<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:5964</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-01T15:53:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-245740-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5964">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5964</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-01T14:43:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:5964 Rechtbank Amsterdam , 26-09-2024 / 13-245740-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5964:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak, Polen, executie-EAB, onderzoek heropend om vragen te stellen in het kader van artikel 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5964:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-245740-24 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 september 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 1 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_b61aba59-fb0b-49e3-8bd8-2a67f51bd798" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 januari 2024 door <emphasis role="italic">the District Court of Legnica – III Criminal Department</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 september 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. van Straaten, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_0b53baef-0438-41fb-bffb-d5008b228990" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt – in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 20 augustus 2024 – een <emphasis role="italic">judgment of the District Court of Legnica</emphasis> van 26 november 2021 (met kenmerk III K 77/21), <emphasis role="italic">upheld in force by a judgment delivered by the Court of Appeal Wrocław</emphasis> van </para>
      <para>17 november 2022 (met kenmerk II Aka 36/22).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog tien maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_6a3411b3-899a-4b15-b424-4b93b7d19520" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden. De opgeëiste persoon zou namelijk geen kennis hebben gehad van de procedure in hoger beroep en heeft zich niet door een advocaat laten bijstaan in die periode. In zijn verhoor heeft hij abusievelijk verklaard toen wel een advocaat te hebben gehad, maar dit ging om een omzettingsprocedure. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft tot op heden niet bevestigd dat de opgeëiste persoon op de hoogte zou zijn geweest van de zitting, hoe en wanneer hij op de hoogte zou zijn geraakt, en of er een gemachtigd advocaat aanwezig is.   </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair dient de zaak aangehouden te worden om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden. Uit de aanvullende informatie van 20 augustus 2024 en de verklaring van de opgeëiste persoon blijkt dat er een vonnis is gewezen bij de rechtbank in Legnica op 26 november 2021, gevolgd door een arrest van 17 november 2022. De opgeëiste persoon is voor de procedure in eerste aanleg in persoon opgeroepen en hij had een gemachtigd raadsman. In eerste aanleg doet de weigeringsgrond zich niet voor, voor zover deze procedure getoetst dient te worden aan artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 20 augustus 2024 benoemd dat tijdens de procedure in hoger beroep over schuld en straf is geoordeeld, waardoor die procedure getoetst dient te worden aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Het openbaar ministerie heeft daartoe vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit maar daar is geen eenduidig antwoord op gekomen. Het is vast komen te staan dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de procedure in hoger beroep en dat zijn advocaat niet gemachtigd was om gedurende het hoger beroep voor hem op te treden. Het is niet vast komen te staan of sprake is geweest van een adresinstructie die aan de eisen voldoet. De officier van justitie verzoekt de rechtbank het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen met betrekking tot een eventuele adresinstructie en het verloop van de oproeping.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_78d79153-ab46-4523-b4e1-e655ee9504b4" /> De rechtbank zal dan ook alleen de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van </para>
        <para>17 november 2022 (met kenmerk II Aka 36/22) toetsen aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 5 september 2024 vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon gedurende het hoger beroep niet is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is - met de raadsvrouw en de officier van justitie - van oordeel dat de inhoud van het EAB en de aanvullende informatie onvoldoende duidelijk zijn om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon in hoger beroep zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>1. Is in hoger beroep sprake geweest van een zitting waarbij de opgeëiste persoon aanwezig kon zijn om zijn verdediging te voeren?</para>
      <parablock>
        <para>a. Zo ja, is daarvoor een oproeping verzonden aan de opgeëiste persoon?</para>
        <para>b. Zo ja, naar welk adres is die oproep verzonden? </para>
        <para>c. Indien er geen oproeping is verzonden, wat is daar de reden van geweest?</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Is er sprake geweest van een adresinstructie, waarbij de opgeëiste persoon is geïnformeerd over zijn rechten en plichten als verdachte waaronder de verplichting om adreswijzigingen door te geven? </para>
      <para>a. Zo ja, is aan de opgeëiste persoon expliciet vermeld dat deze instructie ook betrekking heeft op een eventuele procedure in hoger beroep?</para>
      <para />
      <para>3. a. Indien er een oproeping voor de procedure in hoger beroep is verzonden, naar welk adres is die oproeping verstuurd?</para>
      <para>b. Is dat het adres wat de opgeëiste persoon ten tijde van de ontvangst van de adresinstructie als correspondentieadres heeft opgegeven?</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Genoegzaamheid  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft gesteld dat in het EAB een onjuist strafrestant is vermeld. In het EAB is er namelijk geen rekening mee gehouden dat de rechtbank in Witold Wojtyło op 19 juni 2024 heeft besloten dat er nog 14 dagen van dit strafrestant dienen te worden afgetrokken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat dit niet betekent dat het EAB niet genoegzaam is. Het EAB moet gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In dit geval is aan deze voorwaarden voldaan. De rechtbank constateert dat geen sprake van een situatie waarin de straf al volledig is uitgezeten. Een eventuele discussie over het strafrestant betreft verder een executiekwestie die de opgeëiste persoon in Polen aan de orde kan stellen. Duidelijkheid over het strafrestant is niet een eis die in artikel 2 OLW aan het EAB wordt gesteld.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	oplichting</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_6c983a7c-3f1a-439e-859f-ba9a04fca77b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_50009ffe-39b3-4072-81bd-c476b8847470" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Voorwaardelijk schorsingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank tot aanhouding overgaat, de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst dit schorsingsverzoek af. Daartoe overweegt de rechtbank dat het vluchtgevaar alleen maar toeneemt naarmate de uitspraak dichterbij komt. De opgeëiste persoon heeft momenteel geen inschrijvingsadres en geen vast werk, en daarmee niet genoeg binding met Nederland om dit vluchtgevaar met schorsingsvoorwaarden te ondervangen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HOUDT AAN</emphasis> de beslissing over de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan door <emphasis role="italic">the District Court of Legnica – III Criminal Department</emphasis>, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 28 oktober 2024, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.K. Glerum en A.R. Vlierhuis,                         			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van L.E. Poel,		                         		   	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b61aba59-fb0b-49e3-8bd8-2a67f51bd798" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b53baef-0438-41fb-bffb-d5008b228990" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a3411b3-899a-4b15-b424-4b93b7d19520" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78d79153-ab46-4523-b4e1-e655ee9504b4" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c983a7c-3f1a-439e-859f-ba9a04fca77b" label="5">
    <para>Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_50009ffe-39b3-4072-81bd-c476b8847470" label="6">
    <para>Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>