<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6503</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-07T11:44:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-208218-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6503">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6503</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-07T07:33:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6503 Rechtbank Amsterdam , 24-10-2024 / 13-208218-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6503:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB Polen. Tussenuitspraak. Beslissing over overlevering aangehouden o.g.v. artikel 11, tweede lid, OLW i.v.m. detentieomstandigheden in remand prisons in Polen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6503:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-208218-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 oktober 2024	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 1 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_f18be0df-e34f-4adf-950c-4642c84a2fb0" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2020 door <emphasis role="italic">the Circuit Court in Katowice V Criminal Division</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zitting 21 augustus 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat in Eindhoven en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_baaef413-09cf-4282-8f78-00036d2845d5" /> Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tussenuitspraak 4 september 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar een tussenuitspraak van 5 juni 2024<footnote-ref linkend="_a9a6275d-c54a-491b-9b74-4165fbd46413" /> heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 september 2024<footnote-ref linkend="_a9f43644-f00c-46b7-8d3f-5cdf34b91f0e" /> in deze zaak geconcludeerd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen terechtkomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In laatstgenoemde tussenuitspraak is het onderzoek heropend en vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> is aangenomen, dit gevaar –  al dan niet met een individuele detentiegarantie – voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> kan worden weggenomen, heeft de rechtbank verzocht om antwoord op vijf vragen over de detentieomstandigheden in het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ook de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd (artikel 22, vijfde lid, OLW), onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming (artikel 27, derde lid, OLW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zitting 10 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. C.C.A. Stallen, advocaat in Eindhoven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn die gelet op artikel 22, tweede lid, OLW op 3 juli 2024 is aangevangen en waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_57e5d45e-d10b-498e-b833-9ac39438d35a" /> Tegelijkertijd is de vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW verlengd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Tussenuitspraak 4 september 2024</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 4 september 2024 waarin zij heeft geoordeeld over (onder 3) de grondslag en inhoud van het EAB, (onder 4) de strafbaarheid, (onder 5) de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, (onder 6) de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, (onder 7) de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW en (onder 8.1)  artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Deze oordelen en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 8.2 van de tussenuitspraak van 4 september 2024.<footnote-ref linkend="_117887a5-53fc-48b8-9144-ebed4e81a3ef" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in hiervoor genoemde de tussenuitspraak van 5 juni 2024 in een andere zaak een algemeen gevaar aangenomen van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime </emphasis>in Polen terechtkomen. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vragen geformuleerd om te kunnen beoordelen of er gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien het vastgestelde algemene gevaar voor gedetineerden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime. </emphasis>De overwegingen uit voornoemde uitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Zoals hiervoor bij de procesgang is vermeld, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 4 september 2024 de officier van justitie verzocht dezelfde vragen te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft na de tussenuitspraak van 4 september 2024 ervoor gekozen om de vragen omtrent het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon in deze zaak (en in vele andere zaken) niet direct aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, maar deze vragen voor te leggen in één overleveringszaak (niet zijnde de zaak van de opgeëiste persoon). Dit met het doel de beantwoording overzichtelijk te houden, in de hoop dat een centrale autoriteit in Polen antwoorden zou kunnen verstrekken die voor alle vergelijkbare zaken van belang zouden zijn. </para>
      <para>In die bewuste zaak heeft de rechtbank op 1 oktober 2024 uitspraak gedaan.<footnote-ref linkend="_cd634794-66e5-45cd-b3ee-f6aebc620b3f" /> De rechtbank heeft in die éne zaak geoordeeld dat – nadat op 7 augustus 2024<footnote-ref linkend="_6e03db33-7003-476d-ac89-fcf019bb3bc0" />  was vastgesteld dat voor die opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat – geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon alsnog is uitgesloten. De rechtbank had in deze zaak op 7 augustus 2024 de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW vastgesteld op maximaal 60 dagen. Op 1 oktober 2024 is daarom geen gevolg gegeven aan het EAB en is de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in deze uitspraak van 1 oktober 2024 (opnieuw) als kernpunt van het probleem gewezen op – kort gezegd – enerzijds het feit dat slechts 3 m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd (en niet 4 m², zodat uitgegaan moet worden van persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m²) en anderzijds op het feit dat hierbij als bijkomende slechte omstandigheid<footnote-ref linkend="_1bdf9769-4cd6-41ea-a0df-286f19c7ac6f" /> wordt meegewogen dat voorlopig gedetineerden onvoldoende uren buiten de cel kunnen doorbrengen (gelet op onder meer de bevindingen zoals beschreven in het CPT-rapport van 22 februari 2024<footnote-ref linkend="_c02dace1-3984-4d63-94a3-efd23107541a" /> en het feit dat de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende garantie geeft dat toch voldoende uren buiten de cel kunnen worden doorgebracht).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft verzocht de zaak nog éénmaal aan te houden en wel om de volgende redenen. Naar aanleiding van de hiervoor bedoelde uitspraak van 1 oktober 2024 zijn eerst op 7 oktober 2024 in deze zaak vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, waarbij ook de uitspraak van 1 oktober 2024 in vertaling is meegestuurd. De verwachting is dat in deze zaak binnen enkele weken alle vragen zullen zijn beantwoord. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft meegedeeld dat de verdediging zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie over het verdere vervolg in deze zaak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de procedure in de zaak van de opgeëiste persoon al ruim vier maanden duurt. Door de hiervoor beschreven aanpak van het openbaar ministerie zijn vragen in het kader van het onderzoek naar een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon in deze zaak niet kort na de tussenuitspraak van 4 september 2024, maar pas na 1 oktober 2024 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat er nog geen antwoorden zijn ontvangen op deze vragen. Deze stand van zaken leidt tot het oordeel dat voor de opgeëiste persoon het vastgestelde reële gevaar van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> niet is weggenomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er – ondanks het lange tijdsverloop – een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierbij is van belang dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet kan worden aangerekend dat er na 4 september 2024 geen nieuwe informatie is verstrekt over de specifieke detentieomstandigheden, aangezien het openbaar ministerie die nadere vragen pas na 1 oktober 2024 heeft gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarom houdt de rechtbank de beslissing op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, aan en stelt daarbij een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze termijn of uiterlijk 10 dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of een verandering in de omstandigheden binnen de termijn van 30 dagen is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST </emphasis>het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting op<emphasis role="bold"> 22 november 2024 of uiterlijk 10 dagen daarna.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOUDT AAN</emphasis> de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> de gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. Ch.A. van Dijk,	 				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh,           		        		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f18be0df-e34f-4adf-950c-4642c84a2fb0" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_baaef413-09cf-4282-8f78-00036d2845d5" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_a9a6275d-c54a-491b-9b74-4165fbd46413" label="3">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9f43644-f00c-46b7-8d3f-5cdf34b91f0e" label="4">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5612. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_57e5d45e-d10b-498e-b833-9ac39438d35a" label="5">
    <para> Zie artikel 22, vijfde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_117887a5-53fc-48b8-9144-ebed4e81a3ef" label="6">
    <para> Rechtbank Amsterdam 4 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5612.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cd634794-66e5-45cd-b3ee-f6aebc620b3f" label="7">
    <para> Rechtbank Amsterdam 1 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6015.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e03db33-7003-476d-ac89-fcf019bb3bc0" label="8">
    <para> Rechtbank Amsterdam 7 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4912.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1bdf9769-4cd6-41ea-a0df-286f19c7ac6f" label="9">
    <para> Vergelijk Hof van Justitie, 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857, punt 75 (Dorobantu).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c02dace1-3984-4d63-94a3-efd23107541a" label="10">
    <para>
      <emphasis role="italic">“Indeed, the vast majority of remand prisoners still spent days and months on end in a state of idleness, with no meaningful activities, locked up in their cells for up to 23 hours per day.” </emphasis>CPT-rapport, punt 54.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>