<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:4078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-10T11:56:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-065964-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:4078">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:4078</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-10T10:29:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:4078 Rechtbank Amsterdam , 29-05-2024 / 13-065964-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:4078:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van in Polen opgelegde straffen. Rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Gelijkstelling. Weigering o.g.v. art. 6a OLW met overname van de tenuitvoerlegging van de straffen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:4078:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-065964-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 29 mei 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 15 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_c08ac40c-e96c-4314-8c08-61cd992dc1d5" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2023 door <emphasis role="italic">the District Court in Krakow, Third Criminal Division,</emphasis> Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>nu gedetineerd in P.I. [P.I.] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_d01849ed-a508-4eb0-89d2-c8f75ff6253c" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>I een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division</emphasis> van 15 juni 2015 (II K 324/15);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>II een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division</emphasis> van 1 oktober 2015 (II K 582/15);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>III een vonnis van <emphasis role="italic">the Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division</emphasis> van 9 juli 2015 (II K 456/15).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij zijn de volgende straffen opgelegd: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vonnis I: een <emphasis role="italic">aggregate sentence</emphasis> van 2 jaar gevangenisstraf; daarvan resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 28 dagen.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vonnis II: een <emphasis role="italic">aggregate sentence</emphasis> van 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf; daarvan resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 5 maanden en 28 dagen.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vonnis III: een <emphasis role="italic">aggregate sentence</emphasis> van 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf; de volledige straf staat nog open.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_8765ac55-3f68-45a2-94fd-8ce9e0355963" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aggregate sentences</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
          </para>
          <para>Nu het EAB spreekt over <emphasis role="italic">aggregate sentences</emphasis> lijkt sprake te zijn van samenvoegingsbeslissingen wat zou impliceren dat er meerdere onderliggende vonnissen zijn die hieraan ten grondslag liggen. Als deze constatering door de rechtbank zou worden gevolgd, is het dossier nog altijd niet compleet. Omdat al meermaals om nadere informatie is verzocht, dient beslist te worden op basis van de informatie die nu beschikbaar is. Dat betekent dat de overlevering moet worden geweigerd. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
          </para>
          <para>Dit ziet op een vertaalkwestie. In het Poolse EAB is sprake van “kara łączna” dat vertaald moet worden als verzamelstraf. Dit houdt in dat voor meerdere feiten één straf is opgelegd; van onderliggende vonnissen is dus geen sprake.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Oordeel van de rechtbank</para>
          <para>De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar zienswijze en is met de officier van justitie van oordeel dat uit het dossier en de uitgebreide aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden afgeleid dat geen sprake is van verzamel<emphasis role="italic">vonnissen</emphasis> maar van drie verzamel<emphasis role="italic">straffen</emphasis>. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vonnis I (II K 324/15), vonnis II (II K 582/15) en vonnis III (II K 456/15)</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van drie vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die – kort gezegd – zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat van weigering kan worden afgezien nu de opgeëiste persoon in alle processen wist van de verdenkingen en van het feit dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd en hij in alle procedures een adresinstructie heeft gekregen waarvoor hij heeft getekend waarna hij is opgeroepen op dat adres. Onder deze omstandigheden leidt overlevering niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3 ‘</nr>
        <para>
          <emphasis role="italic">Triggerende’ veroordeling II K 202/17</emphasis>
        </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>De bovengenoemde vrijheidsstraffen zijn aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Als gevolg van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit door <emphasis role="italic">the District Court in Krakow</emphasis> (VI K 202/17) is de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraffen bevolen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_1e69c544-43b3-49e2-9c86-7a650e6aecd4" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de straffen zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissingen vallen daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_ebdfe1fa-cfa7-4946-9dcd-498b043be872" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van de ‘triggerende’ veroordeling met kenmerk II K 202/17 heeft de raadsvrouw betoogd dat uit het dossier volgt dat de opgeëiste persoon niet bij alle zittingen aanwezig is geweest omdat hij bij de <emphasis role="italic">sentencing hearing</emphasis> van 14 maart 2018 niet aanwezig was, net als zijn advocaat. Onduidelijk is of de opgeëiste persoon op een juiste wijze op de hoogte is gebracht van deze zitting zodat niet getoetst kan worden of hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank overweegt dat uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 april 2024 volgt dat in deze procedure 4 zittingen hebben plaatsgevonden en dat de opgeëiste persoon (met zijn advocaat) in persoon aanwezig was op de eerste drie zittingen, te weten op 24 januari, 8 februari en 6 maart 2018. Voor de <emphasis role="italic">sentencing hearing</emphasis> van 14 maart 2018 zijn de opgeëiste persoon en zijn advocaat volgens de aanvullende informatie naar behoren op de hoogte gesteld. Voor zover deze <emphasis role="italic">sentencing hearing</emphasis> niet slechts de uitspraakzitting is geweest maar op deze zitting de zaak deels nog inhoudelijk is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. De opgeëiste persoon wist van de strafrechtelijke procedure en is op 3 van de 4 zittingen aanwezig geweest met zijn advocaat. Voor zover de datum van de zitting van 14 maart 2018 niet is meegedeeld op de zitting een week eerder op 8 maart 2018 of voor zover de oproep voor de zitting van 14 maart 2018 hem niet zou hebben bereikt, overweegt de rechtbank dat het onder deze omstandigheden op de weg van de opgeëiste persoon lag om zich – al dan niet via zijn advocaat – op de hoogte te houden van het verdere verloop van de procedure. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De weigeringsgrond van artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten van vonnis I (II K 324/15) aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	georganiseerde of gewapende diefstal.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	telkens: diefstal</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	de meerdaadse samenloop van:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	valsheid in geschrift</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	de meerdaadse samenloop van:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	belaging</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	opzetheling.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste voorwaarde </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de (in een eerdere overleveringsprocedure)<footnote-ref linkend="_93927551-fe95-4abf-aeb2-666361e3638a" /> overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze voorwaarde is dus voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
      <para>De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 17 april 2024 volgt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de hiervoor onder 4.2 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onder 4.1. bedoelde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 310, 311, 225, 231, 285b, 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court in Krakow, Third Criminal Division,</emphasis> Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de overleveringsdetentie van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] .</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding<emphasis role="bold"> op grond van artikel 27, vierde lid, OLW </emphasis>van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,	voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.J. Bos en A. Pahladsingh,		rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, 	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c08ac40c-e96c-4314-8c08-61cd992dc1d5" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d01849ed-a508-4eb0-89d2-c8f75ff6253c" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8765ac55-3f68-45a2-94fd-8ce9e0355963" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e69c544-43b3-49e2-9c86-7a650e6aecd4" label="4">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ebdfe1fa-cfa7-4946-9dcd-498b043be872" label="5">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_93927551-fe95-4abf-aeb2-666361e3638a" label="6">
    <para> Rechtbank Amsterdam 7 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7992. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>