnog onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld als bedoeld in artikel 47 van het Handvest.<footnote-ref linkend="_2e04771f-f5f1-4371-88cf-7c38eb0bb7e7" /> Ook is geoordeeld dat er geen elementen zijn aangevoerd die <emphasis role="italic">doen vermoeden</emphasis> dat de structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak. Omdat vanwege de detentieomstandigheden in Polen nog geen einduitspraak kon worden gedaan, is overwogen dat de verdediging daardoor in de gelegenheid is alsnog concrete gegevens te vergaren en het betoog met stukken te onderbouwen. De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
          </para>
          <para>De raadsman heeft opnieuw betoogd dat sprake is van een reëel gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces in de zaak van de opgeëiste persoon. Hiertoe heeft de raadsman opnieuw gesteld dat dit blijkt uit het feit dat er camerabeelden zijn verdwenen uit het dossier in Polen, dat een officier van justitie van de zaak is afgehaald nadat deze de opgeëiste persoon in vrijheid had gesteld, dat een rechter in de zaak van de opgeëiste persoon geschorst is en dat de Poolse minister van justitie inhoudelijk invloed zou hebben uitgeoefend op de zaak. Omdat er in de zaak ook een getuige op onduidelijke wijze is komen te overlijden in een politiecel, vreest ook de opgeëiste persoon dat hij zal worden vermoord als hij in Polen in detentie komt. Er spelen allerlei krachten in deze zaak, aldus de raadsman. Ter onderbouwing van het verweer zijn verschillende (vertaalde) Poolse processen-verbaal overgelegd; een getuigenverhoor dat is afgenomen met betrekking tot het verdwijnen van bewijsmateriaal en twee verhoren van een officier van justitie. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
          </para>
          <para>Het verweer kan niet slagen. Het verweer richt zich op de onafhankelijkheid van de officier van justitie en niet op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. De overgelegde processen-verbaal duiden er bovendien juist op dat de betreffende rechters de zaak kritisch en onafhankelijk behandelen. Dat camerabeelden verloren zouden zijn gegaan, volgt niet uit objectieve gegevens. Datzelfde geldt voor de stelling dat een rechter zou zijn geschorst. De stelling dat er een getuige of andere betrokkene in een politiecel zou zijn overleden, is in het geheel niet onderbouwd. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.4</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank herhaalt dat het aan de opgeëiste persoon is om concrete gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat een concrete invloed kunnen hebben op de behandeling van zijn strafzaak.<footnote-ref linkend="_1b6a82d7-d4ae-4c96-8120-dcdecb220709" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank is –  met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet slaagt. Hierbij is van belang dat veel gestelde gebeurtenissen rondom de Poolse strafzaak niet onderbouwd worden door de overgelegde producties. Dit geldt bijvoorbeeld voor de gestelde inmenging van de minister van justitie in de strafzaak van de opgeëiste persoon, maar ook voor het gestelde overlijden van een getuige. Ook is onduidelijk wat de reden zou zijn van een gestelde schorsing van een onderzoeksrechter, daargelaten dat niet is gesteld in hoeverre dit met de strafzaak van de opgeëiste persoon te maken heeft. De rechtbank overweegt voorts dat een groot deel van de stellingen gericht is op de onafhankelijkheid van het Poolse openbaar ministerie in het (voor)onderzoek van de procedure, terwijl het reeds aangenomen algemene gevaar voornamelijk betrekking heeft op problematiek rondom de onafhankelijkheid van rechterlijke instanties in Polen. Uit het verweer en de overgelegde stukken komen dan ook geen elementen naar voren die aantonen dat sprake is van een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces. Ook is geen sprake van elementen die weliswaar niet volstaan om een dergelijk reëel gevaar aan te tonen, maar die wel <emphasis role="italic">doen vermoeden</emphasis> dat de structurele en fundamentele gebreken een concrete invloed kunnen hebben op de individuele zaak van de opgeëiste persoon. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om op dit punt aanvullende gegevens op te vragen. Het verweer wordt verworpen. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden, veiligheidsgarantie </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het verlengde van het verweer met betrekking tot – kort gezegd – het recht op een eerlijk proces, heeft de raadsman betoogd dat vanwege de gestelde bijzonderheden rondom de Poolse strafzaak een garantie moet worden verstrekt dat de veiligheid van de opgeëiste persoon zal worden gegarandeerd als hij aan Polen wordt overgeleverd. In de zaak zou al eerder een getuige op onduidelijke wijze zijn komen te overlijden in een politiecel. De opgeëiste persoon maakt zich ernstig zorgen over zijn veiligheid als hij in Polen gedetineerd raakt en vreest daarom voor zijn leven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank begrijpt het verweer van de opgeëiste persoon aldus, dat hij vreest voor een onmenselijke of vernederende behandeling en voor zijn leven als hij in Polen wordt gedetineerd, waarmee hij een beroep doet op artikel 11 OLW. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op artikel 11 OLW niet slaagt. Er is immers niet gebleken van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit zou kunnen volgen dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat de Poolse autoriteiten de veiligheid van gedetineerden onvoldoende kunnen garanderen tegen mogelijke geweldsdreiging. Nu van een dergelijk <emphasis role="italic">algemeen</emphasis> gevaar voor Poolse gedetineerden geen sprake is – in tegenstelling tot het gevaar dat hierna onder 4.3 nader wordt besproken –  komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk <emphasis role="italic">concreet</emphasis> gevaar voor de opgeëiste persoon. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden voor voorlopig gehechten   </emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2 van de tussenuitspraak van 9 juli 2024. De rechtbank heeft in die tussenuitspraak overwogen dat sprake is van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime </emphasis>in Polen terechtkomen. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vragen geformuleerd om te kunnen beoordelen of er gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien het vastgestelde algemene gevaar<emphasis role="italic">. </emphasis>De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het openbaar ministerie heeft er na de tussenuitspraak van 9 juli 2024 voor gekozen om de vragen omtrent het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon niet direct aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, maar deze vragen voor te leggen in één andere overleveringszaak, met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden en in de hoop dat een centrale autoriteit in Polen antwoorden zou kunnen verstrekken die voor alle vergelijkbare zaken van belang zouden zijn. In alle overige zaken, waaronder deze, is de uitkomst in die ene <emphasis role="italic">testcase </emphasis>afgewacht. In die zaak is op 1 oktober 2024 uitspraak gedaan.<footnote-ref linkend="_c6a2606e-d12f-404d-bc1f-0f4223cadb30" /> De rechtbank heeft geoordeeld dat – nadat op 7 augustus 2024 was vastgesteld dat voor die opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat – geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon alsnog is uitgesloten. De rechtbank had in deze zaak op 7 augustus 2024 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW vastgesteld op 60 dagen. Op 1 oktober 2024 is daarom geen gevolg gegeven aan het EAB en is de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in deze uitspraak van 1 oktober 2024 (opnieuw) als kernpunt van het probleem gewezen op – kort gezegd – enerzijds het feit dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd (en niet 4 m2, zodat uitgegaan moet worden van persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2) en anderzijds op het feit dat hierbij als bijkomende slechte omstandigheid<footnote-ref linkend="_7efee1b8-2c5e-4226-9ac4-2490b034ba55" /> wordt meegewogen dat voorlopig gedetineerden onvoldoende uren buiten de cel kunnen doorbrengen (gelet op onder meer de bevindingen zoals beschreven in het CPT-rapport van 22 februari 2024<footnote-ref linkend="_09afee75-8982-4d4a-ba7c-7b3ab8cb012a" /> en het feit dat de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende <emphasis role="bold italic">garantie</emphasis> geeft dat toch voldoende uren buiten de cel kunnen worden doorgebracht).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft toegelicht dat naar aanleiding van de hiervoor bedoelde uitspraak van 1 oktober 2024, op 7 oktober 2024 nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gesteld waarbij ook de uitspraak van 1 oktober 2024 in vertaling is meegestuurd. Al op dezelfde dag is een aantal vragen beantwoord, dus de verwachting is dat op korte termijn alle vragen zullen zijn beantwoord. De officier van justitie verzoekt daarom de zaak nog éénmaal aan te houden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, net als in de zaak waarin op 1 oktober 2024 einduitspraak is gedaan. De zaak duurt al te lang. Subsidiair moet er specifiek worden gevraagd naar een garantie van de veiligheid van de opgeëiste persoon. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de procedure in de zaak van de opgeëiste persoon nu bijna 4 maanden duurt. Door de hiervoor beschreven aanpak van het openbaar ministerie zijn vragen omtrent het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon in deze zaak niet kort na de tussenuitspraak van 9 juli 2024, maar pas op 7 oktober 2024 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat – logischerwijs – nog niet alle antwoorden zijn ontvangen op deze vragen. Deze stand van zaken leidt tot het oordeel dat voor de opgeëiste persoon het vastgestelde reële gevaar van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> niet is weggenomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er – ondanks het tijdsverloop – alsnog een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierbij is van belang dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet kan worden aangerekend dat er na 9 juli 2024 lange tijd geen nieuwe informatie is verstrekt omtrent de detentieomstandigheden, aangezien de nadere vragen hierover pas op 7 oktober 2024 door het openbaar ministerie zijn gesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarom houdt de rechtbank de beslissing op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, aan en stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze termijn (op 20 november 2024) of uiterlijk 10 dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of een verandering in de omstandigheden binnen de termijn van 30 dagen is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal aan het EAB ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding de door de raadsman verzochte veiligheidsgarantie op te vragen en verwijst hiervoor naar hetgeen in punt 4.2. is overwogen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST </emphasis>het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting op <emphasis role="bold">20 november 2024 of uiterlijk 10 dagen daarna</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOUDT AAN</emphasis> de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. C. Klomp,   	voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en mr. A.R. Vlierhuis,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,  	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_807982d6-6d8d-4a3f-86dd-39295a9525e4" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ada67a27-00c2-4128-b654-8fa0afc19e7b" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d7211cc-6838-4edd-b0fe-810b610aa63b" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:4129.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e04771f-f5f1-4371-88cf-7c38eb0bb7e7" label="4">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b6a82d7-d4ae-4c96-8120-dcdecb220709" label="5">
    <para> Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 5.6 – 5.12. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6a2606e-d12f-404d-bc1f-0f4223cadb30" label="6">
    <para> Rechtbank Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6015.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7efee1b8-2c5e-4226-9ac4-2490b034ba55" label="7">
    <para> Vergelijk Hof van Justitie, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857, punt 75 (Dorobantu).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09afee75-8982-4d4a-ba7c-7b3ab8cb012a" label="8">
    <para>
      <emphasis role="italic"> “Indeed, the vast majority of remand prisoners still spent days and months on end in a state of idleness, with no meaningful activities, locked up in their cells for up to 23 hours per day.” </emphasis>CPT-rapport, punt 54.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>