<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6458</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-06T08:05:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2835 en 24/2842</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6458">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6458</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-06T08:05:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6458 Rechtbank Amsterdam , 17-10-2024 / 24/2835 en 24/2842</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6458:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep gegrond. De heffingsambtenaar heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de kosten in bezwaar inderdaad hadden moeten worden gewaardeerd op basis van € 624,- per punt. In geschil is de wegingsfactor in beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6458:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AMS 24/2835 en 24/2842</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2024 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser] , uit Amsterdam, eiser,</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: [heffingsambtenaar] ).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de aan hem toegekende proceskosten in bezwaar.</para>
    <para />
    <para>2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van eiser tegen twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting op 7 mei 2024 en 8 mei 2024 gegrond verklaard en daarbij tweemaal een proceskostenvergoeding van € 310,- toegekend (de bestreden uitspraken). Eiser heeft vervolgens tegen beide uitspraken beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft de beroepen op 16 september 2024 op een zitting behandeld gelijktijdig met vijf andere zaken over dezelfde rechtsvraag.<footnote-ref linkend="_f1ed19a4-1404-4564-bfb3-94e4e04d4a1e" /> Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. De rechtbank beoordeelt de vraag of de heffingsambtenaar de proceskosten in bezwaar terecht heeft vastgesteld op € 310,- per punt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten in bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De heffingsambtenaar heeft in beide bestreden uitspraken de proceskostenvergoeding als volgt berekend: Twee punten voor de zaak, met een waarde van € 310,- per punt en een wegingsfactor van 0,5.<footnote-ref linkend="_35bbc198-fc84-4789-b25f-8981195c0fb8" /> Dit komt neer op € 310,- per zaak.</para>
    <para />
    <para>7. Volgens eiser is de heffingsambtenaar onterecht uitgegaan van een waarde van <?linebreak?>€ 310,- per punt. Volgens eiser had de heffingsambtenaar € 624,- per punt moeten toekennen. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar een conclusie van advocaat-generaal (A-G) Koopman van 1 maart 2024.<footnote-ref linkend="_e85d2c8d-57a4-4931-a9a6-233a5d53b0bd" /></para>
    <para />
    <para>8. De heffingsambtenaar heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de kosten in bezwaar inderdaad hadden moeten worden gewaardeerd op basis van € 624,- per punt, zodat bij een wegingsfactor van 0,5 in beide zaken een bedrag van € 624,- toegekend had moeten worden. Omdat de heffingsambtenaar in elke zaak al € 310,- aan eiser heeft uitbetaald resteert een bedrag van € 314,-, per zaak te betalen door de heffingsambtenaar. </para>
    <para />
    <para>9. De beroepsgrond van eiser slaagt. In lijn met de conclusie van de A-G heeft de Hoge Raad op 12 juli 2024<footnote-ref linkend="_b1d01284-eec8-4a28-8702-b200db20fa05" /> geoordeeld dat het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de berekening van de proceskostenvergoeding in bezwaar in belastingzaken deels buiten toepassing moet blijven, omdat die regeling mogelijk in strijd is met het discriminatieverbod.<footnote-ref linkend="_addb0ea0-8101-44a3-a842-bc8e59e86bb5" /> In het Bpb wordt voor bepaalde zaken een forfaitaire vergoeding per punt gehanteerd die ongeveer de helft lager is dan de vergoeding die geldt in overige bestuursrechtelijke zaken. Omdat dit onderscheid tussen beide tarieven onvoldoende door de besluitgever is toegelicht, is volgens de Hoge Raad niet duidelijk dat en waarom voor deze belastingzaken die lagere vergoeding gerechtvaardigd is. Daarom is het naar het oordeel van de Hoge Raad aangewezen dat de rechter die lagere vergoeding buiten toepassing laat.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de lagere vergoeding van € 310,- per punt<footnote-ref linkend="_b32f8610-01a5-4dba-a64f-70848653f11b" /> buiten toepassing gelaten moet worden. Als gevolg daarvan moet een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase worden berekend op basis van onderdeel B2, punt 2, van de Bijlage bij het Bpb. Dat betekent dat in beide zaken een vergoeding van € 624,- moet worden toegekend in bezwaar, uitgaande van twee punten voor per zaak, met een waarde van € 624,- per punt en wegingsfactor 0,5 (gelet op de geringe complexiteit van de zaak in bezwaar).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten in beroep </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de proceskosten in beroep de wegingsfactor 0,25 moet worden toegepast, omdat in beroep sprake is van een zaak met het gewicht ‘zeer licht’. De heffingsambtenaar heeft daarbij verwezen naar artikel 1.2 aanhef en onder a van het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (het Richtsnoer).<footnote-ref linkend="_251aff19-2a47-4c40-b6fd-1477b4ba1ec9" /></para>
    <para />
    <para>12. De gemachtigde van eiser is het hiermee niet eens omdat het in dit geval niet enkel om een rekenfout gaat. Volgens de gemachtigde van eiser is er flink tijd besteed aan het bestuderen van de conclusie van de A-G en zijn er aan de hand daarvan beroepschriften opgesteld. Dat neemt tijd in beslag. De gemachtigde van eiser heeft dan ook op de zitting verzocht om een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase van twee punten met een wegingsfactor van 0,5. </para>
    <para />
    <para>13. De rechtbank past in dit geval wegingsfactor 0,5 (gewicht ‘licht’) toe. Het geschil is in beroep beperkt tot de hoogte van de in een eerdere fase toegekende vergoeding voor de proceskosten (zoals bedoeld in 1.3 aanhef en onder c van het Richtsnoer). Op het moment dat eiser zijn beroepschriften indienden, was alleen nog de eerdergenoemde conclusie van de <?linebreak?>A-G<footnote-ref linkend="_499b4327-1e03-4aca-b654-7193a30693f8" /> bekend. De eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad<footnote-ref linkend="_bbfe6392-6d0e-4edb-9264-56fbdf38f825" />, waarin een duidelijke conclusie wordt getrokken voor wat betreft de proceskosten in zaken als deze, was er nog niet. Dat maakt het aannemelijk dat eiser enige tijd kwijt is geweest aan het opstellen van de beroepsgrond.</para>
    <para />
    <para>14. De rechtbank ziet verder aanleiding om de zeven gelijksoortige zaken die gelijktijdig zijn behandeld op de zitting van 16 september 2024<footnote-ref linkend="_6b9ef2a6-47d1-44b2-8bde-cf01793451b3" /> aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe dat de eisers in deze zaken rechtsbijstand hebben verkregen van dezelfde gemachtigde. De werkzaamheden van deze gemachtigde is in deze zaken identiek. Hij heeft namelijk in alle zaken een gelijkluidend beroepschrift ingediend met dezelfde beroepsgronden. Na het verweerschrift heeft de gemachtigde zich in alle zaken wederom op hetzelfde standpunt gesteld. De zaken dienen daarom voor de toekenning van de proceskostenvergoeding te worden beschouwd als één zaak.</para>
    <para />
    <para>15. De rechtbank kent één punt toe voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,-. De rechtbank past op de waarde een factor van 0,5 toe omdat de zaak een licht gewicht heeft. Aangezien er meer dan vier samenhangende zaken zijn, wordt een factor 1,5 toegepast<footnote-ref linkend="_98d62a98-ad34-4cb8-9817-91da88c5f85f" />. De totale proceskosten in beroep bedragen daarmee € 1.312,50 voor de zeven samenhangende zaken. Per zaak bedraagt de proceskostenvergoeding € 187,50.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>16. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden uitspraken, voor zover deze zien op de toekenning van de kosten in bezwaar, mogelijk in strijd zijn met het discriminatieverbod. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden uitspraken voor zover daarbij is uitgegaan van een waarde van € 310,- per punt.</para>
    <para />
    <para>17. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat in bezwaar een waarde van € 624,- per punt wordt toegekend.</para>
    <para />
    <para>18. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de heffingsambtenaar het griffierecht van tweemaal € 51,- aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van in totaal € 375,- voor zijn proceskosten in beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de bestreden uitspraken voor zover daarin is beslist dat er een waarde van € 310,- per punt wordt toegekend voor de kosten in bezwaar;</para>
    <para>- bepaalt dat een waarde van € 624,- per punt wordt toegekend voor wat betreft de kosten in bezwaar, dat de heffingsambtenaar als gevolg daarvan nog in totaal € 628,- aan eiser moet betalen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde gedeeltes van de uitspraken;</para>
    <para>- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 102,- aan eiser moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 375,- aan proceskosten aan eiser;</para>
    <para>- beslist dat, voor zover de proceskostenvergoedingen en het griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. N.J.A. van Eck, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op<?linebreak?>17 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f1ed19a4-1404-4564-bfb3-94e4e04d4a1e" label="1">
    <para> De rechtbank heeft de zaken AMS 24/2833, AMS 24/2835, AMS 24/2837 AMS 24/2842, AMS 24/2845, AMS 24/2846 en AMS 24/2847 gelijktijdig op de zitting van 16 september 2024 behandeld. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_35bbc198-fc84-4789-b25f-8981195c0fb8" label="2">
    <para> Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e85d2c8d-57a4-4931-a9a6-233a5d53b0bd" label="3">
    <para> ECLI:NL:PHR:2024:235.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1d01284-eec8-4a28-8702-b200db20fa05" label="4">
    <para> ECLI:NL:HR:2024:1060.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_addb0ea0-8101-44a3-a842-bc8e59e86bb5" label="5">
    <para> Uit artikel 1 van de Grondwet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b32f8610-01a5-4dba-a64f-70848653f11b" label="6">
    <para> Als bedoeld in onderdeel B2, punt 1, van de Bijlage bij het Bpb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_251aff19-2a47-4c40-b6fd-1477b4ba1ec9" label="7">
    <para> Dit richtsnoer is door verschillende hoven als bijlage bij uitspraken gevoegd, zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_499b4327-1e03-4aca-b654-7193a30693f8" label="8">
    <para> Van 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:235.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bbfe6392-6d0e-4edb-9264-56fbdf38f825" label="9">
    <para> Van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b9ef2a6-47d1-44b2-8bde-cf01793451b3" label="10">
    <para> Te weten: AMS 24/2833, AMS 24/2835, AMS 24/2837 AMS 24/2842, AMS 24/2845, AMS 24/2846 en AMS 24/2847.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_98d62a98-ad34-4cb8-9817-91da88c5f85f" label="11">
    <para> Zie onderdeel C2 van de bijlage bij het Bpb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>