<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:5903</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-07T11:58:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/208715-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5903">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5903</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T09:28:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:5903 Rechtbank Amsterdam , 19-09-2024 / 13/208715-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5903:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, tussenuitspraak, artikel 12 OLW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5903:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/208715-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 19 september 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">        TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 12 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_1a2c6ae3-d852-447b-bde0-53602d1c9423" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2024 door <emphasis role="italic">the Regional Court of Torun</emphasis> (Polen, hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres],</para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_ffdb88ce-52fa-460b-830b-36365c0c1668" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt in onderdeel B:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Torun</emphasis> van 25 juni 2019, definitief geworden op 21 juni 2021 (II K 37/18); </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Zlotów</emphasis> van 28 juni 2017, definitief geworden op 26 oktober 2017 (II K 507/16).</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het vonnis vermeld onder 1 is een vrijheidsstraf van vier jaar opgelegd, waarvan nog twee maanden en twaalf dagen resteren. Bij het vonnis genoemd onder 2 is een <emphasis role="italic">limitation of freedom</emphasis> opgelegd voor de duur van één jaar en twee maanden. Deze straf is bij beslissing van </para>
      <para>9 juni 2022 van <emphasis role="italic">the District Court in Torun</emphasis> omgezet naar een vrijheidsstraf van 212 dagen. Uit het EAB onderdeel f) volgt dat die omzetting het gevolg was van het niet nakomen van afspraken met de reclassering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) de hiervoor genoemde vrijheidsstraffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_da97e680-314a-4e63-8eef-fb18a7659ea5" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Nog geen beslissing op verweer van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd. De overlevering moet op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van 212 dagen (zaak II K 507/16).  De overlevering kan alleen worden toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de resterende vrijheidsstraf van twee maanden en twaalf dagen in de zaak II K 37/18. De opgeëiste persoon heeft ten tijde van de reguliere uitspraakdatum van de rechtbank op 25 september 2024 echter al langer dan die reststraf in overleveringsdetentie verbleven. Nu de overleveringsdetentie moet worden verrekend met die resterende vrijheidsstraf is de grondslag aan het EAB komen te ontvallen. Dit betekent dat de overlevering ook voor de tenuitvoerlegging van dat strafrestant moet worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft in dit kader gewezen op de omstandigheid dat het EAB in dit geval ziet op de tenuitvoerlegging van twee straffen. De overlevering kan worden toegestaan ten aanzien van beide straffen. Het is niet aan de rechtbank om de overleveringsdetentie te verrekenen met het totaal van deze twee nog ten uitvoer te leggen straffen. Dat is een executiekwestie voor de Poolse autoriteiten. Anders dan de raadsvrouw betoogt, is daarmee de grondslag dus niet aan het EAB komen te vervallen voor zover dat ziet op de tenuitvoerlegging van het strafrestant in de zaak II K 37/18.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal in deze uitspraak nog geen beslissing nemen op het verweer van de raadsvrouw. Voor de beoordeling van het verweer is van belang of de overlevering al dan niet kan worden toegestaan voor de tenuitvoerlegging van de straf in de zaak II K 507/16. In rubriek 5.2 licht de rechtbank toe dat daarover nog geen oordeel kan worden gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer voldaan is aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      <para>- <emphasis role="italic">poging tot doodslag;</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW; heropening van het onderzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW ziet op de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure die ten grondslag ligt aan het EAB. In dit artikel is bepaald dat overlevering kan worden geweigerd wanneer de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij zich een van de in dat artikel onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan dan wel voordoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wanneer het proces in twee opeenvolgende instanties (eerste aanleg en hoger beroep) heeft plaatsgevonden is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en de zaak dus ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_c0f9ef0e-87ec-4094-acdc-61fe2ad239c3" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van de zaak II K 37/18</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van </para>
        <para>27 augustus 2024 blijkt dat tegen het vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Torun</emphasis> van </para>
        <para>25 juni 2019 beroep is ingesteld en dat <emphasis role="italic">the Appelate Court in Gdansk</emphasis> op 21 juni 2021 arrest heeft gewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat in dit geval de procedure in beroep aan artikel 12 OLW moet worden getoetst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zittingen die hebben geleid tot het arrest van <emphasis role="italic">the Appelate Court in Gdansk</emphasis> van 21 juni 2021. Van toepassing van de weigeringsgrond van artikel </para>
        <para>12 OLW kan dus geen sprake zijn ten aanzien van de zaak II K 37/18.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van de zaak II K 507/16</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van </para>
        <para>27 augustus 2024 blijkt dat tegen het vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Zlotów</emphasis> van </para>
        <para>28 juni 2017 beroep is ingesteld en dat <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznan</emphasis> op 26 oktober 2017 arrest in beroep heeft gewezen. Het kenmerk van deze procedure is IV Ka 957/17. De bij het vonnis van 28 juni 2017 opgelegde straf van <emphasis role="italic">limitation of freedom </emphasis>voor de duur van één jaar en twee maanden is gehandhaafd bij het arrest van 26 oktober 2017. Enkele jaren later, bij beslissing van <emphasis role="italic">the District Court in Torun</emphasis> van 9 juni 2022 (met kenmerk IX Ko 1199/22) werd deze straf omgezet (“changed”) in een gevangenisstraf van 212 dagen. Uit het feit dat bij deze straf de reclassering betrokken was én deze bij een latere beslissing werd omgezet in gevangenisstraf, leidt de rechtbank af dat het aanvankelijk om een voorwaardelijk opgelegde straf ging, waarbij de opgeëiste persoon reclasseringscontact opgelegd had gekregen. De opgeëiste persoon heeft hier zelf over gezegd dat hij – toen hij in detentie zat vanwege de strafzaak II K 37/18 - een oproep kreeg om een taakstraf te doen, maar dat hij die niet kón uitvoeren omdat hij toen vast zat. Hij zegt geen weet te hebben gehad van de procedure in eerste aanleg of hoger beroep noch van de omzettingsbeslissing.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Arrest van </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">the Regional Court in Poznan</emphasis>
          <emphasis role="bold"> van 26 oktober 2017 met kenmerk IV Ka 957/17.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het licht van het voorgaande moet in ieder geval de procedure in beroep aan artikel 12 OLW worden getoetst. Ten aanzien van die procedure stelt de rechtbank vast:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat het arrest is gewezen, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid;  </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat het arrest – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt,  </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>en dat gelet daarop de overlevering op grond van artikel 12 OLW kan worden geweigerd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van het toepassen van deze weigeringsgrond en de officier van justitie heeft de rechtbank verzocht dat juist wel te doen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de (vier) zittingen die voorafgingen aan het vonnis in eerste aanleg van 28 juni 2017. De oproepen zijn gegaan naar het adres dat hij voorafgaand aan de procedure (“during the pre-trial proceedings”) op 31 augustus 2015 had opgegeven. Er was in eerste aanleg wel een door de staat aangewezen advocaat aanwezig. Deze advocaat heeft op 1 augustus 2017 hoger beroep ingesteld. Hij was niet gemachtigd door de opgeëiste persoon. Hij was aan hem toegewezen omdat de opgeëiste persoon ten tijde van het feit nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon is in deze zaak op 31 augustus 2015 (op 17- jarige leeftijd) gewezen op zijn verplichting adreswijzigingen door te geven en op de consequenties als hij dit zou nalaten. De oproeping voor de zitting in hoger beroep werd naar hetzelfde adres gestuurd als het adres waarnaar de oproepen in eerste aanleg werden verzonden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het is de rechtbank onvoldoende duidelijk of de opgeëiste persoon al dan niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Zo kan niet worden vastgesteld of hij op de hoogte kon of moest zijn dat de in 2015 aan hem verstrekte adresinstructie zich ook uitstrekte over de procedure in hoger beroep. Weliswaar staat in de aanvullende informatie dat de adresinstructie van kracht is tot het einde van de zaak, maar niet is gebleken of de opgeëiste persoon dit ook zo had moeten begrijpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Op hoeveel momenten en op welke data is aan de opgeëiste persoon in de procedure die heeft geleid tot de uitspraken onder kenmerk II K 507/16 en IV Ka 957/17 een adresinstructie verstrekt? </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Uit eerdere aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 31 augustus 2015 in ieder geval een adresinstructie heeft gekregen. Voor zover deze instructie ook van toepassing was op een eventueel hoger beroep en een eventuele omzettingsprocedure: </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>o hoe heeft de opgeëiste persoon moeten begrijpen dat de instructie ook zag op die eventuele procedures?</para>
        <para>o hoe is hem dat kenbaar gemaakt?”</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing van </emphasis>
          <emphasis role="bold italic">the District Court in Torun</emphasis>
          <emphasis role="bold"> van 9 juni 2022 met kenmerk Ko 1199/22</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In onderdeel F van het EAB is het volgende vermeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In case II K 507/16 the District Court in Zlotów adjudicated the cumulative penalty of 1 year and 2 months of limitation of freedom towards [de opgeëiste persoon], however, due to the convict's failure to appear when summoned by the probation officer and due to the probation officer receiving the information that the convict had been staying in the territory of the Netherlands and had no intention to fulfil the penalty of limitation of freedom the District Court in Torun, pursuant to the decision of 9th June 2022 in case file reference IX Ko 1199/22 changed the penalty of limitation of freedom adjudicated towards [de opgeëiste persoon] into  the replacement penalty of 212 days of imprisonment .”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank begrijpt uit het voorgaande dat de <emphasis role="italic">limitation of freedom </emphasis>voor de duur van één jaar en twee maanden bij beslissing van 9 juni 2022 van <emphasis role="italic">the District Court in Torun</emphasis> is omgezet naar een vrijheidsbenemende straf van 212 dagen en dat aan die omzetting ten grondslag ligt dat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan hem opgelegde verplichtingen in het kader van de <emphasis role="italic">limitation of freedom</emphasis>. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft – kort samengevat – betoogd dat (ook) de omzettingsbeslissing aan artikel 12 OLW moet worden getoetst nu geen sprake is van een ‘kale omzetting’ en dat ten aanzien van die beslissing niet kan worden afgezien van weigering. Juist ook wat betreft deze beslissing uit 2022 kan er niet van worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon nog aan een adresinstructie uit 2015 gebonden is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De omzettingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, nu duidelijk is dat de straf is omgezet vanwege het niet naleven van bijzondere voorwaarden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat na het arrest van 26 oktober 2017 nog een beslissing van </para>
        <para>9 juni 2022 van <emphasis role="italic">the District Court in Torun </emphasis>is gevolgd, waarbij de eerder opgelegde <emphasis role="italic">limitation of freedom</emphasis> is omgezet naar een vrijheidsstraf. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de verstrekte informatie volgt dat de reden voor de omzetting niet is gelegen in het plegen van een nieuw strafbaar feit door de opgeëiste persoon. Er is dus geen sprake van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de omzetting.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor de rechtbank is om te beginnen niet duidelijk wat deze ‘limitation of freedom’ inhoudt Verder is niet duidelijk of de beslissing tot omzetting daarvan in dit geval onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. Uit de verstrekte informatie volgt namelijk niet of de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde ‘limitation of freedom’ is gewijzigd.<footnote-ref linkend="_d5b3bf92-6bfc-4918-9056-c3f73741ea26" /> Zo blijkt uit de stukken niet of bij de aanvankelijke ‘strafoplegging’ al is bepaald dat bij niet opvolging van de voorwaarden verbonden daaraan deze ‘limitation of freedom’ zou worden vervangen door een vrijheidsstraf van 212 dagen én dat de <emphasis role="italic">District Court in Torun</emphasis> nog beoordelingsruimte bij de omzetting had. En in dat laatste geval, of de opgeëiste persoon in die omzettingsprocedure al dan niet aanwezig was. De rechtbank komt tot de conclusie nadere informatie nodig te hebben met het oog op de toetsing aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:</para>
      </parablock>
      <para>1. “Is in de procedures met kenmerk II K 507/16 en IV Ka 957/17, waarbij de ‘limitation of freedom’ is opgelegd ook al vervangende vrijheidsstraf opgelegd voor het geval niet aan de voorwaarden zou worden voldaan die verbonden zijn aan de ‘limitation of freedom’?“Zo nee, had <emphasis role="italic">the District Court in Torun</emphasis> een zekere mate van beoordelingsvrijheid bij de beslissing (kenmerk Ko 1199/22) tot het opleggen van de vrijheidsbenemende straf?</para>
      <para />
      <para>2. Indien de vorige vragen bevestigend worden beantwoord; kunt u alsnog onderdeel D) van het EAB - invullen voor de omzettingsprocedure?</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT en SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5.2 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beantwoording voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT</emphasis> dat de zaak uiterlijk 2 oktober 2024 opnieuw op zitting moet worden aangebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. R. Godthelp,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.L. op ‘t Hoog,			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten en L.P. van Kessel,                      		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1a2c6ae3-d852-447b-bde0-53602d1c9423" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ffdb88ce-52fa-460b-830b-36365c0c1668" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_da97e680-314a-4e63-8eef-fb18a7659ea5" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0f9ef0e-87ec-4094-acdc-61fe2ad239c3" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5b3bf92-6bfc-4918-9056-c3f73741ea26" label="5">
    <para> Vergelijk: HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53 en HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 77).</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>