<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:5660</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-19T07:12:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/216879-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5660">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5660</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-17T15:39:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:5660 Rechtbank Amsterdam , 10-09-2024 / 13/216879-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5660:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen. Overlevering toegestaan. Weigeringsgrond art 12 OLW niet aan de orde. Art. 11 OLW: geen algemeen gevaar voor veroordeelden in Poolse gevangenissen. Het door de raadsvrouw overgelegde rapport van het NMPT biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat voor veroordeelden ook sprake is van verzwarende omstandigheden op basis waarvan moet worden aangenomen dat een persoonlijke ruimte van minstens 3 m2 in de gevangenissen onvoldoende is. Geen aanleiding om vragen te stellen over detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo, nu de rechtbank de kans dat de opgeëiste persoon na overlevering in die gevangenis zal worden gedetineerd zeer klein acht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5660:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-216879-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 september 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 5 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_28a4ceb1-a4d1-4bd5-8dc6-f6072b6de24f" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juni 2024 door <emphasis role="italic">the District Court of Zamość, Second Penal Division</emphasis> (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 2000, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd<footnote-ref linkend="_7b9d06db-8371-4a8c-992c-66aaf7191dcf" /> en de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">sentence of the Regional Court of Zamość, Second Penal Division (Polen) of 11 May 2023 which became legally valid on 16 August 2023</emphasis>, referentie II K 289/23.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. Van deze straf resteert volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en twintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_7834dfad-668e-4e4a-bd30-69309fc6374b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold"> Weigeringsgrond van artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB onduidelijk is in onderdeel f), omdat daar wordt uiteengezet dat de opgeëiste persoon zich vrijwillig heeft gemeld bij de gevangenis, maar ook dat hij niet thuis is aangetroffen toen zijn straf geëxecuteerd moest worden. Uit het EAB blijkt ook dat hij een gedeelte van de straf heeft uitgezeten. Dit laat ruimte voor de lezing dat er een omzetting van de straf heeft plaatsgevonden op een andere zitting. Onduidelijk is wat die procedure heeft ingehouden en of de opgeëiste persoon daarvoor op de juiste wijze is gedagvaard. De raadsvrouw heeft daarom primair verzocht de overlevering te weigeren en subsidiair hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid en dat hij werd vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel d) van het EAB aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW niet aan de orde is. Evenmin bestaat aanleiding om naar aanleiding van het vermelde in onderdeel f) van het EAB nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
        <para>Voor het standpunt van de raadsvrouw dat mogelijk een omzetting van een straf heeft plaatsgevonden op een andere zitting waarvan onduidelijk is wat die procedure heeft ingehouden, bevat het dossier namelijk geen aanknopingspunten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in Polen 5 tot 6 maanden in voorarrest heeft gezeten, dat hij op enig moment tijdens de behandeling van de zaak in vrijheid is gesteld, dat hij voordat het vonnis onherroepelijk was naar Nederland is gegaan en dat hij zich dus niet bij de gevangenis heeft gemeld voor het uitzitten van zijn straf. Dit past bij de informatie die in het EAB is gegeven over het nog uit te zitten strafrestant en bij de vermelding in de originele versie van onderdeel f) van het EAB dat de opgeëiste persoon zich <emphasis role="underline">niet</emphasis> vrijwillig heeft gemeld om de straf uit te zitten. De rechtbank heeft in dit verband op aangeven van de officier van justitie en met de vertaling van de ter zitting aanwezige tolk ter zitting geconstateerd dat in de vertaling van onderdeel f) van het EAB de vertaling van het Poolse woord ‘nie’ (= niet) is weggevallen. Waar staat: <emphasis role="italic">“The convict did report voluntarely to prison (…)” </emphasis>moet gelezen worden<emphasis role="italic">: The convict did </emphasis><emphasis role="bold italic">not</emphasis><emphasis role="italic"> (vet: rechtbank) report voluntarely to prison (…) </emphasis>”. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet alleen ten aanzien van <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis>, maar ook ten aanzien van Poolse gevangenissen ten behoeve van de executie van gevangenisstraffen sprake is van een algemeen en reëel gevaar op schending van de grondrechten van gedetineerden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een rapport van <emphasis role="italic">the Commisssoner for Human Rights on the Activities of the National Mechanism for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in Poland in 2022 (NMPT)</emphasis> overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat er verzwarende omstandigheden zijn waardoor de 3 m2 persoonlijke ruimte in de cel onvoldoende is. Zo wordt geconstateerd dat er in detentiecentra meerpersoonscellen zijn voor meer dan tien, en zelfs tot zestien personen. Het aanbod van activiteiten buiten de cel is zeer beperkt en de zonwering, de sanitaire voorzieningen en het buitengebied voldoen niet aan de normen. Bovendien bestaat er een risico op aantasting van de lichamelijke integriteit waartegen geen rechtsbescherming wordt geboden. Zo wordt in het rapport gesproken over fysiek geweld, intimidatie en waterboarding in een gevangenis in Barczewo. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er vragen moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden voor veroordeelden. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU-Hof), gelet op de huidige stand van zaken ten aanzien van Polen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat en dat de overlevering kan worden toegestaan, nu hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een algemeen en reëel gevaar op schending van de grondrechten in Poolse gevangenissen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van het CPT-rapport van 22 februari 2024, waaruit onder meer blijkt dat veroordeelden in Poolse gevangenissen en voorlopig gehechten in de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) ter beschikking hebben. Voor de <emphasis role="italic">remand prisons</emphasis> geldt blijkens dat rapport dat voorlopig gehechten 23 uur per dag op cel moeten verblijven en dat ze beperkt zijn in de mogelijkheid om contact te hebben met de buitenwereld. Deze verzwarende omstandigheden, die voor de rechtbank in andere uitspraken aanleiding zijn geweest om vragen te stellen over de <emphasis role="italic">remand prisons </emphasis>in Polen, heeft het CPT niet vastgesteld bij detentie-instellingen waar de tenuitvoerlegging van opgelegde gevangenisstraffen plaatsvindt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsvrouw overgelegde rapport van het NMPT onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat voor veroordeelden ook sprake is van verzwarende omstandigheden op basis waarvan moet worden aangenomen dat een persoonlijke ruimte van minstens 3 m2 in de gevangenissen onvoldoende is. Ten aanzien van de sanitaire voorzieningen wordt in het rapport beschreven dat in één gevangenis sprake was van 79 cellen met sanitaire hoeken die niet volledig afgeschermd waren. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat deze situatie stelselmatig aan de orde is in de Poolse gevangenissen, te meer nu het CPT daarover niets heeft opgemerkt in het rapport van 2024. Dat geldt ook voor de overige door de raadsvrouw aangevoerde factoren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om vragen te stellen over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo, nu de rechtbank de kans dat de opgeëiste persoon na overlevering in die gevangenis zal worden gedetineerd zeer klein acht. Het EAB is immers uitgevaardigd door <emphasis role="italic">the District Court of Zamość</emphasis> en de feiten waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld zijn in Zamość gepleegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Concluderend is niet gebleken van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die worden geplaatst in de Poolse gevangenissen om een opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, en ook niet om prejudiciële vragen te stellen aan het EU-Hof. De rechtbank wijst deze verzoeken van de raadsvrouw dan ook af.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_7d3f930e-4cae-4f0b-ac5c-2efde6bdbc82" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_6911fb73-d688-48b0-ae81-c1c1c71b0e8b" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45 en 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Zamość, Second Penal Division</emphasis> (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,	 				 				voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.R.P.J. Davids en J.B. Oreel, 							rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. S. van Gerven en I. van Heusden, 			griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_28a4ceb1-a4d1-4bd5-8dc6-f6072b6de24f" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b9d06db-8371-4a8c-992c-66aaf7191dcf" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7834dfad-668e-4e4a-bd30-69309fc6374b" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d3f930e-4cae-4f0b-ac5c-2efde6bdbc82" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6911fb73-d688-48b0-ae81-c1c1c71b0e8b" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>