<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-07T11:38:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-256270-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6501">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-05T15:06:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6501 Rechtbank Amsterdam , 24-10-2024 / 13-256270-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6501:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Verweer m.b.t. artikel 12 OLW verworpen. Aanhoudingsverzoek afgewezen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6501:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-256270-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 24 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 12 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_11aff985-b058-466e-877a-1f870cd744b5" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juli 2023 door<emphasis role="italic"> the Circuit Court in Sieradz</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [BRP adres] ,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_18230371-bfd9-4805-a678-e7a8cedb4490" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek op de zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court</emphasis> in Zduńska Wola van 14 december 2022, referentie II K 229/22. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren, drie maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_76995b6f-b716-4358-8ea8-4c596f1ca9c3" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de zitting waarop de zaak is behandeld en die tot de beslissing heeft geleid en er doen zich geen van de omstandigheden voor als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. Ook is er anderszins geen reden af te zien van weigering op grond van art. 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft een adres opgegeven bij de Poolse autoriteiten, namelijk het adres van zijn moeder in Polen. De toenmalige partner van de moeder van de opgeëiste persoon heeft de aan de opgeëiste persoon gerichte post – </para>
        <para>waaronder de oproeping voor de zitting – weggegooid. Hij was zodoende niet op de hoogte van de zittingsdatum. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Van deze weigeringsgrond kan echter worden afgezien, nu geen sprake is van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen, een adres opgegeven en naar dit adres is de oproeping voor de zitting verzonden. Voor zover aangenomen moet worden dat de post van de opgeëiste persoon is weggegooid door de toenmalige partner van zijn moeder, komt dit voor rekening en risico van de opgeëiste persoon. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB en de aanvullende informatie van 5 september 2024 volgt het volgende. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de verdenking tegen hem. Hij is immers op <?linebreak?>29 mei 2022 aangehouden voor (onder meer) rijden onder invloed van alcohol en heeft toen een nacht vastgezeten. Voorts is de opgeëiste persoon tijdens de <emphasis role="italic">pre-trial proceedings</emphasis> op <?linebreak?>28 juni 2022 verhoord als verdachte. Hij heeft toen een adres opgegeven (volgens zijn zeggen: zijn oude adres in Polen waar zijn moeder nog woonde) en heeft een adresinstructie  gekregen. De opgeëiste persoon is daarbij ook gewezen op de consequenties van het niet naleven van deze adresinstructie. Deze adresinstructie heeft hij ondertekend, zoals de opgeëiste persoon overigens ter zitting heeft bevestigd. De oproep voor de zitting is daarop twee keer naar het adres gestuurd dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. Iedere keer kwam de oproep retour nadat een kennisgeving is achtergelaten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank komt tot de volgende tussenconclusies. <?linebreak?></para>
        <para>De opgeëiste persoon is op de hoogte geweest van de strafrechtelijke verdenking tegen hem en van de mogelijkheid van een strafrechtelijke procedure. Tevens heeft hij in dit kader een adres verstrekt waarop hij bereikbaar was voor post van de Poolse autoriteiten. Hij heeft geweten dat hij gedurende de gehele procedure eventuele adreswijzigingen moest doorgeven en wat de procedurele gevolgen zouden zijn indien hij niet bereikbaar zou zijn op het door hem opgegeven adres. Alle poststukken in de strafrechtelijke procedure zijn aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden. De opgeëiste persoon heeft niet betwist dat officiële correspondentie over deze zaak is verzonden naar het door hem opgegeven adres. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Los van het antwoord op de vraag of zijn post ook daadwerkelijk is weggegooid door de toenmalige partner van zijn moeder, zoals de opgeëiste persoon heeft verklaard, heeft de opgeëiste persoon zelf het adres van zijn moeder doorgegeven aan de Poolse autoriteiten als adres waarop hij officiële correspondentie kan ontvangen. Daarmee komt het vervolgens voor risico en rekening van de opgeëiste persoon zelf dat hij ook daadwerkelijk op dat adres post kan ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank levert overlevering aan Polen dan ook geen schending van zijn verdedigings-rechten op. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,70 milligram),</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; en</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_354fe974-f3ee-45b6-a1c9-41d184d03a70" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individuele schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_dace6b8f-8972-4acd-9742-0b5dfaa99a2d" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Aanhoudingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging en het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft verzocht de behandeling van het EAB aan te houden om de uitkomst van het gratieverzoek zoals dat is gedaan in Polen af te wachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek, omdat: </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="lowerroman">
      <listitem>
        <para>de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB niet heeft ingetrokken en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bovendien niet is gebleken wanneer een beslissing op het gratieverzoek valt te verwachten. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af en overweegt daartoe het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de vordering ex artikel 23 OLW van de officier van justitie ligt nog steeds een geldig EAB ten grondslag. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de wens van de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd, en ziet dan ook geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het namens de opgeëiste persoon in Polen gedane gratieverzoek. Bovendien is er te weinig concreet zicht op de stand van de gratieprocedure in Polen en daarmee binnen welke termijn op het gratieverzoek zal worden beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 8 en 9 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court in Sieradz</emphasis>, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. Ch.A. van Dijk,	 				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en A. Pahladsingh,           		        	 	  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_11aff985-b058-466e-877a-1f870cd744b5" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_18230371-bfd9-4805-a678-e7a8cedb4490" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_76995b6f-b716-4358-8ea8-4c596f1ca9c3" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_354fe974-f3ee-45b6-a1c9-41d184d03a70" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dace6b8f-8972-4acd-9742-0b5dfaa99a2d" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>