<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:3971</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-11T07:40:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 20/292, AMS 20/293, AMS 20/296 en AMS 20/298</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3971">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3971</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-11T07:39:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:3971 Rechtbank Amsterdam , 07-02-2024 / AMS 20/292, AMS 20/293, AMS 20/296 en AMS 20/298</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3971:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afzien van samenhang bij 8:75a niet mogelijk. Uit de systematiek van de Awb en de Prb volgt dat het niet mogelijk is om, bij toepassing van artikel 8:75a van de Awb, een verzoek samenhang achterwege te laten in te willigen. Het kan dus niet zo zijn dat met een dergelijk verzoek een hogere proceskostenvergoeding kan worden verkregen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3971:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: 	AMS 20/292, AMS 20/293, AMS 20/296 en AMS 20/298 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser 1] en [eiser 2] , eisers,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. van Eck),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 14 januari 2020 een beroepschrift van eisers ontvangen gericht tegen vier besluiten van verweerder, alle gedateerd op 4 december 2019 (de bestreden besluiten). De rechtbank heeft het beroep geregistreerd onder meerdere zaaknummers. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Per e-mail van 12 oktober 2022 hebben eisers de rechtbank bericht dat het beroep wordt ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van </para>
      <para>16 oktober 2022 heeft [eiser 1] en bij brief van 17 oktober 2022 heeft [eiser 2] de rechtbank bericht het niet eens te zijn met verweerders beslissing over de vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Eisers hebben in hun brieven van 16 oktober 2022 en 17 oktober 2022 ook verzocht om een schadevergoeding. Verweerder heeft op 15 november 2022 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers hebben bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding in beroep.<footnote-ref linkend="_3bc626af-4be4-48f9-9c9d-d716dc184d8f" /> De rechtbank sluit het onderzoek en zal uitspraak doen buiten zitting. Het verzoek is gegrond.<footnote-ref linkend="_60b01ae1-c4d5-4644-81ab-e2f986700709" /></para>
    <para />
    <para>2. In de wet staat dat als het beroep wordt ingetrokken omdat verweerder geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, verweerder op verzoek van eiser in de kosten kan worden veroordeeld. </para>
    <para>Er moet tegelijk bij de intrekking van het beroep om vergoeding van de proceskosten worden gevraagd. Wordt later om vergoeding van de proceskosten gevraagd dan is dat te laat en moet het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.<footnote-ref linkend="_7f4f4ba6-2245-41e3-b437-2905401a08ec" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Gevoegde behandeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eisers hebben in hun e-mail van 12 oktober 2022, waarmee zij het beroep hebben ingetrokken, verzocht om de zaken los van elkaar te halen zodat de zaken niet langer gevoegd worden behandeld. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of, in hoeverre, sprake is van samenhangende zaken. De rechtbank stelt daarbij het volgende vast. </para>
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen elk besluit een separaat bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft de zaken gevoegd behandeld. In de beide herziene beslissingen op bezwaar van 28 september 2022 heeft verweerder zowel aan [eiser 1] als aan [eiser 2] een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.082,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Verweerder heeft per eiseres het bezwaarschrift tegen het boetebesluit en het bezwaarschrift tegen de last onder dwangsom gevoegd behandeld. Verweerder heeft eveneens de vier bezwaarschriften van eisers gevoegd behandeld doch bij het vaststellen van de proceskostenvergoedingen is verweerder enkel uitgegaan van samenhang met betrekking tot het boetebesluit en de last onder dwangsom. </para>
      <para>Eisers hebben in één beroepschrift beroep ingesteld tegen de vier bestreden besluiten. De rechtbank heeft het beroep tegen de vier bestreden besluiten gevoegd behandeld. De behandeling van alle vier zaaknummers stond gepland op 18 oktober 2022 om 13:30 uur. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank wijst het verzoek van eisers om de zaken niet (langer) als samenhangend aan te merken af.<footnote-ref linkend="_383ef675-aa93-4f25-a03a-78478b992626" /> Wanneer zaken worden ingetrokken met een verzoek om vergoeding van de proceskosten moet worden beoordeeld of in de beroepsfase tot dan toe sprake is geweest van gevoegde behandeling. In dit geval is daarbij van belang dat eisers in één geschrift beroep hebben ingesteld en dat de rechtbank de zaken gevoegd op zitting zou behandelen. Uit de systematiek van de Awb en de Prb volgt dat het niet mogelijk is om, bij toepassing van artikel 8:75a van de Awb, een verzoek om samenhang achterwege te laten in te willigen. Het kan dus niet zo zijn dat met een dergelijk verzoek een hogere proceskostenvergoeding kan worden verkregen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Proceskostenvergoeding in beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat eisers het beroep hebben ingetrokken omdat verweerder aan eisers is tegemoetgekomen. Verweerder heeft de in verband met de intrekking van het beroep gemaakte aanspraak op proceskosten niet bestreden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte wordt forfaitair vastgesteld op € 875,- als kosten van verleende rechtsbijstand.<footnote-ref linkend="_d46520e8-d592-4106-b766-71be092e1142" /> De rechtbank merkt de zaken daarbij als samenhangende zaken aan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Proceskostenvergoeding in bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De rechtbank heeft op 12 oktober 2022 een e-mail van de gemachtigde van eisers ontvangen waarin de rechtbank wordt bericht dat het beroep van eisers wordt ingetrokken en om een proceskostenvergoeding wordt verzocht. </para>
    <para>Bij brieven van 16 oktober 2022 en 17 oktober 2022 hebben eisers de rechtbank opnieuw bericht dat het beroep wordt ingetrokken met uitzondering van verweerders beslissing over de vergoeding van de proceskosten in bezwaar.<footnote-ref linkend="_790f8788-2e55-49ab-a059-8190ba538e2a" /></para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft in de herziene beslissingen op bezwaar van 28 september 2022 beslist op de proceskostenvergoeding in bezwaar. Gelet op de intrekking van 12 oktober 2022 is het beroep echter ingetrokken, behoudens het verzoek om vergoeding van de proceskosten in beroep. Dat betekent dat de rechtbank niet meer toekomt aan de beoordeling van de herziene beslissingen op bezwaar van 28 september 2022. Het aanvullende verzoek van eisers om vergoeding van de proceskosten in bezwaar moet niet-ontvankelijk worden verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Verzoek om schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eisers hebben in hun e-mail van 12 oktober 2022, waarmee zij het beroep hebben ingetrokken, tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.<footnote-ref linkend="_7a7bb91c-8d9c-42e3-b0a6-59be72c7da24" /> Dat is een nieuw verzoek dat geldt als een nieuwe procedure. Voor dit verzoek moeten twee nieuwe zaaknummers worden aangemaakt. De brief van 17 oktober 2022 van [eiser 2] moet in het nieuwe dossier van [eiser 2] worden opgenomen. Het verweerschrift van 15 november 2022 moet eveneens in deze nieuwe zaaknummers worden opgenomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Elke eiseres is eenmaal een griffierecht van € 178,- in rekening gebracht. Verweerder dient aan eisers het betaalde griffierecht van in totaal € 356,- (2 x € 178,-) te vergoeden.<footnote-ref linkend="_fb1d6820-e500-4b09-b6fa-2e84c3acd2a3" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers in beroep tot een bedrag van <?linebreak?>€ 875,-; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart de verzoeken van 16 oktober 2022 en 17 oktober 2022 om verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar niet-ontvankelijk. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>7 februari 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Bent u het niet eens met deze uitspraak, dan kunt u een hogerberoepschrift opsturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 's-Gravenhage. U kunt een hogerberoepschrift opsturen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll: M.P.O.</para>
      <para>D: B</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3bc626af-4be4-48f9-9c9d-d716dc184d8f" label="1">
    <para> 	onder toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_60b01ae1-c4d5-4644-81ab-e2f986700709" label="2">
    <para> 	onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, Awb op grond van artikel 8:75a, derde lid, Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f4f4ba6-2245-41e3-b437-2905401a08ec" label="3">
    <para> 	artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_383ef675-aa93-4f25-a03a-78478b992626" label="4">
    <para> 	in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d46520e8-d592-4106-b766-71be092e1142" label="5">
    <para> 	onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend: 1 punt voor </para>
    <para>	het beroepschrift x factor 1 x € 875,- </para>
  </footnote>
  <footnote id="_790f8788-2e55-49ab-a059-8190ba538e2a" label="6">
    <para> 	AMS 20/292 en AMS 20/293</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a7bb91c-8d9c-42e3-b0a6-59be72c7da24" label="7">
    <para> 	op grond van artikel 8:91 van de Awb </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb1d6820-e500-4b09-b6fa-2e84c3acd2a3" label="8">
    <para> 	ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>