<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:4955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-13T09:09:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 22/3642</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:4955">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:4955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-13T09:09:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:4955 Rechtbank Amsterdam , 19-07-2024 / AMS 22/3642</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:4955:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet Woz. Ongegrond. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Termijnoverschrijding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:4955:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/3642</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: I. Garlemos)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. </bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 28 februari 2021 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres] (Parkeergarage behorende bij appartement [huisnummer] ) te Amsterdam (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op </para>
      <para>€ 24.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting bekendgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van </para>
      <para>28 juli 2022 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op de zitting van 9 juli 2024. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. N.M. Kell.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank moet in dit geschil beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.</para>
    <para />
    <para>2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking die hij heeft ontvangen op 28 februari 2021. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan eiser pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden. Dat wordt door eiser ook niet betwist. De termijn voor het maken van bezwaar is daarmee op de dag na 28 februari 2021 gaan lopen en geëindigd op 12 april 2021.</para>
    <para />
    <para>4. De heffingsambtenaar heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het bezwaarschrift door de gemachtigde van eiser te laat is ingediend, omdat hij het bezwaarschrift pas op 6 april 2022 heeft ingediend. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift vervolgens op 7 april 2022 ontvangen en de ontvangst van het bezwaarschrift met een brief van 21 april 2022 bevestigd. Dit is echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, te laat. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft geen reden aangevoerd waarom hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Wel merkt eiser op dat de heffingsambtenaar met de ontvangstbevestiging de indruk heeft gewekt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. De heffingsambtenaar meent echter niet dat de tekst van de ontvangstbevestiging de indruk wekt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. Er staat enkel dat het bezwaarschrift in behandeling is; wat ook het geval was. De rechtbank volgt de uitleg van de heffingsambtenaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. H.M. Dost. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier						 de rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>