<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:6438</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-05T11:56:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-243927-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6438">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:6438</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-31T13:19:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:6438 Rechtbank Amsterdam , 15-10-2024 / 13-243927-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6438:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB uit Hongarije. Situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verzetgarantie afdoende. Geen schending van het vertrouwensbeginsel.  Lijstfeit. Hongaarse detentieomstandigheden: onvoldoende concrete aanwijzingen voor een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in gevangenissen in Hongarije om een algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest vast te kunnen stellen. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:6438:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-243927-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 15 oktober 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 9 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_265b4211-d2e0-4eb0-ba7d-e74bb7c900d3" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2020 door <emphasis role="italic">the Law Enforcement Group of the Tribunal of Debrecen</emphasis>, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1993, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_e8125e96-72ac-4429-ad67-68a30a6a7896" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Hongaarse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">the District Court of Debrecen</emphasis> van 30 augustus 2018 (no. 45.B.1539/2017/128);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">the Tribunal of Debrecen </emphasis>van 12 april 2019 (no. 18/A.Bf.487/2018/67).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog twee jaren, negen maanden en zevenentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_9309b6d2-4c3a-4578-a4cf-8956d45b6421" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Hoewel de rechtbank op grond van het vertrouwensbeginsel uit moet kunnen gaan van de juistheid van de informatie die in het EAB is vermeld – namelijk dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de procedure die tot de beslissing heeft geleid –  is gelet op de verklaring van de opgeëiste persoon pas uit de aanvullende informatie van 14 augustus 2024 gebleken dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling in hoger beroep. Voornoemde informatie vormt een inbreuk op het vertrouwensbeginel, waaraan gevolgen moeten worden verbonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon is een verzetgarantie geboden, die eerder door de rechtbank afdoende is bevonden, zodat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Nu er geen sprake van is dat Hongarije bewust informatie heeft achter gehouden, is er geen aanleiding om in deze zaak een principiële uitspraak te doen, waarbij de overlevering moet worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
        <para>De aanvullende informatie van 14 augustus 2024 vermeldt dat de informatie opgenomen onder onderdeel d) van het EAB, inhoudende dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid, ziet op de procedure in eerste aanleg. De aanvullende informatie bevat verder een onderdeel d) dat ziet op de procedure in hoger beroep. Hieruit volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Ook volgt hieruit dat de opgeëiste persoon – kortgezegd – een verzetgarantie is geboden. De rechtbank stelt dan ook vast dat het EAB geen onjuiste informatie bevat waardoor het vertrouwensbeginsel is geschonden en wat tot een weigering van de overlevering zou moeten leiden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_0989b1f7-84eb-493b-ba16-22afed04a00d" /></para>
        <para>Nu uit voornoemde aanvullende informatie volgt dat de beslissing in hoger beroep de beslissing is waarmee de zaak definitief is afgedaan en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer open staat, zal de rechtbank de beslissing van 12 april 2019 van <emphasis role="italic">the Tribunal of Debrecen</emphasis> aan artikel 12 OLW toetsen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De aanvullende informatie van 14 augustus 2021 vermeldt onder onderdeel (d) van het EAB:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender; and </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 1 month (days). [Act XC of 2017 on the Code of Criminal Procedure Section 639 (3))”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: Hongaarse detentieomstandigheden  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft onder overlegging van stukken en verwijzing naar de rapportage van <emphasis role="italic">the Hungarian Helsinki Committee </emphasis>(hierna: HCC) van 17 december 2023, gericht aan de Raad van Europa, verzocht om op grond van deze rapportage een detentiegarantie te laten verstrekken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 28 mei 2024<footnote-ref linkend="_17ed5450-970d-4135-9f27-0a3f808f52a6" />  – op het standpunt dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat, nu op basis van voornoemde rapportage niet is aangetoond dat in Hongaarse detentie-instellingen een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 Handvest. Een detentiegarantie hoeft dan ook niet te worden verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>Bij uitspraak van 27 augustus 2019<footnote-ref linkend="_54f2b793-6cc8-4821-9cd0-87b4de9d248f" /> heeft de rechtbank geoordeeld dat niet langer sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Hongaarse detentie-instellingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om te kunnen vaststellen, of sprake is van een dergelijk gevaar, dient de rechtbank zich te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen<footnote-ref linkend="_dc3d908c-50d0-4d45-bffd-ab6bbf4689a8" />. De rechtbank oordeelde in voormelde uitspraak dat er geen sprake (meer) was van dergelijke gegevens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 7 maart 2024<footnote-ref linkend="_9bce659a-4558-467b-8dca-accf6591188c" /> heeft de rechtbank op grond van een rapportage van het HCC van 17 december 2023 overwogen dat de omstandigheden in de Hongaarse detentie-instellingen weliswaar zorgelijk zijn, maar dat deze niet zijn verergerd ten opzichte van de situatie in augustus 2019. De gesignaleerde overbevolking in sommige gevangenissen was volgens de rechtbank niet voldoende reden een algemeen gevaar aan te nemen. Ook over de overige door de HCC gesignaleerde punten heeft de rechtbank overwogen dat er zorgen zijn, maar dat die niet voldoende zijn om uit te gaan van een algemeen gevaar in Hongaarse gevangenissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank beschikt dan ook niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan zij een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in gevangenissen in Hongarije zou kunnen aannemen. </para>
      <para>Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden voor het opvragen van nadere informatie aan de Hongaarse autoriteiten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Law Enforcement Group of the Tribunal of Debrecen</emphasis>, Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.T.C. de Vries,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.B. Oreel en E. Biçer,					   		 	  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en J.M. Esschendal,                   		    griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_265b4211-d2e0-4eb0-ba7d-e74bb7c900d3" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8125e96-72ac-4429-ad67-68a30a6a7896" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9309b6d2-4c3a-4578-a4cf-8956d45b6421" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0989b1f7-84eb-493b-ba16-22afed04a00d" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17ed5450-970d-4135-9f27-0a3f808f52a6" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:4230</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54f2b793-6cc8-4821-9cd0-87b4de9d248f" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2019:6354</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc3d908c-50d0-4d45-bffd-ab6bbf4689a8" label="7">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, gevoegde zaken C404/15 en C659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, rechtsoverweging 89.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9bce659a-4558-467b-8dca-accf6591188c" label="8">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:2679</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>