<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2024:3749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-02T09:10:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/120962-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3749">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2024:3749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-27T12:14:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2024:3749 Rechtbank Amsterdam , 19-06-2024 / 13/120962-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3749:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools vervolgings-EAB. Tussenuitspraak. Niet aangetoond is dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. De rechtbank wijst in reactie op de door de officier van justitie verzochte heroverweging van het op dit punt geldende algemene gevaar naar een recente uitspraak van 21 mei 2024. De rechtbank heropent uiteindelijk het onderzoek, gelet op het recent aangenomen algemene reëele gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het Poolse remand regime terechtkomen. De rechtbank formuleert een aantal vragen aan de Poolse autoriteiten teneinde te kunnen beoordelen of dit algemene gevaar voor de opgeëiste persoon in kwestie kan worden weggenomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2024:3749:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/120962-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 19 juni 2024 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">     TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 1 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_b086c38f-76b3-4eaa-9c4b-5c0e1af2ae72" /> Dit EAB is uitgevaardigd op <?linebreak?>9 april 2024 door het Gerechtshof in Wrocɫaw (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juni 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. J.C.N.T. van Haren, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_aa0ea9a3-2a01-4278-944b-d487e8f79f11" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een beslissing van de regiorechtbank voor Wroclaw binnenstad II, de afdeling voor strafzaken, van 9 april 2024 met kenmerk <emphasis role="italic">II Kp 304/24</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_ab8104ae-0f51-40e1-94c5-702650db0863" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit I en III:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">feit II:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">5.  	Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU   </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onafhankelijke en onpartijdige berechting van de opgeëiste persoon mogelijk in het geding is, nu het slachtoffer in een aantal van de feiten waarvan hij wordt verdacht een Poolse officier van justitie is. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 april 2024 blijkt immers dat hij ervan wordt verdacht spullen van haar bureau als ook uit haar auto te hebben gestolen en dat de autoriteiten dat hoog opnemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om, gelet op de recente veranderingen in het Poolse regime na de verkiezingen in Polen, te heroverwegen of er nog steeds sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de Poolse rechtsorde. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er van een individueel gevaar geen sprake is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_2e20f90a-3a16-4111-a97e-d1c4f7b443ac" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.<footnote-ref linkend="_6dbb1f65-358e-47f5-b65a-9e413f772f14" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst in reactie op het verzoek van de officier van justitie om te heroverwegen of nog steeds sprake is van het algemene gevaar, naar een recente uitspraak die zij heeft gewezen op 21 mei 2024.<footnote-ref linkend="_62e5a3a7-f37f-4fbc-849b-3a357a22baf5" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden in Polen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de overlevering geen gevolg dient te worden gegeven, gelet op de zorgen omtrent de omstandigheden rondom de voorlopige hechtenis in Polen. Daarbij heeft hij ook gewezen op de gezondheid van opgeëiste persoon die zegt aan paranoïde schizofrenie te lijden waarvoor hij inmiddels, in detentie, medicatie krijgt. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de uitkomst in reeds lopende Poolse vervolgingszaken afgewacht moet worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van de Poolse voorlopige hechtenis geen sprake is van een algemeen gevaar van schending van grondrechten. Subsidiair heeft hij zich aangesloten bij het subsidiaire standpunt van de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit over de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente tussenuitspraken heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten.<footnote-ref linkend="_62cf15fd-2420-4028-b5b2-440cbc9c91ff" /> Inmiddels zijn deze vragen in een aantal zaken beantwoord.</para>
      <para>In uitspraken van 5 juni 2024<footnote-ref linkend="_c9864699-e954-4da8-82ca-c0bf3bdceeab" /> heeft de rechtbank overwogen dat de beantwoording van deze vragen door de Poolse autoriteiten niet afdoende is om de eerder geuite zorgen weg te nemen. Uit de antwoorden blijkt immers niet hoeveel m2 levensruimte (exclusief sanitair) een voorlopig gehechte in een meerpersoonscel heeft, tegen de achtergrond van - hoofdzakelijk - het aantal uur per dag op cel (veelal 23 uur per dag), in voorkomend geval in combinatie met andere, de detentieomstandigheden verzwarende aspecten, namelijk de beperking van het contact met de buitenwereld en de (duur van) de vereiste toestemmingsprocedure voor bezoek en telefonisch contact, zoals van toepassing in het gehele <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen. </para>
      <para>De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen terechtkomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de detentieomstandigheden in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van dat nadere onderzoek zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> is aangenomen, dit gevaar - al dan niet met een individuele detentiegarantie - voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> kan worden weggenomen, dan wenst de rechtbank in het bijzonder het volgende over het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, te vernemen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1) De rechtbank begrijpt uit het CPT-rapport dat voorlopig gehechten minimaal 3 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel ter beschikking hebben. Kan, tegen de achtergrond van het arrest Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, punten 75-76), voor de opgeëiste persoon worden gegarandeerd dat hij minimaal 4 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel zal krijgen in het Huis van Bewaring waar hij terecht komt? Of zal hij slechts tussen de 3 en 4 vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel krijgen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2) Kan de opgeëiste persoon deelnemen aan activiteiten in het betreffende Huis van Bewaring?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3) Indien hij ervoor kiest deel te nemen aan alle aangeboden activiteiten, hoeveel uur per dag zou hij dan minimaal buiten zijn cel verblijven?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">4) Geldt voor de opgeëiste persoon dat hij, indien hij contact met de buitenwereld wil hebben door gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek, voorafgaand aan ieder bezoek of telefoongebruik altijd toestemming zal moeten vragen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">5) Zo ja, hoe lang duurt de procedure (inclusief het rechtsmiddel) om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst erop dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de beantwoording van boven gestelde vragen - zo nodig - bijstand kan verzoeken aan de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van Polen, in de zin van artikel 7 van het Kaderbesluit.<footnote-ref linkend="_efaa37e9-ba35-48f6-9e68-a4c176f0afd2" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet in de gestelde medische/psychische situatie van de opgeëiste persoon geen reden nog nadere vragen te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen – ingaande op het moment waarop de termijn van 90 dagen verstrijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT</emphasis> dat de zaak vanwege het verstrijken van deze verlengde beslistermijn <?linebreak?>(op 7 augustus 2024), uiterlijk op 24 juli 2024 opnieuw op zitting moet worden gepland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijd, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijd.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door:</para>
      <para>mr. Ch.A. van Dijk,  							                         voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.J. Bos en B.M. Vroom-Cramer,  						   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie,				                              griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b086c38f-76b3-4eaa-9c4b-5c0e1af2ae72" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa0ea9a3-2a01-4278-944b-d487e8f79f11" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab8104ae-0f51-40e1-94c5-702650db0863" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e20f90a-3a16-4111-a97e-d1c4f7b443ac" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6dbb1f65-358e-47f5-b65a-9e413f772f14" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_62e5a3a7-f37f-4fbc-849b-3a357a22baf5" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:2863.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62cf15fd-2420-4028-b5b2-440cbc9c91ff" label="7">
    <para>Zie onder andere: Rechtbank Amsterdam, 5 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1982.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9864699-e954-4da8-82ca-c0bf3bdceeab" label="8">
    <para> Zie onder andere: rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efaa37e9-ba35-48f6-9e68-a4c176f0afd2" label="9">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (<emphasis role="italic">Aranyosi en Căldăraru</emphasis>), punt 97. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>