<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:5368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-12T15:17:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/108998-24 (tussenuitspraak)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5368">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:5368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-12T14:46:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:5368 Rechtbank Amsterdam , 28-08-2024 / 13/108998-24 (tussenuitspraak)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5368:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolging Polen. Tussenuitspraak. Onderzoek heropend en geschorst om vragen te stellen met betrekking tot de detentieomstandigheden in de remand prisons in Polen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:5368:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/108998-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 28 augustus 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 7 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_edd4cb06-e553-4acc-9c39-2eba3f3f17a0" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 februari 2024 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Gliwice</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in Justitieel Complex [plaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. D.C. Dorrestein, advocaat in Houten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft uitdrukkelijk afstand gedaan van zijn recht om bij de inhoudelijke behandeling van het EAB aanwezig te zijn. De schriftelijke afstandsverklaring van 14 augustus 2024 is in het dossier gevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd<footnote-ref linkend="_4bf0af6c-8394-4a84-89d7-0254df30caac" /> en voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het lopende onderzoek naar de detentieomstandigheden voor voorlopig gehechten in Polen heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen op de zitting nogmaals met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, met gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding voor de duur van 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. 	Identiteit van de opgeëiste persoon	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van <emphasis role="italic">the District Court in Gliwice</emphasis> (Polen) van 18 november 2022, referentie: III Kp 955/22.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_69e617c1-850d-4b64-9e7d-798d4b8630e3" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder 2 omschreven feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het onder 1 omschreven feit, naar Pools recht “<emphasis role="italic">anyone who induces a minor to drink heavily by supplying him or her with alcoholic beverages or by facilitating or encouraging his or her drinking</emphasis>”, niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de omschrijving van het onder 1 vermelde feit niet kan worden vastgesteld dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is en dat om die reden de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan, omdat het feit als bestanddeel van de onder 2 omschreven aanranding kan worden aangemerkt zoals dat in Nederland strafbaar is gesteld in artikel 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de verdenking is dat het feit is begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan en de overlevering voor het onder 1 vermelde feit kan worden toegestaan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het “<emphasis role="italic">aanzetten van een minderjarige tot het drinken van alcoholische drank</emphasis>” niet strafbaar is naar Nederlands recht, nu artikel 45a van de Alcoholwet dat alleen verbiedt in het geval het feit op voor publiek toegankelijke plaatsen plaatsvindt. Dat is in deze zaak niet het geval, aangezien het feit in een woning zou zijn begaan. De rechtbank is echter van oordeel dat van toepassing van deze weigeringsgrond kan worden afgezien, omdat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft en is begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Daar komt bij dat de overlevering voor het onder 2 vermelde feit toelaatbaar wordt geacht en dat partiële weigering voor het onder 1 vermelde feit tot straffeloosheid zou kunnen leiden. Dat is niet wenselijk. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De weigeringsgrond van artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_6cdf9ab4-32ab-453c-b6a2-e52260ae2ea5" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_975a9a0a-947a-4746-b04d-3a1948c7ad9e" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Detentieomstandigheden </emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het standpunt van de raadsman en de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman en de officier van justitie hebben verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, om de Poolse autoriteiten vragen te stellen over detentieomstandigheden in de <emphasis role="italic">remand prison </emphasis>waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid na overlevering zal worden geplaatst teneinde te kunnen beoordelen of daarmee het algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de zorgen die in het rapport van het <emphasis role="italic">European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment</emphasis> (CPT) van 22 februari 2024 (hierna: het CPT-rapport) worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente tussenuitspraken heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten.<footnote-ref linkend="_d675bef0-583a-41db-ba5b-dbe4799919b4" /> Inmiddels zijn deze vragen in een aantal zaken beantwoord.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In uitspraken van 5 juni 2024<footnote-ref linkend="_53edc30f-fd8b-47f3-81ad-2446d86ded88" />heeft de rechtbank overwogen dat de beantwoording van deze vragen door de Poolse autoriteiten niet afdoende is om de eerder geuite zorgen weg te nemen. Uit de antwoorden blijkt immers niet hoeveel m2 levensruimte (exclusief sanitair) een voorlopig gehechte in een meerpersoonscel heeft, terwijl uit de beschikbare informatie valt af te leiden dat voorlopig gehechten niet meer dan tussen de 3 en 4 m2 levensruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel zullen hebben. Dit is zorgelijk tegen de achtergrond van - hoofdzakelijk - het aantal uur per dag op cel (veelal 23 uur per dag), in voorkomend geval in combinatie met andere - de detentieomstandigheden verzwarende - aspecten, namelijk de beperking van het contact met de buitenwereld en de (duur van) de vereiste toestemmingsprocedure voor bezoek en telefonisch contact, zoals van toepassing in het gehele <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen.<footnote-ref linkend="_ec35715e-52d6-463f-9d49-68d6b54c3723" />De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen terechtkomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de detentieomstandigheden in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het kader van dat nadere onderzoek zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> is aangenomen, dit gevaar - al dan niet met een individuele detentiegarantie - voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> kan worden weggenomen, dan wenst de rechtbank in het bijzonder het volgende over het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, te vernemen:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">1) De rechtbank begrijpt uit het CPT-rapport dat voorlopig gehechten minimaal 3 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel ter beschikking hebben. Kan, tegen de achtergrond van het arrest Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, punten 75-76), voor de opgeëiste persoon worden gegarandeerd dat hij minimaal 4 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel zal krijgen in het Huis van Bewaring waar hij terecht komt? Of zal hij slechts tussen de 3 en 4 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel krijgen?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">2) Kan de opgeëiste persoon deelnemen aan activiteiten in het betreffende Huis van Bewaring?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3) Indien hij ervoor kiest deel te nemen aan alle aangeboden activiteiten, hoeveel uur per dag zou hij dan minimaal buiten zijn cel verblijven?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">4) Geldt voor de opgeëiste persoon dat hij, indien hij contact met de buitenwereld wil hebben door gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek, voorafgaand aan ieder bezoek of telefoongebruik altijd toestemming zal moeten vragen?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">5) Zo ja, hoe lang duurt de procedure (inclusief het rechtsmiddel) om toestemming te         krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank wijst erop dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de beantwoording van boven gestelde vragen - zo nodig - bijstand kan verzoeken aan de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van Polen, in de zin van artikel 7 van het Kaderbesluit.<footnote-ref linkend="_6a49cb1e-fcc6-46a8-93f4-cae302f280b3" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, </para>
      <para>teneinde de officier van justitie de hiervoor onder punt 5 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste </para>
      <para>persoon met 30 dagen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 2 november 2024 (het einde van de verlengde beslistermijn) opnieuw op zitting moet worden gepland;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. R.A. Sipkens,	  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Vaandrager en B.M. Vroom-Cramer,                     		   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden,			                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 augustus 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_edd4cb06-e553-4acc-9c39-2eba3f3f17a0" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4bf0af6c-8394-4a84-89d7-0254df30caac" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_69e617c1-850d-4b64-9e7d-798d4b8630e3" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cdf9ab4-32ab-453c-b6a2-e52260ae2ea5" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_975a9a0a-947a-4746-b04d-3a1948c7ad9e" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d675bef0-583a-41db-ba5b-dbe4799919b4" label="6">
    <para>Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53edc30f-fd8b-47f3-81ad-2446d86ded88" label="7">
    <para>Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec35715e-52d6-463f-9d49-68d6b54c3723" label="8">
    <para> Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a49cb1e-fcc6-46a8-93f4-cae302f280b3" label="9">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (<emphasis role="italic">Aranyosi en Căldăraru</emphasis>), punt 97. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>