<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-29T09:26:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/255048-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6556">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-28T16:20:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6556 Rechtbank Amsterdam , 23-10-2024 / 13/255048-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6556:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools executie-EAB t.b.v. vier opgelegde vrijheidsstraffen. Art. 12 OLW. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6556:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/255048-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 23 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 9 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_52b10708-f620-4dd5-b02b-543655273050" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 5 april 2024 door <emphasis role="italic">the District Court in Krakow, Third Criminal Division</emphasis> (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_8f28cea8-977a-48c5-866c-36f545ec4c97" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">a) summary judgement issued at The Regional Court in Olkusz Second Criminal Division on 22 November 2021 which became final on 20 December 2021, with reference to which an order was handed down on 18 October 2021 imposing a prison term in lieu of unserved community service, reference: </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">II K636/21 (II Ko 1214/22), </emphasis>waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 272 dagen;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">b) judgement issued at The Regional Court in Olkusz Second Criminal Division on 28 February 2023, which was modified by the District Court in Krakow, Forth Division of Criminal Appeals on 17 October 2023, which made it final, reference: </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">II K 447/22 (IV Ka 916/23)</emphasis>, waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 1 jaar en 1 maand;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>- <emphasis role="italic">c) judgement issued at The Regional Court in Olkusz Second Criminal Division on 30 March 2023, which became final on 7 April 2023, reference: </emphasis><emphasis role="bold italic">II K 570/22</emphasis>, waarbij is opgelegd een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan volgens het EAB een gevangenisstraf resteert van 4 maanden en 29 dagen; </para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="italic">d) summary judgement issued at The Regional Court in Tarnow Second Criminal Division on 31 October 2022, which became final on 8 November 2022, with reference to which an order was handed down on 1 June 2023 imposing a prison term in lieu of unserved community service. Reference: </emphasis><emphasis role="bold italic">II K 1281/22 (II Ko 591/23</emphasis><emphasis role="italic">)</emphasis>, waarbij een gevangenisstraf is opgelegd van 6 maanden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) voornoemde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_07175c98-1092-4bb1-8778-64f3f58ab13c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold"> Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de processen die hebben geleid tot de vonnissen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van de beslissingen II Ko 1214/22 en II Ko 591/23</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 september 2024 volgt dat eerder opgelegde taakstraffen bij de genoemde omzettingsbeslissingen II Ko 1214/22 en II Ko 591/23 zijn omgezet – conform de eerdere veroordelingen – in vervangende vrijheidsstraffen, omdat de opgeëiste persoon de taakstraffen niet heeft uitgevoerd. De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie af dat de aard of maat van de aanvankelijk opgelegde straf daarbij niet is gewijzigd. Deze beslissingen vallen daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de reden voor de omzetting in beide zaken is gelegen in het niet uitvoeren van de taakstraf is geen sprake van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit (een <emphasis role="italic">triggerend</emphasis> feit) dat ten grondslag ligt aan de omzetting.<footnote-ref linkend="_e5d18539-c970-4a86-a6a9-240bd5d70715" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van vonnis a met kenmerk II K636/21</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor dit vonnis moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon is niet opgeroepen omdat het een schriftelijke procedure betrof. Hij wist niet van de procedure en kon ook niet weten dat er een schriftelijke procedure had plaatsgevonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar heeft de rechtbank verzocht af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Hij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2024:4256).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 en 24 september 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor als verdachte<footnote-ref linkend="_2da38789-febe-4018-a4b0-ab09c59ef9ba" /> op 20 april 2021 is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en de gevolgen indien hij dit niet zou doen. De opgeëiste persoon heeft voor de strafzaak een adres opgegeven en hij heeft daarna nooit een adreswijziging doorgegeven. Op 1 oktober 2021 heeft hij op het door hem zelf opgegeven adres een mededeling in deze zaak over het ontslag van zijn advocaat persoonlijk in ontvangst genomen. De opgeëiste persoon is niet opgeroepen voor het proces, omdat het een schriftelijke procedure betrof. Deze schriftelijke procedure vond plaats op 22 november 2021. Het vonnis is op 12 december 2021 naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verzonden met informatie over het recht op hoger beroep, maar de opgeëiste persoon heeft dit nooit opgehaald. Na twee pogingen is het vonnis retour gezonden aan de rechtbank. Er is niet binnen de voorgeschreven termijn hoger beroep ingesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking (hij is immers als verdachte verhoord) en een adresinstructie heeft ontvangen, waarna het vonnis, na de schriftelijke procedure, is verzonden naar het door hem opgegeven adres, tezamen met informatie over zijn recht op hoger beroep. Een eerdere  mededeling in deze strafzaak is op datzelfde adres door hem persoonlijk ontvangen en hij heeft bij zijn voorgeleiding verklaard dat hij ook al die tijd op dit adres woonde. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de opgeëiste persoon op zijn minst genomen onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie in zijn strafzaak, zo hij al niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om hoger beroep in te stellen. Zijn overlevering houdt daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten in.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van vonnis b met kenmerk II K 447/22 (IV Ka 916/23)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet van de zitting in hoger beroep af wist en dat hij daarom niet aanwezig was. Hij werd in hoger beroep niet meer vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat. De overlevering van de opgeëiste persoon moet daarom worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW kan worden afgezien. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het hoger beroep, nu hij in eerste aanleg werd vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat en het hoger beroep door die advocaat is ingesteld. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gekregen die zich ook uitstrekte tot het hoger beroep. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op twee uitspraken van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2023:4190 en ECLI:NL:RBAMS:2023:3741)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_e48446b6-a5ea-411e-81be-e6c8435a0d7f" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat in dit geval de procedure in hoger beroep (IV Ka 916/23)</para>
        <para>aan artikel 12 OLW moet worden getoetst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
        <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 en 24 september 2024 volgt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is vertegenwoordigd door een gekozen advocaat (<emphasis role="italic">private defence counsel</emphasis>) en dat het hoger beroep door die advocaat is ingesteld. De opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en op de gevolgen indien hij dit niet zou doen. Deze adresinstructie zag (blijkens de tekst daarvan) ook op het proces in hoger beroep en de opgeëiste persoon heeft de adresinstructie persoonlijk ondertekend. Hij heeft vervolgens nooit een adreswijziging doorgegeven. De oproep voor de zitting in hoger beroep is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.</para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Op basis van de aanvullende informatie concludeert de rechtbank dat de opgeëiste persoon  op de hoogte was van het door zijn gekozen advocaat ingestelde hoger beroep. Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces in hoger beroep, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van vonnis c met kenmerk II K 570/22</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit vonnis geen verweer gevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW weliswaar van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en de oproep voor de zitting is verzonden naar het door hem opgegeven adres. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2024:4493).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 september 2024 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor als verdachte op 15 januari 2022 een adresinstructie heeft ontvangen. Hierbij is hij gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en de eventuele consequenties van het niet-naleven van die verplichting. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking jegens hem en dat er mogelijk een strafrechtelijke procedure zou volgen. Ook wist hij dat hij bereikbaar moest zijn voor de Poolse autoriteiten. De oproep voor de zitting is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Na twee pogingen is de oproep voor de zitting geretourneerd aan de rechtbank. De opgeëiste persoon heeft nooit een adreswijziging doorgegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Zijn overlevering houdt daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten in.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Ten aanzien van vonnis d met kenmerk II K 1281/22</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij ten tijde van dit proces in Polen gedetineerd was en dat hij aan de Poolse autoriteiten heeft doorgegeven dat correspondentie naar de penitentiaire inrichting moest worden verstuurd. Dit is echter niet gebeurd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW weliswaar van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en de oproep voor de zitting is verzonden naar het door hem opgegeven adres. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2024:4493).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 september 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor als verdachte op 16 juni 2022 een adresinstructie heeft ontvangen. Hierbij is hij gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en de eventuele consequenties van het niet-naleven van die verplichting. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking jegens hem en dat er mogelijk een strafrechtelijke procedure zou volgen. Ook wist hij dat hij bereikbaar moest zijn voor de Poolse autoriteiten. De oproep voor de zitting is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Na twee pogingen is de oproep geretourneerd aan de rechtbank. In de aanvullende informatie is expliciet vermeld dat de opgeëiste persoon nooit een adreswijziging heeft doorgegeven. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie en niet van de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij heeft gevraagd correspondentie naar de penitentiaire inrichting te zenden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Zijn overlevering houdt daarom geen schending van zijn verdedigingsrechten in.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">II K636/21, feit 1:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">overtreding van het bepaalde in artikel 82 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">II K636/21, feit 2 en II K 570/22: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">telkens: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">II K636/21, feit 3 en IV Ka 916/23, feit 1: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">telkens: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">IV Ka 916/23, feit 2</emphasis>
        <emphasis role="italic">:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">II K 1281/22: </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_8efd675b-3f1e-401c-a365-aa033296458e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_9b1d7f49-250c-4d50-b12b-1df27e951b2f" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet, 8, 176 en 177 Wegenverkeerswet 1994, 82 en 92 Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en</para>
      <para>2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court in Krakow, Third Criminal Division</emphasis> (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James - Pater,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. R.A. Sipkens en E. de Rooij,                         				   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_52b10708-f620-4dd5-b02b-543655273050" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f28cea8-977a-48c5-866c-36f545ec4c97" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_07175c98-1092-4bb1-8778-64f3f58ab13c" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5d18539-c970-4a86-a6a9-240bd5d70715" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2da38789-febe-4018-a4b0-ab09c59ef9ba" label="5">
    <para> Ter zitting heeft de aanwezige beëdigde tolk in de Poolse taal geconstateerd dat het woord “podejrzanego” onder punt 2 van de aanvullende informatie van 17 september 2024 “verdachte” betekent. De rechtbank stelt vast dat dit woord in de Engelse vertaling foutief is vertaald naar “witness”. </para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_e48446b6-a5ea-411e-81be-e6c8435a0d7f" label="6">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8efd675b-3f1e-401c-a365-aa033296458e" label="7">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9b1d7f49-250c-4d50-b12b-1df27e951b2f" label="8">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>